Samenvatting Verdiepend strafrecht
Week 1
Strafbaarstelling
Strafbaarstelling = het opnemen van een delictsomschrijving met bijbehorende strafbepaling in het
materiële strafrecht.
Smidt (1891): criteria voor strafbaarstelling dienden als een instrument om tot een verantwoorde,
evenwichtige en legitieme afweging te komen bij de vraag of gedrag strafbaar moet worden gesteld
of niet.
Wetgever (1881): conditio sine qua non-verband (voorwaarde zonder welke niet) tussen gedrag dat
onrecht is en oplegging straf. Bovendien enkel als het niet op andere gepaste manieren kan worden
opgelost, straf is ultimum remedium (laatste redmiddel). Continue afweging voor- en nadelen, zodat
strafbaarstelling als oplossing geen erger probleem veroorzaakt dat het was voor de strafbaarstelling.
Nina Persak (2020):
Strafrecht is een emotioneel recht. Lawmaking is een niet alleen rationeel, maar wordt ook
beïnvloed door emoties (en maatschappelijke ontwikkelingen). Het is belangrijk te begrijpen
(/erkennen) dat emotionele factoren een rol spelen hoe mensen zich gedragen ten opzichte
van de wet, wat zorgt voor een goede werking van het strafrechtsysteem. Helpt ook om
belangen van slachtoffers meer in evenwicht te krijgen.
“Criminal law and criminal justice interact with emotions in a variety of ways. Criminal law-
making, for instance, is not a purely cognitive exercise but rather one wrought with emotion.”
Wel of geen inzet strafrecht?
Drempelcriteria inzet strafrecht (SOR):
1. Schade: negatieve impact op individuen of samenleving.
2. Onrechtmatigheid: moreel of juridisch onaanvaardbaar gedrag.
3. Rechtsgoed (geschonden/in gevaar): belangen/waarden beschermd door het strafrecht
moeten in het gedrang zijn.
Principes bij strafbaarstelling (PES):
1. Prospectieve proportionaliteit: gevolgen van strafbare feiten moeten in redelijke verhouding
staan tot de ernst van de overtreding.
2. Subsidiariteit/Ultima ratio-beginsel: de wetgever moet afzien van het gebruik van
het strafrecht om ongewenst gedrag tegen te gaan indien minder ingrijpende manieren
beschikbaar zijn die eenzelfde of een betere oplossing bieden
3. Effectiviteit:
a. Hanteerbaarheid van de delictsomschrijving (duidelijk en uitvoerbaar).
b. Capaciteit van het strafrechtelijk system.
c. Generale preventie, strafrecht moet bijdragen aan voorkomen van toekomstige
overtredingen.
EU-perspectief op ultima ratio:
Het strafrecht moet, gezien de inherente beperkingen die het oplegt aan mensenrechten en
fundamentele vrijheden van verdachten, veroordeelden en beschuldigden, enkel als uiterste
maatregel (ultima ratio) worden toegepast, en alleen voor duidelijk gedefinieerd en
1
, afgebakend gedrag dat niet effectief met minder zware maatregelen kan worden aangepakt
en dat aanzienlijke schade toebrengt aan de samenleving of individuen.
“… criminal law must be applied as a measure of last resort (ultima ratio) addressing clearly
defined and delimited conduct, which cannot be addressed effectively by less severe
measures and which causes significant damage to society or individuals.”
EVRM/EHRM perspectief strafbaarstelling (art. 2, 3 en 8 EVRM):
X & Y t. NL: gehandicapt persoon werd gedwongen ontuchtige handeling te dulden.
o Positieve verplichting om het dwingen van kwetsbare personen (zoals de
verstandelijke gehandicapte Y) tot het ondergaan van ontuchtige handelingen
praktisch en effectief strafbaar te stellen.
Osman t. VK: jongen en gezin worden gestalkt door leraar. Leraar vermoord vader
uiteindelijk.
o Als autoriteiten op de hoogte zijn van bedreiging (en dat was de staat want aangifte
gedaan), dan moet er opgetreden worden door de autoriteiten. Dan moet alles
gedaan worden wat redelijkerwijs van hen verwacht mocht worden om een reëel en
onmiddellijk levensrisico, waarvan zij kennis hadden of moeten hebben, te
vermijden.
