BOK: Leren en ontwikkelen
Week 1: De aard van veranderingen
Werkcollege 1.1
Aard van veranderingen van de ontwikkeling:
- Continue verandering (= de ontwikkeling gebeurt geleidelijk en prestaties vloeien in
elkaar over)
> Continue verandering is kwanitatief. Vaardigheden of kenmerken veranderen niet in aard,
maar wel in omvang. Theorieën die zeggen dat de cognitieve ontwikkeling continue is,
menen dat kinderen bijvoorbeeld steeds sneller kunnen lezen.
- Discontinue verandering (= de ontwikkeling vindt plaats in aparte stappen of stadia)
> Discontinue verandering is kwalitatief. Het gedrag verandert inhoudelijk ten opzichte van
het vorige stadium. Ontwikkeling kan dus ook abrupt plaatsvinden i.p.v. continue. Zoals
kinderen die opeens niet meer in hun bed plassen.
- Kritieke periode (= een gebeurtenis die grootste en/of onomkeerbare gevolgen
hebben op jouw leven) > Chronische ziektes
> Als een kritische periode in het begin van iemands leven plaatsvindt (babyfase), zijn de
gevolgen meestal onomkeerbaar!
- Gevoelige periode (= een periode waarin je extra gevoelig bent voor
omgevingsinvloeden, ze hebben minder grote gevolgen als een kritieke periode) >
Puberteit
> Gevolgen die voortkomen uit een gevoelige periode zijn herstelbaar en/of veranderbaar!
- Plasticiteit (= de mate waarin iemand reageert op een gebeurtenis of hoe die
persoon er mee omgaat)
Levensloopmodel of focus op specifieke perioden:
- Levensloopmodel (= de ontwikkeling groei vindt iemand zijn gehele leven plaats tot
aan de adolescentie, elk levensstadium heeft zijn eigen ontwikkelingspunt) >
Piaget/Freud
- Focus op specifieke perioden (= de kindertijd en adolescentie zijn de belangrijkste
ontwikkelingsperiodes)
De invloed van nature en nurture op de ontwikkeling:
- Nature-nurture debat (= de discussie over hoeveel invloed nature en/of nurture
invloed heeft op ons gedrag en onze eigenschappen) voorbeeld: intelligentie.
> Nature omvat iemand zijn eigenschappen die hij/zij heeft geërfd van zijn ouders. Maar ook
de mate waarin iemand zich cognitief kan ontwikkelen.
> Nurture omvat de omgevingsinvloeden die onze ontwikkeling beïnvloeden. Voorbeelden
hiervan zijn: een moeder die tijdens de zwangerschap een alcoholprobleem heeft, de
opvoeding van een kind of sociaal-economische omstandigheden.
- Cohort-effecten (= een groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek zijn
geboren) > Corona-crisis
,Werkcollege 1.2
Verschillende perspectieven op ontwikkeling:
1. Psychodynamisch:
- (= Gedrag is te verklaren vanuit innerlijke krachten)
Psychoanalytische Theorie, Sigmund Freud
> Freud zijn theorie over het de verschillende delen van de persoonlijkheid:
- ID (= onbewuste drijfveren (thanatos en eros))
- Ego (= bewuste deel met normen en waarde)
- Superego (maakt de afweging tussen het ID en Superego)
> Freud zijn theorie over het vormen van een persoonlijkheid tijdens de kindertijd:
- Psychoseksuele ontwikkeling (= vijf fasen die kinderen doorlopen waarbij genot en
bevrediging, met een ander lichaamsdeel worden geassocieerd)
> Als er iets mis gaat in een fase, te veel of te weinig bevrediging, kan fixatie ontstaan (=
gedrag dat is blijven steken als gevolg van een onopgelost conflict) Voorbeeld: Orale fixatie
kan op latere leeftijd leiden tot gedrag zoals; eten, praten, roken of nagelbijten.
> Freud zegt ook dat iemand zijn identiteitsontwikkeling klaar is tijdens de adolescentie.
