Week 1:
Hoorcollege
Centrale vraag: waarom vertoont de ene persoon crimineel en/of antisociaal gedrag, en anderen
niet?
Verklaren van (crimineel) gedrag:
- Verschillende disciplines hebben hier een eigen verklaring voor
- Het in overweging nemen van verschillende perspectieven is essentieel om te begrijpen
waarom mensen zich gedragen zoals ze dat doen.
Why did the chicken cross the road? -> om naar de andere kant te komen
Per tijdsniveau is hier een ander soort verklaring voor.
Tijdsniveau:
1 seconde ervoor: de kip zag eten aan de overkant –> neuronale activatie
Uren ervoor: de kip had honger of was gestrest –> hormonen zoals cortisol
Dagen/weken ervoor: de kip leerde dat er vaak voedsel ligt aan de overkant –> leren &
conditionering
Tijdens haar jeugd: de kip groeide op in een omgeving waarin risico’s nemen normaal was –>
ontwikkeling
Generaties terug: kippen die durfden, overleefden vaker –> evolutionaire selectie
Cultureel: in haar groep is oversteken normaal gedrag –> aangeleerd sociaal gedrag
Zo zie je dat er verschillende uitleg is per discipline. Dit werkt ook zo bij criminaliteit, we
moeten proberen het vanuit verschillende invalshoeken te begrijpen.
Bio-psycho-sociaal model:
Het idee dat gedrag vanuit meerdere perspectieven te verklaren is. Dit is een van de bekendere
modellen. Dit kunnen we toepassen op crimineel gedrag.
Er zijn:
Biologische factoren (o.a.)
- Prenataal (baarmoeder)
- Genetica
- Hersenontwikkeling
- Invloed van ervaren stress
, Psychologische factoren (o.a.)
- Cognitieve factoren
- Emotionele factoren
- Psychische aandoeningen
- Identiteit
- Persoonlijkheid
Sociaal (interpersonal)
Effect van waargenomen of daadwerkelijke sociale contacten:
- Hechting
- Vrienden
- Relaties
Deze factoren hebben een effect op criminaliteit. Maar andersom heeft criminaliteit ook een effect
op deze factoren. Bijvoorbeeld je pleegt criminaliteit en mensen willen daardoor niet meer met je
omgaan, dit leidt tot een kleine sociale groep. Een kleine sociale groep is weer een risicofactor voor
crimineel gedrag.
Alle drie factoren (biologisch, psychologisch en sociaal) hebben ook weer invloed op elkaar. Een risico
per aspect kan over tijd af of toenemen (psychische problemen kunnen door behandeling bijv
afnemen).
Contextual dynamics: deze heeft ook invloed op criminaliteit en wordt in het model apart nog even
genoemd. Hier worden andere theorien verklaard, bijv de routine-activiteiten theorie (er was net
geen bewaker aanwezig etc.)
Dit model geeft een analyse van hoe deze drie factoren kunnen hebben geleid tot een bepaald delict.
Het begrijpen van ontstaan en ontwikkeling van crimineel gedrag is een soort puzzel van de hele
levensloop. We bekijken dit vanuit dit model op basis van biologische, psychologische en sociale
factoren en de interactie tussen deze drie. Ook de interactie met de omgeving wordt meegenomen.
Prenatale risicofactoren:
Er bestaan prenatale risicofactoren die kunnen zorgen voor een hogere kans op crimineel gedrag.
Onderzoek naar deze risicofactoren is lastig vanwege het ethisch aspect. Vaak wordt er gekeken naar
antisociaal gedrag (overkoepelende term van veel soorten gedrag), agressief gedrag en antisociale
persoonlijkheidsstoornissen (psychotische stoornissen, verslavingen etc.).
Agressie wordt vaak gemeten met een vragenlijst. Je bent dus afhankelijk van hoe eerlijk iemand is.
De antwoorden zeggen iets, maar zijn niet heel betrouwbaar.
Voor de diagnostiek van antisociale persoonlijkheidsstoornis worden ook vragenlijsten gebruikt,
maar ook andere testjes (iq onderzoek etc.). Je kan informatie gebruiken uit het dossier en je kan het
aanvullen door te praten met de omgeving van de client (collaterale informatie). Aangezien dit niet
alleen via zelfrapportage is, is dit betrouwbaarder.