M.C. t. Bulgarije: meisje wordt na avond uitgaan in disco verkracht door 2 jongens. Konden
niet veroordeeld worden omdat niet aangetoond kond worden dat ze zich ertegen had verzet.
o Artikelen 3 en 8 EVRM vereisen dat het strafrecht wordt aangewend en dat nationale
delictsomschrijvingen geen bestanddelen bevatten dan wel dat die bestanddelen niet
zodanig worden geïnterpreteerd als gevolg waarvan een effectieve vervolging en
bestraffing van verkrachting en seksueel misbruik in de weg staan.
Hoe dient gedrag strafbaar gesteld te worden?
Het in acht nemen van het legaliteitsbeginsel is in Nederland een fundamentele voorwaarde
voor (nieuwe) strafbaarstellingen. Het beginsel vereist dat een strafbaar feit voldoende
duidelijk en precies is gedefinieerd in een voorafgegane wettelijke strafbepaling
- Interne subsidiariteit: valt het gedrag onder een bestaande strafbaarstelling?
- Legaliteit: hoe moet het gedrag worden omschreven?
- Retrospectieve proportionaliteit: welke sanctie dient op het gedrag te worden gesteld?
Gevolgen van strafbare feiten moeten in redelijke verhouding staan tot de ernst van de
overtreding.
Verschillende benaderingen omtrent criteria voor strafbaarstelling (NL en Int.)
NL:
Hulsman (1972): 3 negatieve criteria voor strafbaarstelling (argumenten om af te zien van
strafbaarstelling):
1. Welk gedrag wordt als onwenselijk gezien: bevoegdheid voor de staat om dat te bepalen?
2. Baten en kosten strafrecht > doelen (conflictoplossing, gedragsbeïnvloeding).
3. Capaciteit strafrechtelijk systeem.
Plus formele waarborgen (beslissingsstructuur)
Voornamelijk strafrecht als uiterst redmiddel.
Van Bemmelen (1973): 4 positieve criteria voor strafbaarstelling (argumenten om overheden te
dwingen tot strafbaarstelling):
1. Noodzakelijk geachte bescherming van individuele of gemeenschapsbelangen die door
andere rechtsgebieden niet voldoende beschermd kunnen worden.
2
, 2. Gedrag is immoreel en, in beginsel, schadelijk.
3. Gulden regel (Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet).
4. (Soms) roekeloosheid en ernstige onbedachtzaamheid.
De Roos (1987): criteria (argumenten om af te zien van…) strafbaarstelling (STSPLB):
- Schadebeginsel:
o Normatieve onderbouwing: als er redelijke twijfel bestaat over de daadwerkelijke
schade, moet je het niet strafbaar stellen > Denk aan het boerkaverbod: wat was daar
nou eigenlijk echt de schade (als die er al was)?
o Empirische onderbouwing: het oordeel over de schade moet worden onderbouwd
met wetenschappelijk onderzoek.
Gedrag, niet intenties, moet schadelijk zijn en er moet een causaal verband
ontstaan tussen het gedrag en de schade.
- Tolerantiebeginsel:
Ook als er wel schade is, kan het zijn dat strafrecht achterwege moet blijven omdat het
getolereerd moet worden. Anders zou er een te vergaande inbreuk op vrijheid worden
gemaakt > Denk weer aan boerkaverbod: vrijheid om je leven naar eigen inzicht vorm te
geven. Geen paternalistische strafbaarstellingen.
- Subsidiariteitsbeginsel (juridische en buiten-juridische alternatieven):
Strafbaarstelling is het meest vergaande middel. Niet aanwenden als oplossing met andere
middelen kan worden bereikt.
- Proportionaliteitsbeginsel:
Evenredigheid tussen schade en reactie van de staat. Maakt de wetgever dit een misdrijf of
overtreding en wat voor sanctie staat erop?
- Legaliteitsbeginsel:
Lex certa van belang; kan het gedrag concreet genoeg worden omschreven zodat gedrag erop
aangepast kan worden?
- Beginsel van praktische hanteerbaarheid en effectiviteit:
o Inrichting strafbepaling moet praktische toepassing voor autoriteiten mogelijk
maken.
o Handhaving moet gewaarborgd zijn (capaciteit). Kan beïnvloed worden door aan
bepaalde delicten prioriteit te geven en capaciteit uit te breiden.
o Gedragsbeïnvloedende werking (strafdoelen). Gaat de strafbaarstelling voor generale
preventie zorgen?
