Cloaca suckling is niet anders qua heoveelheid door andere temp!!!!
HC1+2 - Motivationele systemen
Voorbereiding
- De tekst Motivationele systemen op Blackboard -> zie mapje HC's
- Zie ook de antwoorden van de ZS vragen in datzelfde mapje
Alleen beetje gelezen, vooral nav de wel gelezen vragen en antwoorden. Is vast wel nuttig bij leren mar
voor nu veel. Ik denk dat je wel voor tt dit bv kan uitprinten en dan hightlighten en leren, want de
begrippen worden wel goed uitgelegd en dit zijn denk ik wel makkelijk te beantwoorden vragen op tt.
Aantek:
Het HPA-systeem verwijst naar de hypothalamus-hypofyse-bijnier-as, een belangrijk systeem in de
fysiologie van dieren (en mensen) dat betrokken is bij de reactie op stress. In de gedragsleer van dieren
wordt het HPA-systeem bestudeerd vanwege zijn rol bij het reguleren van gedrag in reactie op
stressoren.
In de context van de zin verwijst "mobbing" naar het gedrag van kleine vogels, zoals zangvogels, die
gezamenlijk agressief gedrag vertonen tegenover een roofvogel, meestal om het roofdier te intimideren,
te verwarren of af te schrikken.
Aantekeningen HC1+2
(Linksonder de dia's staat nummer)
Dia 8
Gedrag is niet te vangen in 1 zin, dus daarom verschillende zinnen om een idee te geven.
Er bestaat ook een stijve kwispel die wijst op spanning, maar als het een blije kwispel is, dan kan je
verwachten dat de hond vervolgens niet gaat aanvallen/bijten -> dus er is een patroon van gedrag!! Het
is niet iets subjectiefs maar objectief kan je het onderzoeken.
Dia 9
Gedrag leidt altijd wel ergens toe.
Bv kat heeft honger, dat is dan zijn ‘probleem’. Patroonmatige reeks.
Dia 10
4 belangrijke vragen waarin je de vraag ‘waarom gedraagt dit dier zich zo’ in op kan splitsen. Discussies
over gedrag komt vaak omdat mensen het over verschillende van deze onderwerpen hebben.
Dia 11
Voor dierenartsen zijn vooral proximate vraagstukken belangrijk!
Dia 12
,Skinner had het vooral over de waardoor vraag dus proximate vraagstukken. Hij zit aan de nurture zijde
en niet nature, dus dat alles wordt aangeleerd.
Dia 13
Deze 2 dachten dat nature veel meer invloed had.
Dia 14
Allereerste wat je doet is gedragsobservatie: hoe ziet het eruit, hoelang, wanneer, in welke context,
triggers, ...
Daarna ga je door naar wat levert het dier het op, bv is het omdat het pijnverlichtend is dus ergens
anders erge pijn.
Gedragsanamnese kan je doen en daarna DDx en dan diagnose, dat doe je ook soms in de praktijk.
Dia 15
Muziek analogie: noten kan je zien als de gedragselementen en de noten vormen samen de muziek, het
gedrag.
Dia 16
Veel prikkels, waar moet de hond wel wat mee en waar niet, wat gaat hij als eerste doen? Decision
making, hond moet keuzes maken, prioriteren. Heel complex.
Homeostase behoud, bv honger of niet vgm
Dia 17
Filteren: je krijgt niet alles binnen wat als prikkel aanwezig is.
Wat is gepast is de vraag
De zintuigen geven beperking van stroom aan info
Dia 18
Gedrag is reactie op BEPAALDE prikkels, nl sleutelprikkels of –stimulus, of deblokkerende prikkel, is
allemaal begrippen voor hetzelfde.
KAN want hoeft niet
Bv plaatje links: kuiken ziet een bepaald silhouet dan vluchtreactie dus dat silhouet is een
sleutelstimulus. Experiment bij net geboren kuikentje: dat silhouet namaken en laten vliegen erboven
dan gaat kuiken vluchten, maar als je dat silhouet achteruit laat vliegen, dan gebeurt er niks!!
Innate dus er zit erfelijkheid in, want kuiken is net pasgeboren en toch kan het al reageren op
roofvogels.
