Geschiedenis sociale wetenschappen
- 19e eeuw – opkomst
Politieke economie: beheersing van het collectief
Psychologie: experimenteel onderzoek naar ‘de wetten van de geest’
Antropologie: kolonialisatie van de ander
- Eerste helft 20e eeuw – disciplinevorming
Specialisatie, processen van in- en uitsluiting, methodenstrijd
- Tweede helft 20e eeuw – verzelfstandiging
Professionalisering, opkomst toegepaste sociale wetenschappen,
democratisering, kritische functie
- Begin 20e eeuw
Verstrengeling wetenschap en maatschappij/politiek (valorisatie),
interdisciplinaire samenwerkingsverbanden
Drie filosofische aspecten
- Ontologie – zijnsleer
Niveaus van zijn: de dingen en hun eigenschappen verklaard
- Epistemologie – kennisleer
- Methodologie – onderzoeksmethoden
Ontologie – zijnsleer
- Waaruit of hoe bestaat de (sociale) werkelijkheid?
- Monisme vs dualisme
- Reductionisme of holisme?
Eenheid analyse: neuronen > brein > individu > groep > cultuur/volk >
etniciteit
Reductionisme = van groot herleiden tot klein
Holisme = van klein herleiden naar groot
Monisme vs dualisme
- Waaruit bestaat de wereld die wij waarnemen?
- Bestaan er sociale feiten onafhankelijk van mensen?
- Waaruit bestaat geld?
- Bestaat er een ‘geest’ die zelfstandig denkt, of is het denken een product van
hersenactiviteit
- Is er zoiets als vrije wil?
Monisme vs dualisme
- Monisme: er is slecht een substantie met eventueel meerdere verschijningsvormen
Spinoza: Lichaam en geest verschijningsvormen van dezelfde (goddelijke)
substantie, doen en laten gedetermineerd, geen vrije wil
Marx: maatschappij resultaat van historisch noodzakelijk proces, wel vrije wil
Neurowetenschappers: denken bepaald door electrochemische processen in
brein, geen vrije wil
, - Dualisme: lichaam en geest zijn twee fundamenteel verschillende substanties die op
elkaar inwerken of uit elkaar voortkomen
Descartes: lichaam is uitgebreid en deelbaar, geest is niet-uitgebreid en niet-
deelbaar, wisselwerking via de pijnappelklier, mens heeft vrije wil
Chalmers: bewustzijn logisch autonoom tov fysische processen waaruit het
voortkomt. Gat tussen subjectieve ervaring en objectieve processen
Social facts
- Vormen van handelen, denken en voelen die buiten het individu plaatsvinden en
hem/haar beïnvloeden
- Social facts oefenen controle uit over het individu, zegt Durkheim
Epistemologische posities: relatie tussen ‘kennis’ en ‘de wereld’
- Idealisme: ware kennis is gegeven (apriori), onze voorstelling daarvan een
afspiegeling
- Empirisme: kennis komt via waarneming tot stand (inductie)
- Rationalisme: kennis tot stand komt via afleiding uit noodzakelijke waarnemingen
(deductie)
Kritisch rationalisme (Popper): afleiding + falsificatie
- Relativisme: geen onafhankelijke (absoluut ware) kennis mogelijk; kennisverwerving
gebonden aan perspectief waarnemer
- Constructivisme: kennis een gezamenlijk product
Positivisme
- Gaat uit van ware, observeerbare feiten
- Empirisch georienteerd / niet-speculatief
- Gericht op causale verklaringen en abstracte wetten, in de geest van
natuurwetenschappen
- Eén methode: experiment
- Voorspellen
- Accumulatie van kennis
Positivisme en empirisme gecombineerd
- Deductief nomologisch model
Verklaringen gedrag afgeleid uit algemene princies/wetten
- ‘covering-law’ theory
Om bepaald gedrag te begrijpen wordt een beroep gedaan op achterliggende
causale wetten
Voordelen en nadelen positivisme
- Voordelen
Suggestie van precisie en volledigheid
Lijkt op natuurwetenschappen
Vooruitgang in kennis
- Nadelen
Wetten voldoen niet altijd: hoe kan dat?
, Menselijk gedrag misschien niet gedetermineerd?
Hermeneutiek (Dilthey, Gadamer, Billig)
- Gaat uit van intenties, betekenissen en historische processen
- Onderzoek naar betekenisverlening en ontcijfering
- Gericht op vinden verbanden/regelmatigheden ipv wetten
- Begrijpen (verstehen) ipv voorspellen
- Contingentie ipv vooruitgang
Hermeneutiek in sociale wetenschappen
- Case studies en klinische psychologie (N=1)
Belevingswereld cliënt
- Antropologie
Betekenisvolle samenhang gemeenschappen
- Kritische sociologie (neo-Marxisme)
Emancipatoire doelstellingen
- Discourse-analyse, interactieanalyse
Maatschappij kritiek
Voor- en nadelen hermeneutiek
- Voordelen
Suggestie van levensechtheid (menselijke maat)
Lijkt aan te sluiten bij belevingswereld
Laat verandering toe
- Nadelen
Eclectisch, oncontroleerbaar
Intenties niet kenbaar?
Waar staan de sociale wetenschappen: positivisme of hermeneutiek?
- ‘methodenstreit’ (eind 19e eeuw)
- Behavioristen: gedrag is volkomen gedetermineerd, verklaarbaar tot in details
- Fenemologie: mens alleen begrijpen in zijn relaties tot de wereld
- Weber: sociologie moet allebei doen (causale én historische verbanden geven)
- Freud: combinatie elementen causale en historische verklaringen
Posities in debat: taken en verantwoordelijkheden sociale wetenschappers
1. Neutraal/afzijdig
Wetenschapper heeft geen belang
Houdt zich verder buiten het debat
Voert onderzoek objectief uit
Voorbeeld: Webers waardevrije wetenschap
2. Geëngageerd
Wetenschapper kiest partij
Mengt zich in debat
Is zich bewust van betrokkenheid, ziet daarvan de noodzaak in
Voorbeeld: Marxistische traditie
3. Middenweg