,Prenatale risicofactoren:
Voeding
Dutch famine study: in deze studie is gekeken naar het effect van weinig voeding tijdens de
zwangerschap op later gedrag van het kind. Dit is gedaan in de hongerwinter. Ze hebben moeders
vergeleken die in bezet gebied zwanger waren (weinig voeding) met moeders die in bevrijd gebied
zwanger waren (genoeg voeding). Er is onderscheid gemaakt tussen de drie semesters in de
zwangerschap en de hoeveelheid voeding in deze semesters. Er werd alleen gekeken naar de zonen,
omdat zij bij de dienstplicht werden onderzocht en deze gegevens dus goed werden bijgehouden. De
kans op antisociale persoonlijkheidsstoornissen bij de zonen was hoger als de moeder te weinig
voeding tot haar beschikking had in semester 1,2 of 3. Vooral weinig voeding in het 1 e en/of 2e
semester zorgt voor hogere kansen op antisociale persoonlijkheidsstoornissen (ongeveer 2x zo grote
kans). Mannen die een diagnose ADP hebben gekregen bij keuring, hebben vaker weinig voeding
gehad tijdens de zwangerschap.
Verklaringen:
- Weinig voeding als risicofactor zorgt voor beperkte ontwikkeling van de hersenen. De
hersenen/central nervous system zijn vooral in de eerste 6 weken erg sensitief voor stoffen
van buitenaf.
- Epigenetica: de effecten van weinig voeding zijn zelfs generaties later nog te zien. Ze hebben
o.a. nog steeds een hogere kans op ADP.
In het BPS model zou dit een voorbeeld zijn van een interactie tussen omgeving (te weinig voeding)
en biologie (hersenontwikkeling).
Alcohol
Het feutaal alcohol syndroom verhoogt de kans op justitieel contact. Door de toxische stoffen die de
feutes binnenkrijgt gaat de ontwikkeling niet goed, waaronder van de hersenen, dit is vaak ook te
zien aan uiterlijke kenmerken. Het is een risicofactor voor crimineel gedrag.
Lood
Lood concentratie in bloed van moeder is voorspellend voor arrestaties voor gewelddadige delicten
van kinderen. Ook hier ligt de verklaring in de ontwikkeling van de hersenen. De omgeving kan een
factor hierin hebben, sommigen kunnen door bijv. armoede meer aan lood blootgesteld worden
(wonen dichter bij snelwegen of hebben minder schoon drinkwater bijv.).
In het BPS model zou dit verklaard worden door omgevingsfactoren (armoede wat zorgt tot meer
blootstelling) wat kan leiden tot verminderde hersenontwikkeling (biologische factoren). Dit kan
weer leiden tot ADP.
Week 2:
Hoorcollege – prenatale en vroege risicofactoren
Twee benaderingen in onderzoek genetica:
1. Algemeen effect van genetische variatie – erfelijkheidsstudies (tweeling/adoptie studies)
2. Specifieke genen – welke genen doen ertoe als we het hebben over verklaren van crimineel
gedrag
, Erfelijkheidsstudies:
Het overdragen van eigenschappen binnen families -> Kijkt vaak naar tweelingen.
Drie factoren die variatie in eigenschappen verklaren:
Genetische informatie
Gedeelde omgeving
Unieke omgeving
Dus: eigenschap (bijv. agressie) = erfelijkheid + gedeelde omgeving + unieke omgeving
Hoeveel DNA deel je?:
Ouders – 50%
Broer/zus – 50% -> Verschillen meer in omgeving door verandering in tijd, opvoeding etc (50%),
delen helft van het DNA (50%)
Eeneiige tweeling (monozygote) – 100% -> groeien op in dezelfde omgeving (100%), delen exact
hetzelfde DNA (100%)
Twee-eiige tweeling (dizygote) – 50% -> groeien op in dezelfde omgeving (100%), delen de helft van
het DNA (50%)
De percentages van de omgeving zijn bij benadering.
Antisociaal gedrag is voor ongeveer 50% genetisch bepaald. Dit type erfelijkheidsonderzoek wordt
niet alleen bij tweelingen uitgevoerd, maar ook met adoptiestudies. Deze delen DNA met
broers/zussen, maar hebben een andere omgeving als ze apart geadopteerd worden.
Kritieken:
- Assumptie van identieke gedeelde omgeven MZ (monozygote)/DZ (dizygote) klopt niet
- Ongelijkheid in gedeelde placenta MZ/DZ
- Prenatale invloeden worden niet meegenomen
- Mogelijk genetische overlap met adoptieouders, omdat kinderen vaak worden geplaats in
soortgelijk gezin als het eigen.
- Adoptie ouders zijn vaak beter af dan biologische ouders (betere SES), dit vertekent het
beeld.
Deze kritieken zijn onvermijdelijk, maar het effect is relatief klein
Genen zijn belangrijk voor alle biologische processen. Biologische processen zijn belangrijk voor
gedrag (en dus ook crimineel gedrag).
DNA bevat 46 chromosomen (23 chromosoomparen). De genen op de chromosomen leveren zo’n 3.1
miljard baseparen op. Genen zijn combinaties van baseparen. 95% is ‘junk DNA’. 5% van je DNA is
eigenlijk maar relevant en codeert informatie, dit zijn ongeveer 150 miljoen baseparen. Dit levert
zo’n 20.000 genen.