Psychosociale Theorie, Erikson
> Ontwikkeling vindt gedurende het leven plaats in 8 verschillende stadia. Elk stadium heeft
zijn eigen conflict. De ontwikkeling van identiteit gaat door tot het eind van iemands leven.
Gemiddelde leeftijd Psychoseksuele Kenmerken Psychosociale
ontwikkeling psychoseksuele ontwikkeling
ontwikkeling
Geboorte tot 12-18 Oraal Zuigen, eten, Vertrouwen vs
maanden (babytijd) bewegen van lippen wantrouwen
en bijten
12-18 maanden tot 3 Anaal Op de juiste tijd Autonomie vs
jaar (peutertijd) ontlasten schaamte en twijfel
(zindelijkheid)
3 tot 5-6 jaar Fallisch Oedipuscomplex (= Initiatief vs schuld
(kleutertijd) erotiek ervaren met
ouder van
tegenovergestelde
geslacht)
5-6 jaar tot Latentie Seksualiteit op de Competentie vs
adolescentie achtergrond minderwaardigheid
(schooltijd)
Adolescentie tot Genitaal Ontdekken van Identiteit vs
volwassenheid seksuele intresses identiteitsverwarring
(freud) en volwassen
seksuele relaties
Adolescentie aan gaan.
, (Erikson)
Jongvolwassenheid - - Intimiteit vs
(begin isolement
volwassenheid)
Middelbare leeftijd - - Generativiteit
(volwassenheid) (voortplanting) vs
stagnatie
Ouderdom - - Ego-integriteit vs
(rijpheid) wanhoop
2. Cognitief:
(= Gedrag is te verklaren vanuit processen die mensen in staat stellen de wereld te leren,
kennen, begrijpen en overdenken)
Cognitieve ontwikkelingstheorie, Piaget:
(= In elk stadium is de cognitieve ontwikkeling zowel kwantitatief als kwalitatief.)
Stadium Leeftijdscategorie Voornaamste kenmerken
Sensomotorisch Geboorte tot 2 jaar Ontwikkeling van zintuigen, motoriek,
geheugen en objectpermanentie. Weinig
tot geen vermogen om dingen
symbolisch waar te nemen.
Preoperationeel 2-7 jaar Ontwikkeling van taal, fijne motoriek en
symbolisch denken; egocentrisch
denken (de wereld vanuit jezelf bekijken)
Concreet operationeel 7-12 jaar Ontwikkeling van conservatiebegrip,
reversibiliteit en logica.
Formeel operationeel 12 jaar- Ontwikkeling van logisch redeneren
volwassenheid (verbanden zien en begrijpen) en
abstract denken (het denken komt los
van het concrete)
Begrippen:
- Objectpermanentie (= idee dat mensen/objecten bestaan, ook al zijn ze niet
zichtbaar)
- Conservatiebegrip (= idee dat kwantiteit niet gerelateerd is aan fysieke verschijning,
vb: een bol klei bevat even klei als je hem plat slaat als een pannenkoek)
- Reversibiliteit (= begrijpen van het principe dat je een proces in gedachten kunt
omdraaien)
- Logica (= relatie begrijpen tussen tijd, afstand en snelheid)
- Informatieverwerkingstheorie (= benadering van cognitieve ontwikkeling die probeert
te achterhalen op welke manieren mensen informatie coderen, opslaan en
terughalen)
, Volgens Piaget verklaren twee basisprincipes de adaptatie (aanpassing aan nieuwe
informatie), van kinderen:
1. Assimilatie (= het proces waarbij mensen hun bestaande manieren van denken
gebruiken om een nieuwe ervaring te begrijpen)
2. Accommodatie (= het proces waarbij bestaande manieren van denken of doen
veranderen in reactie op nieuwe stimuli of gebeurtenissen)
> Een kind dat nog niet kan tellen zegt dat het rek waar de kralen dichter bij elkaar zitten
‘meer’ kralen bevat (assimilatie). Na een tijdje leert het kind tellen en ziet hij dat dit niet waar
is (accommodatie).
