Theoretische Criminologie
- Doelstellingen van hoorcolleges overnemen uit de slides en
jezelf toetsen.
- Tijdens het tentamen mag je al je studiemateriaal
meenemen, neem vooral het boek mee.
Week 1 Literatuur
1 van de 2 slachtoffers van geweldsdelicten in Amerika, doet hier geen aangifte
van bij de politie. Bij vermogensdelicten gaat dit om 1 van de 3.
In de 20e eeuw geloofde men dat criminologische eigenschappen in je dna
gecodeerd zou staan. Ze geloofden dat men dit kon meegeven aan hun kinderen
dmv genotype. Daarom vonden ze het een slim idee om grote criminelen te
steriliseren. Er wordt niet in het boek uitgelegd of dit ook daadwerkelijk is
gedaan.
Later geloofden ze dat de neigingen tot criminaliteit meer gevormd werden door
het fenotype.
Klassieke school: Denkwijze dat opkwam tijdens de verlichting. Men wees de
religieuze verklaringen voor criminaliteit af. Men nam de mening aan dat een
crimineel de voor- en nadelen afweegt en zo beslist of hij de misdaad wilt
begaan.
Positivisme: Cesare Lombroso geloofde dat criminelen een biologische afwijking
zouden hebben.
Week 1 HC
Project dare heeft niets uitgemaakt voor het drugsgebruik van die kinderen.
Project dare -> voorlichtingsprogramma die kinderen probeerde te behoeden van
drugs. Er was een bakje om je klasgenoten te tippen waarvan je vermoedde dat
ze drugs gebruikten.
Het kan juist een trigger zijn om drugs te gaan gebruiken, je brengt de kinderen
juist op ideeën.
Bij bijv. borden bij fietsenstallingen, waar op staat: ‘he fietsendief, jij bent
gezien!’ -> kans op fietsendiefstal neemt af. Met zo’n bord krijgt de fietsendief
het gevoel dat de pakkans groter wordt. Hierdoor namen de fietsendiefstallen bij
andere stallingen in de omgeving toe. Die fietsendieven leken zich te verplaatsen
naar andere stallingen.
Scared straight 1978 -> programma om delinquente jongeren op het rechte pad
te houden door ze erg bang te maken. In een nagebootste gevangenis krijgen ze
erg verbaal agressieve gevangenen te zien. Het resultaat was dat in het beste
,geval dat de kans op delinquent gedrag gelijk bleef. In een aantal gevallen
zorgde het juist voor een toename van delinquent gedrag. Kinderen gaan
compenseren voor de vernedering die ze daar hebben moeten ervaren. Ze gaan
juist door met het gedrag, om zich zo stoer mogelijk te houden.
Men heeft theorieën over criminaliteit.
Bronnen van deze theorieën:
- Persoonlijke ervaringen
- Media
- Autoriteit (ouders, leraren)
- Consensus (traditie, religie, politieke stroming)
Mogelijke fouten hierin:
- Gebrekkige/ selectieve waarneming
- Overgeneralisatie
- Persoonlijke betrokkenheid bij het onderwerp
- Onlogisch of onvolledig redeneren (elliptisch)
- Partiële verklaring
‘A map is not the territory’ Alfred Korzybski -> een kaart is altijd een
versimpeling van een terrein. Het is niet mogelijk om alle details weer te geven.
Andere kaarten -> werkelijkheid ziet er opeens heel anders uit. Bijv vertekening
van daadwerkelijke landmassa’s op kaarten van de wereld. Islamitische kaart ->
heel de wereld ziet er ondersteboven uit.
Wetenschappelijke theorieën: Voorlopige antwoorden op kennisvragen,
gebaseerd op nauwkeurig omschreven samenhangen tussen observeerbare
gebeurtenissen.
Het is een voorlopig antwoord, omdat nieuw empirisch onderzoek feiten kan
opleveren die niet in overeenstemming zijn met de huidige theorie (scepticisme)
Voorbeeld van scepticisme: Uit onderzoek van Amerikaanse feministische
criminologen is gebleken dat uit gewelddadige gezinnen in 70% van de gevallen
juist de vrouw diegene was die gewelddadig was. Het ging hier om gezinnen
waarbij slechts 1 persoon gewelddadig was. Dit spreekt tegen de hypothetische
theorie die ze vooraf gesteld hadden. Namelijk dat mannen de kostwinners
waren en dus de vrouwen thuis onderdanig wilden houden.
Context -> welke kennisvragen worden als probleem ervaren?
Voorlopige antwoorden -> want deze theorieën zijn nooit een volledig accurate
beschrijving van de werkelijkheid, want ‘the map is not the territory’
De antwoorden op de kennisvragen zijn startpunten van handelen.