Dia 19
Voorbeelden van sleutelprikkels:
,Trillen nest -> kuikens openen bekjes
Bekjes openen -> ouder stopt worm of zaadje of zo in bek
Dia 20
Nog meer sleutelprikkels:
Bepaalde benadering van fuut, of bukken door vogel -> paren begint
Openen van bek voor slang die rood is van binnen -> hand wegtrekken
Bek van wolf met grote tanden -> vluchtreactie
Deze prikkels zijn kleurrijk en goed zichtbaar.
Dia 21
Eerst die zintuigfiltering, dan zijn niet alle prikkels sleutelstimuli, maar sommige wel, en die gaan door
naar coördinatiecentrum die bepaald waarop wel en niet gereageerd moet worden. Een deel hiervan is
instinct!!
Dia 22
Geurverspreidingsgedrag hond = Hond plast en dan schrapen over grond voor geurverspreiding
(markeringspas en geur verspreiden). Dit hoeft hond niet worden aangeleerd maar doet hij.
Dia 23
Kat na behoefte doen krabben in kattenbak is ook instinct
Dia 24
Kat gaat ook krabben als er geen kattenbak is maar bv op de grond gepoept -> dus Het is redelijk
vormvast. En indien in gang gezet dan wordt het veelal ook voltooid.
Dia 25
De paringsdans van de stekelbaarzen is heel interessant en bekend.
Maar wel wisselwerking omgeving: als je vrouwtje weghaalt wel hapering maar daarna gaat het door
maar kan wel bv versneld.
Dia 26
De rode buik van visje is sleutelstimulus om te gaan vechten, dus het hoeft geen vis te zijn maar de rode
kleur is het. = deblokkerende stimulus
Inhiberende stimulus = klokken van kuiken waardoor moeder de kinderen niet aanvalt! Als klokken stopt
dan stopt de inhibering van agressie van moeder en gaat ze aanvallen.
Als de sleutelstimulus ontbreekt dan gaat het gedrag ook niet op dezelfde manier worden uitgevoerd!!
Dia 27
, Eend doet zigzagbeweging van ei als ei wegrolt zodat ze het ei weer naar nest brengt. Het wegbewegen
van het ei is de deblokkerende stimulus en het ei is nodig voor zigzagbeweging dus is de sturende
stimulus. Als je het ei weghaalt tijdens de zigzagbeweging dan gaat eend wel naar achteren lopen verder
maar niet zigzaggen want ei is weg.
Dia 28
Op abnormale stimuli is er een voorkeur, bv voorkeur voor wit ei tov bruine eieren en voorkeur voor
grote eieren tov kleine eieren = supernormaliteit. Is niet handig soms want wit groot ei kan van
roofvogels zijn.
Dia 29
Heeft niks te maken met functionaliteit maar grote rode lippen is supernormaliteit, hebben we toch
voorkeur voor.
Dia 31
Het decision making zit in de hersenen, gaan we zo meer op in
Dia 32
Het is wisselend want dier heeft beslismomenten die worden bepaald door omgeving, en ook situatie in
het dier zoals homeostase, honger.
Dia 33
Het hele aansturen van gedrag ook die decision making vindt plaats in limbische systeem
Neocortex is voor opslag van ervaringen, dus die zijn meegemaakt in prikkelcontext. Leren van positieve
en neg ervaringen, dat wordt meegenomen in beslissingen maken.
Amygdala is emotionele deel, pos en neg ervaringen en emoties die daarbij vrijkomen. Alle dieren
kunnen iig de simpele emoties van dit was pos en dit was neg ervaren. Over complexere emoties en
dieren is veel discussie.
Dia 34
Je hebt ook gedragsnormen die worden vergeleken met actuele situatie. Als er verschil is, ervaar je dat
als emotie, pos of neg ervaring, of meer complexe emoties.
Discrepantie geeft wel vaak een neg emotie dus dat wil je wegwerken dus in besliscentrum wordt er
bepaald welke discrepantie je het liefst wil oplossen, en dat bestaat eruit dat je weer naar normwaarde
wilt en als dat is bereikt dan stopt het gedrag.
Dopaminerge, beloningseffecten komen daarbij vrij, bij het terugbrengen naar norm.