3. Behavioristisch:
(= Gedrag is te verklaren vanuit de omgeving)
- Klassieke conditionering, Pavlov (= twee prikkels tegelijk aanbieden zodat ze samen
geassocieerd worden)
Voorbeeld: Hond gaat kwijlen van voedsel > bij alleen het horen van de bel gaat de hond
niet kwijlen > voedsel + bel laat de hond kwijlen > nu bij het horen van de bel gaat de hond
kwijlen zonder het zien van voedsel.
- Operant conditioneren (= straffen of belonen)
- Observatief leren (= leren d.m.v. het observeren van andere)
4. Systematisch, Bronfenbrenner:
(= Gedrag verklaren vanuit het Bio-Ecologische Model met een brede visie op ontwikkeling)
- Micro (= dagelijkse en directe omgeving) > Ouders
- Meso (= connecties tussen twee of meer mensen uit je microsysteem) > Relaties
binnen je familie
- Exo (= indirecte invloed) > Werk, Sociale instanties
> Je partner ervaart stress op het werk, maar jij hebt daar zelf geen invloed op.
- Macro (= culturele invloeden) Cultuur, religie, wetgeving
- Chrono (= tijdsgeest) Leeftijd kind
5. Evolutionair:
(= Gedrag is te verklaren vanuit overleving of voortplanting)
> Voorbeelden:
- Jaloers zijn had vroeger een nuttige functie. Door jaloers te zijn naar je partner toe en
ervoor te zorgen dat hij trouw bleef, had iemand de zekerheid om voort te planten.
- Vet eten was vroeger van noodzaak om te overleven. Mensen die vetter aten hadden
meer energie en dus ook meer overlevingskans.
- In deze tijd hebben deze voorbeelden geen echte functie meer, maar het is wel een
manier om ons huidige gedrag te verklaren.
Week 2: Leren en het geheugen
Werkcollege 2.1
Wat is klassieke conditionering?
> Klassieke conditionering (= Een vorm van leren waarbij een in eerste instantie neutrale
stimulus het vermogen heeft om dezelfde aangeboren reflex op te roepen als een andere
stimulus die deze reflex oorspronkelijk oproept)
Week 1: De aard van veranderingen
Werkcollege 1.1
Aard van veranderingen van de ontwikkeling:
- Continue verandering (= de ontwikkeling gebeurt geleidelijk en prestaties vloeien in
elkaar over)
> Continue verandering is kwanitatief. Vaardigheden of kenmerken veranderen niet in aard,
maar wel in omvang. Theorieën die zeggen dat de cognitieve ontwikkeling continue is,
menen dat kinderen bijvoorbeeld steeds sneller kunnen lezen.
- Discontinue verandering (= de ontwikkeling vindt plaats in aparte stappen of stadia)
> Discontinue verandering is kwalitatief. Het gedrag verandert inhoudelijk ten opzichte van
het vorige stadium. Ontwikkeling kan dus ook abrupt plaatsvinden i.p.v. continue. Zoals
kinderen die opeens niet meer in hun bed plassen.
- Kritieke periode (= een gebeurtenis die grootste en/of onomkeerbare gevolgen
hebben op jouw leven) > Chronische ziektes
> Als een kritische periode in het begin van iemands leven plaatsvindt (babyfase), zijn de
gevolgen meestal onomkeerbaar!
- Gevoelige periode (= een periode waarin je extra gevoelig bent voor
omgevingsinvloeden, ze hebben minder grote gevolgen als een kritieke periode) >
Puberteit
> Gevolgen die voortkomen uit een gevoelige periode zijn herstelbaar en/of veranderbaar!
- Plasticiteit (= de mate waarin iemand reageert op een gebeurtenis of hoe die
persoon er mee omgaat)
Levensloopmodel of focus op specifieke perioden:
- Levensloopmodel (= de ontwikkeling groei vindt iemand zijn gehele leven plaats tot
aan de adolescentie, elk levensstadium heeft zijn eigen ontwikkelingspunt) >
Piaget/Freud
- Focus op specifieke perioden (= de kindertijd en adolescentie zijn de belangrijkste
ontwikkelingsperiodes)
De invloed van nature en nurture op de ontwikkeling:
- Nature-nurture debat (= de discussie over hoeveel invloed nature en/of nurture
invloed heeft op ons gedrag en onze eigenschappen) voorbeeld: intelligentie.