Theorieën moeten zo zijn opgesteld, dat ze toetsbaar moeten kunnen zijn.
Elementen van een theorie:
- Object: de eenheden waarover de theorie uitspraak doet.
, - Explanans: het mechanisme, mensbeeld achter de verklaring. ‘verklaring
van de verklaring’
- Explanandum: dat wat de theorie verklaart.
Voorbeeld: Jongens met delinquente vrienden zijn vaker zelf delinquent.
Object -> Jongens
Explanans-> delinquente vrienden
Explanandum -> delinquent
Verklaringsniveau van een theorie: micro en macro
Micro-theorieën -> individueel gedrag, sociaal proces
Macro-theorieën -> verschillen tussen groepen, maatschappelijke klassen,
buurten en samenlevingen met behulp van verschillen in hun sociale of culturele
kenmerken.
Voorbeelden:
Micro -> personen met een lage sociaal economische status hebben meer justitie
contacten dan personen met een hoge ses.
Macro -> In landen met grote inkomensverschillen is de geregistreerde
criminaliteit hoger, dan in landen met kleine inkomensverschillen.
Ecologische fout-> uitkomsten op macro niveau direct interpreteren op
individueel niveau. Bijv. in een bepaald gebied zijn er grote aantallen ooievaren
en dan ook grote aantallen baby’s. ecologische fout-> verklaren dat baby’s dan
echt door ooievaren gebracht worden.
Ecologische fout-> In een wijk met veel migranten is er ook veel criminaliteit.
Ecologische fout-> verklaren dat de criminaliteit in die wijk dus veroorzaakt
wordt door die migranten. Alternatieve verklaringen -> woningen zijn er gewoon
goedkoper door de criminaliteit, migranten die minder te besteden te hebben
komen daar dan te wonen. Zijn dus wellicht helemaal geen oorzaak van de
criminaliteit.
Causaliteit I:
- Om te kunnen spreken van een ‘oorzaak’ moet nodig zijn en voldoende
om Y te doen plaatsvinden.
Soft determinisme:
Empirisme:
Objectiviteit: Instrumenten zijn precies en valide, eindoordeel is gebaseerd op
resultaten en niet op persoonlijke overtuiging.
Zuinigheid/parsimony: Het reduceren van het aantal mogelijke verklaringen voor
bepaalde gedrag.
Hoe beoordeel je een theorie?
, - Logische constitentie -> proposities binnen een theorie mogen elkaar niet
tegenspreken.
- Reikwijdte: hoe breder hoe beter?
Verzameling objecten waar uitspraak over wordt gedaan groter ->
informatie gehalte hoger en dus algemener
Verzameling eenheden waarnaar explanans refereert groter:
informatie gehalte hoger, meer abstract.
Typen gedrag waarnaar explanandum refereert kleiner: informatie
gehalte hoger, meer precies, grotere kans om te worden
gefalsificeerd.
- Zuinigheid: Een theorie die veel vormen van gedrag verklaart middels
weinig proposities heeft de voorkeur boven een theorie met veel
proposities die slechts een bepaalde vorm van gedrag verklaard.
- Testbaarheid
Ontestbaar: Door tautologie (iets wat per definitie waar is)
Ontestbaar door open einde -> niet nauwkeurig omschreven relaties
tussen de proposities in de theorie.
Ontestbaar: want niet meetbaar
- Empirische validiteit
- Inspiratie voor nader onderzoek
- Beleidsimplicaties
- Het succes van een beleid kan niet worden gebruikt om de theorie te
toetsen->
bijv. slechte vertaling van de concepten naar de concrete situatie’s.
bijv. Praktische of ethische bezwaren
bijv. additionele politieke of economische factoren.
Sociale context van criminaliteit
- Pilgrim fathers -> Een zeer religieuze samenleving, criminaliteit was het
werk van de duivel.
- Eind 19e eeuw -> toenemende immigratie, sociaal darwinisme, mensen
arm en crimineel omdat ze inferieur waren.
- 1960: ‘American dream’ niet voor iedereen bereikbaar, mensen crimineel
omdat ze arm waren.
- 1990: gedachte was - Meer criminaliteit vanwege softe aanpak/ lage
straffen
Week 2 LIT
Brantingham & Brantingham (1995)
De Brantinghams introduceren het idee van een "pattern theory of crime,"
waarbij criminaliteit wordt beschouwd als een patroon dat ontstaat door de
interactie tussen mensen, hun routines en de omgeving. Ze stellen dat misdaad
niet willekeurig is, maar eerder voorspelbare patronen volgt die kunnen worden
- Doelstellingen van hoorcolleges overnemen uit de slides en
jezelf toetsen.