Haveman (1998): 4 negatieve criteria voor strafbaarstelling (argumenten om af te zien van
strafbaarstelling):
1. Problematisch situatie (die om respons vraagt)? Startpunt besluitvorming moet
problematische situatie zijn. Opletten dat situatie niet ten onrechte als probleem getypeerd
wordt.
2. Rol voor de overheid weggelegd?
a. Juridische bevoegdheid.
b. Rechtspolitieke bevoegdheid > schadebeginsel (weinig onderscheidende waarde. Kan
altijd beargumenteerd worden waarom gedrag schade met zich meebrengt als dat
gedrag ons niet bevalt).
3. Adequate niet-strafrechtelijke alternatieven (strafrecht ultimum remedium).
4. Strafrecht een adequate respons? Randvoorwaarden:
a. Specifieke menselijke gedraging als oorzaak van probleem.
b. Causaal verband tussen gedrag en probleem.
c. Lex certa.
d. Wederrechtelijk, verwijtbaar, ‘deuk in de rechtsorde’.
3
, e. Kan met strafrecht en doel (gedragsbeïnvloeding, conflictoplossing) worden bereikt?
Tot slot: Haveman vindt dat als de kosten voor vervolging en bestraffing groter zijn dan de kosten van
de gedraging voor de samenleving dat de gemeenschap dan geen belang heeft bij vervolging.
Internationaal:
Feinberg (1987):
1 Harm to others (schade). Risico op schade kan ook al voldoende zijn.
o Setback to others’ interests (ook publieke belangen: corruptie, belastingen etc.).
Terugval in je belangen. Denk aan gezondheid, eigendom of reputatie. Gedachten en
overtuigingen dus niet strafbaar, brengen geen verandering in situatie teweeg.
o Wrong (onrecht). Misstand. Niet elke schadelijke toestand leidt tot strafbaarheid.
Iemand moet een handeling hebben verricht die jou onrecht aandoet zonder dat
daar een rechtvaardiging voor is. Schade waar je toestemming voor geeft
(vechtsport) valt hier niet onder. Let wel op hoever je mag gaan in bepaalde sport.
o Causaal verband tussen onrecht en schade . Gedraging mag niet te ver afliggen van
eventuele schade. Handeling heeft altijd indirecte effecten. Let op
gevaarzettingsdelicten.
Concretisering schadebeginsel:
- Omvang van de schade
- Kans dat schade intreedt
o (1) kans X (2) omvang = risico; ook kijken naar (3) de waarde van het gedrag (vb.
vrijheid van meningsuiting).
- Aggregative nature of the harm
- Relatief belang van schade: door schadelijk gedrag van persoon B strafbaar te stellen, kun
je persoon A wellicht beschermen tegen de schade, maar door strafbaarstelling schaad je
dan belangen persoon B en anderen om dat gedrag juist wel uit te oefenen. Niet altijd:
hoe groter de mogelijke schade, hoe verder je mag met strafbaar stellen. Factoren:
o Vitaal belang?
o Versterking door andere belangen? Bij uitingen niet alleen belang van vrijheid
van meningsuiting van spreker, maar ook belang van publiek om informatie te
ontvangen.
o Morele kwaliteit van het belang. Niet elk belang is het waard om beschermd te
worden (sadisme).
2 Offense to others (aanstoot): gedrag dat onprettige mentale toestand veroorzaakt, maar
uiteindelijk kom je er niet door in een slechtere situatie. Vb. verschil schade en aanstoot.
Vrouw deed mee aan VR game waarin haar VR personage werd verkracht. Vrouw claimde dat
de opgelopen schade door die verkrachting niet anders was dan bij een aanranding die ze wel
eens mee had gemaakt. Is dat schade of aanstoot? Aanstoot kan wel overgaan in schade,
denk aan stalking.
Concretisering aanstootbeginsel:
- Ernst van de aanstoot
o Extent standard: mate, intensiteit, duur.
o Reasonably avoidability standard: is het te vermijden?
o Volenti standard: heb je zelf bewust het risico genomen dat je getuige zal worden
van iets aanstootgevends? Ook moet je er zelf bij zijn geweest (geen offence from
bare knowledge).
4
Week 1
Strafbaarstelling
Strafbaarstelling = het opnemen van een delictsomschrijving met bijbehorende strafbepaling in het
materiële strafrecht.
Smidt (1891): criteria voor strafbaarstelling dienden als een instrument om tot een verantwoorde,
evenwichtige en legitieme afweging te komen bij de vraag of gedrag strafbaar moet worden gesteld
of niet.