> Nature omvat iemand zijn eigenschappen die hij/zij heeft geërfd van zijn ouders. Maar ook
de mate waarin iemand zich cognitief kan ontwikkelen.
> Nurture omvat de omgevingsinvloeden die onze ontwikkeling beïnvloeden. Voorbeelden
hiervan zijn: een moeder die tijdens de zwangerschap een alcoholprobleem heeft, de
opvoeding van een kind of sociaal-economische omstandigheden.
- Cohort-effecten (= een groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek zijn
geboren) > Corona-crisis
,Werkcollege 1.2
Verschillende perspectieven op ontwikkeling:
1. Psychodynamisch:
- (= Gedrag is te verklaren vanuit innerlijke krachten)
Psychoanalytische Theorie, Sigmund Freud
> Freud zijn theorie over het de verschillende delen van de persoonlijkheid:
- ID (= onbewuste drijfveren (thanatos en eros))
- Ego (= bewuste deel met normen en waarde)
- Superego (maakt de afweging tussen het ID en Superego)
> Freud zijn theorie over het vormen van een persoonlijkheid tijdens de kindertijd:
- Psychoseksuele ontwikkeling (= vijf fasen die kinderen doorlopen waarbij genot en
bevrediging, met een ander lichaamsdeel worden geassocieerd)
> Als er iets mis gaat in een fase, te veel of te weinig bevrediging, kan fixatie ontstaan (=
gedrag dat is blijven steken als gevolg van een onopgelost conflict) Voorbeeld: Orale fixatie
kan op latere leeftijd leiden tot gedrag zoals; eten, praten, roken of nagelbijten.
> Freud zegt ook dat iemand zijn identiteitsontwikkeling klaar is tijdens de adolescentie.
Psychosociale Theorie, Erikson
> Ontwikkeling vindt gedurende het leven plaats in 8 verschillende stadia. Elk stadium heeft
zijn eigen conflict. De ontwikkeling van identiteit gaat door tot het eind van iemands leven.
Gemiddelde leeftijd Psychoseksuele Kenmerken Psychosociale
ontwikkeling psychoseksuele ontwikkeling
ontwikkeling
Geboorte tot 12-18 Oraal Zuigen, eten, Vertrouwen vs
maanden (babytijd) bewegen van lippen wantrouwen
en bijten
12-18 maanden tot 3 Anaal Op de juiste tijd Autonomie vs
jaar (peutertijd) ontlasten schaamte en twijfel
(zindelijkheid)
3 tot 5-6 jaar Fallisch Oedipuscomplex (= Initiatief vs schuld
(kleutertijd) erotiek ervaren met
ouder van
tegenovergestelde
geslacht)
5-6 jaar tot Latentie Seksualiteit op de Competentie vs
adolescentie achtergrond minderwaardigheid
(schooltijd)
Adolescentie tot Genitaal Ontdekken van Identiteit vs
volwassenheid seksuele intresses identiteitsverwarring
(freud) en volwassen
seksuele relaties
Adolescentie aan gaan.
, (Erikson)
Jongvolwassenheid - - Intimiteit vs
(begin isolement
volwassenheid)
Middelbare leeftijd - - Generativiteit
(volwassenheid) (voortplanting) vs
stagnatie
Ouderdom - - Ego-integriteit vs
(rijpheid) wanhoop
2. Cognitief:
(= Gedrag is te verklaren vanuit processen die mensen in staat stellen de wereld te leren,
kennen, begrijpen en overdenken)
Cognitieve ontwikkelingstheorie, Piaget:
(= In elk stadium is de cognitieve ontwikkeling zowel kwantitatief als kwalitatief.)
Stadium Leeftijdscategorie Voornaamste kenmerken
Sensomotorisch Geboorte tot 2 jaar Ontwikkeling van zintuigen, motoriek,
geheugen en objectpermanentie. Weinig
tot geen vermogen om dingen
symbolisch waar te nemen.