- Tijdens het tentamen mag je al je studiemateriaal
meenemen, neem vooral het boek mee.
Week 1 Literatuur
1 van de 2 slachtoffers van geweldsdelicten in Amerika, doet hier geen aangifte
van bij de politie. Bij vermogensdelicten gaat dit om 1 van de 3.
In de 20e eeuw geloofde men dat criminologische eigenschappen in je dna
gecodeerd zou staan. Ze geloofden dat men dit kon meegeven aan hun kinderen
dmv genotype. Daarom vonden ze het een slim idee om grote criminelen te
steriliseren. Er wordt niet in het boek uitgelegd of dit ook daadwerkelijk is
gedaan.
Later geloofden ze dat de neigingen tot criminaliteit meer gevormd werden door
het fenotype.
Klassieke school: Denkwijze dat opkwam tijdens de verlichting. Men wees de
religieuze verklaringen voor criminaliteit af. Men nam de mening aan dat een
crimineel de voor- en nadelen afweegt en zo beslist of hij de misdaad wilt
begaan.
Positivisme: Cesare Lombroso geloofde dat criminelen een biologische afwijking
zouden hebben.
Week 1 HC
Project dare heeft niets uitgemaakt voor het drugsgebruik van die kinderen.
Project dare -> voorlichtingsprogramma die kinderen probeerde te behoeden van
drugs. Er was een bakje om je klasgenoten te tippen waarvan je vermoedde dat
ze drugs gebruikten.
Het kan juist een trigger zijn om drugs te gaan gebruiken, je brengt de kinderen
juist op ideeën.
Bij bijv. borden bij fietsenstallingen, waar op staat: ‘he fietsendief, jij bent
gezien!’ -> kans op fietsendiefstal neemt af. Met zo’n bord krijgt de fietsendief
het gevoel dat de pakkans groter wordt. Hierdoor namen de fietsendiefstallen bij
andere stallingen in de omgeving toe. Die fietsendieven leken zich te verplaatsen
naar andere stallingen.
Scared straight 1978 -> programma om delinquente jongeren op het rechte pad
te houden door ze erg bang te maken. In een nagebootste gevangenis krijgen ze
erg verbaal agressieve gevangenen te zien. Het resultaat was dat in het beste
,geval dat de kans op delinquent gedrag gelijk bleef. In een aantal gevallen
zorgde het juist voor een toename van delinquent gedrag. Kinderen gaan
compenseren voor de vernedering die ze daar hebben moeten ervaren. Ze gaan
juist door met het gedrag, om zich zo stoer mogelijk te houden.
Men heeft theorieën over criminaliteit.
Bronnen van deze theorieën:
- Persoonlijke ervaringen
- Media
- Autoriteit (ouders, leraren)
- Consensus (traditie, religie, politieke stroming)
Mogelijke fouten hierin:
- Gebrekkige/ selectieve waarneming
- Overgeneralisatie
- Persoonlijke betrokkenheid bij het onderwerp
- Onlogisch of onvolledig redeneren (elliptisch)
- Partiële verklaring
‘A map is not the territory’ Alfred Korzybski -> een kaart is altijd een
versimpeling van een terrein. Het is niet mogelijk om alle details weer te geven.
Andere kaarten -> werkelijkheid ziet er opeens heel anders uit. Bijv vertekening
van daadwerkelijke landmassa’s op kaarten van de wereld. Islamitische kaart ->
heel de wereld ziet er ondersteboven uit.
Wetenschappelijke theorieën: Voorlopige antwoorden op kennisvragen,
gebaseerd op nauwkeurig omschreven samenhangen tussen observeerbare
gebeurtenissen.
Het is een voorlopig antwoord, omdat nieuw empirisch onderzoek feiten kan
opleveren die niet in overeenstemming zijn met de huidige theorie (scepticisme)
Voorbeeld van scepticisme: Uit onderzoek van Amerikaanse feministische
criminologen is gebleken dat uit gewelddadige gezinnen in 70% van de gevallen
juist de vrouw diegene was die gewelddadig was. Het ging hier om gezinnen
waarbij slechts 1 persoon gewelddadig was. Dit spreekt tegen de hypothetische
theorie die ze vooraf gesteld hadden. Namelijk dat mannen de kostwinners
waren en dus de vrouwen thuis onderdanig wilden houden.
Context -> welke kennisvragen worden als probleem ervaren?
Voorlopige antwoorden -> want deze theorieën zijn nooit een volledig accurate
beschrijving van de werkelijkheid, want ‘the map is not the territory’
De antwoorden op de kennisvragen zijn startpunten van handelen.