Dia 35
Dus als je weer naar norm gaat krijg je beloning, een soort valuta die voor dieren hetzelfde is
Dia 36
HC1+2 - Motivationele systemen
Voorbereiding
- De tekst Motivationele systemen op Blackboard -> zie mapje HC's
- Zie ook de antwoorden van de ZS vragen in datzelfde mapje
Alleen beetje gelezen, vooral nav de wel gelezen vragen en antwoorden. Is vast wel nuttig bij leren mar
voor nu veel. Ik denk dat je wel voor tt dit bv kan uitprinten en dan hightlighten en leren, want de
begrippen worden wel goed uitgelegd en dit zijn denk ik wel makkelijk te beantwoorden vragen op tt.
Aantek:
Het HPA-systeem verwijst naar de hypothalamus-hypofyse-bijnier-as, een belangrijk systeem in de
fysiologie van dieren (en mensen) dat betrokken is bij de reactie op stress. In de gedragsleer van dieren
wordt het HPA-systeem bestudeerd vanwege zijn rol bij het reguleren van gedrag in reactie op
stressoren.
In de context van de zin verwijst "mobbing" naar het gedrag van kleine vogels, zoals zangvogels, die
gezamenlijk agressief gedrag vertonen tegenover een roofvogel, meestal om het roofdier te intimideren,
te verwarren of af te schrikken.
Aantekeningen HC1+2
(Linksonder de dia's staat nummer)
Dia 8
Gedrag is niet te vangen in 1 zin, dus daarom verschillende zinnen om een idee te geven.
Er bestaat ook een stijve kwispel die wijst op spanning, maar als het een blije kwispel is, dan kan je
verwachten dat de hond vervolgens niet gaat aanvallen/bijten -> dus er is een patroon van gedrag!! Het
is niet iets subjectiefs maar objectief kan je het onderzoeken.
Dia 9
Gedrag leidt altijd wel ergens toe.
Bv kat heeft honger, dat is dan zijn ‘probleem’. Patroonmatige reeks.
Dia 10
4 belangrijke vragen waarin je de vraag ‘waarom gedraagt dit dier zich zo’ in op kan splitsen. Discussies
over gedrag komt vaak omdat mensen het over verschillende van deze onderwerpen hebben.
Dia 11
Voor dierenartsen zijn vooral proximate vraagstukken belangrijk!
Dia 12
,Skinner had het vooral over de waardoor vraag dus proximate vraagstukken. Hij zit aan de nurture zijde
en niet nature, dus dat alles wordt aangeleerd.
Dia 13
Deze 2 dachten dat nature veel meer invloed had.
Dia 14
Allereerste wat je doet is gedragsobservatie: hoe ziet het eruit, hoelang, wanneer, in welke context,
triggers, ...
Daarna ga je door naar wat levert het dier het op, bv is het omdat het pijnverlichtend is dus ergens
anders erge pijn.
Gedragsanamnese kan je doen en daarna DDx en dan diagnose, dat doe je ook soms in de praktijk.
Dia 15
Muziek analogie: noten kan je zien als de gedragselementen en de noten vormen samen de muziek, het
gedrag.
Dia 16
Veel prikkels, waar moet de hond wel wat mee en waar niet, wat gaat hij als eerste doen? Decision
making, hond moet keuzes maken, prioriteren. Heel complex.
Homeostase behoud, bv honger of niet vgm
Dia 17
Filteren: je krijgt niet alles binnen wat als prikkel aanwezig is.
Wat is gepast is de vraag
De zintuigen geven beperking van stroom aan info
Dia 18
Gedrag is reactie op BEPAALDE prikkels, nl sleutelprikkels of –stimulus, of deblokkerende prikkel, is
allemaal begrippen voor hetzelfde.
KAN want hoeft niet
Bv plaatje links: kuiken ziet een bepaald silhouet dan vluchtreactie dus dat silhouet is een
sleutelstimulus. Experiment bij net geboren kuikentje: dat silhouet namaken en laten vliegen erboven
dan gaat kuiken vluchten, maar als je dat silhouet achteruit laat vliegen, dan gebeurt er niks!!
Innate dus er zit erfelijkheid in, want kuiken is net pasgeboren en toch kan het al reageren op
roofvogels.