Preoperationeel 2-7 jaar Ontwikkeling van taal, fijne motoriek en
symbolisch denken; egocentrisch
denken (de wereld vanuit jezelf bekijken)
Concreet operationeel 7-12 jaar Ontwikkeling van conservatiebegrip,
reversibiliteit en logica.
Formeel operationeel 12 jaar- Ontwikkeling van logisch redeneren
volwassenheid (verbanden zien en begrijpen) en
abstract denken (het denken komt los
van het concrete)
Begrippen:
- Objectpermanentie (= idee dat mensen/objecten bestaan, ook al zijn ze niet
zichtbaar)
- Conservatiebegrip (= idee dat kwantiteit niet gerelateerd is aan fysieke verschijning,
vb: een bol klei bevat even klei als je hem plat slaat als een pannenkoek)
- Reversibiliteit (= begrijpen van het principe dat je een proces in gedachten kunt
omdraaien)
- Logica (= relatie begrijpen tussen tijd, afstand en snelheid)
- Informatieverwerkingstheorie (= benadering van cognitieve ontwikkeling die probeert
te achterhalen op welke manieren mensen informatie coderen, opslaan en
terughalen)
, Volgens Piaget verklaren twee basisprincipes de adaptatie (aanpassing aan nieuwe
informatie), van kinderen:
1. Assimilatie (= het proces waarbij mensen hun bestaande manieren van denken
gebruiken om een nieuwe ervaring te begrijpen)
2. Accommodatie (= het proces waarbij bestaande manieren van denken of doen
veranderen in reactie op nieuwe stimuli of gebeurtenissen)
> Een kind dat nog niet kan tellen zegt dat het rek waar de kralen dichter bij elkaar zitten
‘meer’ kralen bevat (assimilatie). Na een tijdje leert het kind tellen en ziet hij dat dit niet waar
is (accommodatie).
3. Behavioristisch:
(= Gedrag is te verklaren vanuit de omgeving)
- Klassieke conditionering, Pavlov (= twee prikkels tegelijk aanbieden zodat ze samen
geassocieerd worden)
Voorbeeld: Hond gaat kwijlen van voedsel > bij alleen het horen van de bel gaat de hond
niet kwijlen > voedsel + bel laat de hond kwijlen > nu bij het horen van de bel gaat de hond
kwijlen zonder het zien van voedsel.
- Operant conditioneren (= straffen of belonen)
- Observatief leren (= leren d.m.v. het observeren van andere)
4. Systematisch, Bronfenbrenner:
(= Gedrag verklaren vanuit het Bio-Ecologische Model met een brede visie op ontwikkeling)
- Micro (= dagelijkse en directe omgeving) > Ouders
- Meso (= connecties tussen twee of meer mensen uit je microsysteem) > Relaties
binnen je familie
- Exo (= indirecte invloed) > Werk, Sociale instanties
> Je partner ervaart stress op het werk, maar jij hebt daar zelf geen invloed op.
- Macro (= culturele invloeden) Cultuur, religie, wetgeving
- Chrono (= tijdsgeest) Leeftijd kind
5. Evolutionair:
(= Gedrag is te verklaren vanuit overleving of voortplanting)
> Voorbeelden:
- Jaloers zijn had vroeger een nuttige functie. Door jaloers te zijn naar je partner toe en
ervoor te zorgen dat hij trouw bleef, had iemand de zekerheid om voort te planten.
- Vet eten was vroeger van noodzaak om te overleven. Mensen die vetter aten hadden
meer energie en dus ook meer overlevingskans.
- In deze tijd hebben deze voorbeelden geen echte functie meer, maar het is wel een
manier om ons huidige gedrag te verklaren.
Week 2: Leren en het geheugen
Werkcollege 2.1
Wat is klassieke conditionering?
> Klassieke conditionering (= Een vorm van leren waarbij een in eerste instantie neutrale
stimulus het vermogen heeft om dezelfde aangeboren reflex op te roepen als een andere
stimulus die deze reflex oorspronkelijk oproept)