Theorieën moeten zo zijn opgesteld, dat ze toetsbaar moeten kunnen zijn.
Elementen van een theorie:
- Object: de eenheden waarover de theorie uitspraak doet.
, - Explanans: het mechanisme, mensbeeld achter de verklaring. ‘verklaring
van de verklaring’
- Explanandum: dat wat de theorie verklaart.
Voorbeeld: Jongens met delinquente vrienden zijn vaker zelf delinquent.
Object -> Jongens
Explanans-> delinquente vrienden
Explanandum -> delinquent
Verklaringsniveau van een theorie: micro en macro
Micro-theorieën -> individueel gedrag, sociaal proces
Macro-theorieën -> verschillen tussen groepen, maatschappelijke klassen,
buurten en samenlevingen met behulp van verschillen in hun sociale of culturele
kenmerken.
Voorbeelden:
Micro -> personen met een lage sociaal economische status hebben meer justitie
contacten dan personen met een hoge ses.
Macro -> In landen met grote inkomensverschillen is de geregistreerde
criminaliteit hoger, dan in landen met kleine inkomensverschillen.
Ecologische fout-> uitkomsten op macro niveau direct interpreteren op
individueel niveau. Bijv. in een bepaald gebied zijn er grote aantallen ooievaren
en dan ook grote aantallen baby’s. ecologische fout-> verklaren dat baby’s dan
echt door ooievaren gebracht worden.
Ecologische fout-> In een wijk met veel migranten is er ook veel criminaliteit.
Ecologische fout-> verklaren dat de criminaliteit in die wijk dus veroorzaakt
wordt door die migranten. Alternatieve verklaringen -> woningen zijn er gewoon
goedkoper door de criminaliteit, migranten die minder te besteden te hebben
komen daar dan te wonen. Zijn dus wellicht helemaal geen oorzaak van de
criminaliteit.
Causaliteit I:
- Om te kunnen spreken van een ‘oorzaak’ moet nodig zijn en voldoende
om Y te doen plaatsvinden.
Soft determinisme:
Empirisme:
Objectiviteit: Instrumenten zijn precies en valide, eindoordeel is gebaseerd op
resultaten en niet op persoonlijke overtuiging.
Zuinigheid/parsimony: Het reduceren van het aantal mogelijke verklaringen voor
bepaalde gedrag.
Hoe beoordeel je een theorie?
, - Logische constitentie -> proposities binnen een theorie mogen elkaar niet
tegenspreken.
- Reikwijdte: hoe breder hoe beter?
Verzameling objecten waar uitspraak over wordt gedaan groter ->
informatie gehalte hoger en dus algemener
Verzameling eenheden waarnaar explanans refereert groter:
informatie gehalte hoger, meer abstract.
Typen gedrag waarnaar explanandum refereert kleiner: informatie
gehalte hoger, meer precies, grotere kans om te worden
gefalsificeerd.
- Zuinigheid: Een theorie die veel vormen van gedrag verklaart middels
weinig proposities heeft de voorkeur boven een theorie met veel
proposities die slechts een bepaalde vorm van gedrag verklaard.
- Testbaarheid
Ontestbaar: Door tautologie (iets wat per definitie waar is)
Ontestbaar door open einde -> niet nauwkeurig omschreven relaties
tussen de proposities in de theorie.
Ontestbaar: want niet meetbaar
- Empirische validiteit
- Inspiratie voor nader onderzoek
- Beleidsimplicaties
- Het succes van een beleid kan niet worden gebruikt om de theorie te
toetsen->
bijv. slechte vertaling van de concepten naar de concrete situatie’s.
bijv. Praktische of ethische bezwaren
bijv. additionele politieke of economische factoren.
Sociale context van criminaliteit
- Pilgrim fathers -> Een zeer religieuze samenleving, criminaliteit was het
werk van de duivel.
- Eind 19e eeuw -> toenemende immigratie, sociaal darwinisme, mensen
arm en crimineel omdat ze inferieur waren.
- 1960: ‘American dream’ niet voor iedereen bereikbaar, mensen crimineel
omdat ze arm waren.
- 1990: gedachte was - Meer criminaliteit vanwege softe aanpak/ lage
straffen
Week 2 LIT
Brantingham & Brantingham (1995)
De Brantinghams introduceren het idee van een "pattern theory of crime,"
waarbij criminaliteit wordt beschouwd als een patroon dat ontstaat door de
interactie tussen mensen, hun routines en de omgeving. Ze stellen dat misdaad
niet willekeurig is, maar eerder voorspelbare patronen volgt die kunnen worden