Dia 19
Voorbeelden van sleutelprikkels:
,Trillen nest -> kuikens openen bekjes
Bekjes openen -> ouder stopt worm of zaadje of zo in bek
Dia 20
Nog meer sleutelprikkels:
Bepaalde benadering van fuut, of bukken door vogel -> paren begint
Openen van bek voor slang die rood is van binnen -> hand wegtrekken
Bek van wolf met grote tanden -> vluchtreactie
Deze prikkels zijn kleurrijk en goed zichtbaar.
Dia 21
Eerst die zintuigfiltering, dan zijn niet alle prikkels sleutelstimuli, maar sommige wel, en die gaan door
naar coördinatiecentrum die bepaald waarop wel en niet gereageerd moet worden. Een deel hiervan is
instinct!!
Dia 22
Geurverspreidingsgedrag hond = Hond plast en dan schrapen over grond voor geurverspreiding
(markeringspas en geur verspreiden). Dit hoeft hond niet worden aangeleerd maar doet hij.
Dia 23
Kat na behoefte doen krabben in kattenbak is ook instinct
Dia 24
Kat gaat ook krabben als er geen kattenbak is maar bv op de grond gepoept -> dus Het is redelijk
vormvast. En indien in gang gezet dan wordt het veelal ook voltooid.
Dia 25
De paringsdans van de stekelbaarzen is heel interessant en bekend.
Maar wel wisselwerking omgeving: als je vrouwtje weghaalt wel hapering maar daarna gaat het door
maar kan wel bv versneld.
Dia 26
De rode buik van visje is sleutelstimulus om te gaan vechten, dus het hoeft geen vis te zijn maar de rode
kleur is het. = deblokkerende stimulus
Inhiberende stimulus = klokken van kuiken waardoor moeder de kinderen niet aanvalt! Als klokken stopt
dan stopt de inhibering van agressie van moeder en gaat ze aanvallen.
Als de sleutelstimulus ontbreekt dan gaat het gedrag ook niet op dezelfde manier worden uitgevoerd!!
Dia 27
, Eend doet zigzagbeweging van ei als ei wegrolt zodat ze het ei weer naar nest brengt. Het wegbewegen
van het ei is de deblokkerende stimulus en het ei is nodig voor zigzagbeweging dus is de sturende
stimulus. Als je het ei weghaalt tijdens de zigzagbeweging dan gaat eend wel naar achteren lopen verder
maar niet zigzaggen want ei is weg.
Dia 28
Op abnormale stimuli is er een voorkeur, bv voorkeur voor wit ei tov bruine eieren en voorkeur voor
grote eieren tov kleine eieren = supernormaliteit. Is niet handig soms want wit groot ei kan van
roofvogels zijn.
Dia 29
Heeft niks te maken met functionaliteit maar grote rode lippen is supernormaliteit, hebben we toch
voorkeur voor.
Dia 31
Het decision making zit in de hersenen, gaan we zo meer op in
Dia 32
Het is wisselend want dier heeft beslismomenten die worden bepaald door omgeving, en ook situatie in
het dier zoals homeostase, honger.
Dia 33
Het hele aansturen van gedrag ook die decision making vindt plaats in limbische systeem
Neocortex is voor opslag van ervaringen, dus die zijn meegemaakt in prikkelcontext. Leren van positieve
en neg ervaringen, dat wordt meegenomen in beslissingen maken.
Amygdala is emotionele deel, pos en neg ervaringen en emoties die daarbij vrijkomen. Alle dieren
kunnen iig de simpele emoties van dit was pos en dit was neg ervaren. Over complexere emoties en
dieren is veel discussie.
Dia 34
Je hebt ook gedragsnormen die worden vergeleken met actuele situatie. Als er verschil is, ervaar je dat
als emotie, pos of neg ervaring, of meer complexe emoties.
Discrepantie geeft wel vaak een neg emotie dus dat wil je wegwerken dus in besliscentrum wordt er
bepaald welke discrepantie je het liefst wil oplossen, en dat bestaat eruit dat je weer naar normwaarde
wilt en als dat is bereikt dan stopt het gedrag.
Dopaminerge, beloningseffecten komen daarbij vrij, bij het terugbrengen naar norm.
Dia 35
Dus als je weer naar norm gaat krijg je beloning, een soort valuta die voor dieren hetzelfde is
Dia 36