Wetgever (1881): conditio sine qua non-verband (voorwaarde zonder welke niet) tussen gedrag dat
onrecht is en oplegging straf. Bovendien enkel als het niet op andere gepaste manieren kan worden
opgelost, straf is ultimum remedium (laatste redmiddel). Continue afweging voor- en nadelen, zodat
strafbaarstelling als oplossing geen erger probleem veroorzaakt dat het was voor de strafbaarstelling.
Nina Persak (2020):
Strafrecht is een emotioneel recht. Lawmaking is een niet alleen rationeel, maar wordt ook
beïnvloed door emoties (en maatschappelijke ontwikkelingen). Het is belangrijk te begrijpen
(/erkennen) dat emotionele factoren een rol spelen hoe mensen zich gedragen ten opzichte
van de wet, wat zorgt voor een goede werking van het strafrechtsysteem. Helpt ook om
belangen van slachtoffers meer in evenwicht te krijgen.
“Criminal law and criminal justice interact with emotions in a variety of ways. Criminal law-
making, for instance, is not a purely cognitive exercise but rather one wrought with emotion.”
Wel of geen inzet strafrecht?
Drempelcriteria inzet strafrecht (SOR):
1. Schade: negatieve impact op individuen of samenleving.
2. Onrechtmatigheid: moreel of juridisch onaanvaardbaar gedrag.
3. Rechtsgoed (geschonden/in gevaar): belangen/waarden beschermd door het strafrecht
moeten in het gedrang zijn.
Principes bij strafbaarstelling (PES):
1. Prospectieve proportionaliteit: gevolgen van strafbare feiten moeten in redelijke verhouding
staan tot de ernst van de overtreding.
2. Subsidiariteit/Ultima ratio-beginsel: de wetgever moet afzien van het gebruik van
het strafrecht om ongewenst gedrag tegen te gaan indien minder ingrijpende manieren
beschikbaar zijn die eenzelfde of een betere oplossing bieden
3. Effectiviteit:
a. Hanteerbaarheid van de delictsomschrijving (duidelijk en uitvoerbaar).
b. Capaciteit van het strafrechtelijk system.
c. Generale preventie, strafrecht moet bijdragen aan voorkomen van toekomstige
overtredingen.
EU-perspectief op ultima ratio:
Het strafrecht moet, gezien de inherente beperkingen die het oplegt aan mensenrechten en
fundamentele vrijheden van verdachten, veroordeelden en beschuldigden, enkel als uiterste
maatregel (ultima ratio) worden toegepast, en alleen voor duidelijk gedefinieerd en
1
, afgebakend gedrag dat niet effectief met minder zware maatregelen kan worden aangepakt
en dat aanzienlijke schade toebrengt aan de samenleving of individuen.
“… criminal law must be applied as a measure of last resort (ultima ratio) addressing clearly
defined and delimited conduct, which cannot be addressed effectively by less severe
measures and which causes significant damage to society or individuals.”
EVRM/EHRM perspectief strafbaarstelling (art. 2, 3 en 8 EVRM):
X & Y t. NL: gehandicapt persoon werd gedwongen ontuchtige handeling te dulden.
o Positieve verplichting om het dwingen van kwetsbare personen (zoals de
verstandelijke gehandicapte Y) tot het ondergaan van ontuchtige handelingen
praktisch en effectief strafbaar te stellen.
Osman t. VK: jongen en gezin worden gestalkt door leraar. Leraar vermoord vader
uiteindelijk.
o Als autoriteiten op de hoogte zijn van bedreiging (en dat was de staat want aangifte
gedaan), dan moet er opgetreden worden door de autoriteiten. Dan moet alles
gedaan worden wat redelijkerwijs van hen verwacht mocht worden om een reëel en
onmiddellijk levensrisico, waarvan zij kennis hadden of moeten hebben, te
vermijden.
M.C. t. Bulgarije: meisje wordt na avond uitgaan in disco verkracht door 2 jongens. Konden
niet veroordeeld worden omdat niet aangetoond kond worden dat ze zich ertegen had verzet.
o Artikelen 3 en 8 EVRM vereisen dat het strafrecht wordt aangewend en dat nationale
delictsomschrijvingen geen bestanddelen bevatten dan wel dat die bestanddelen niet
zodanig worden geïnterpreteerd als gevolg waarvan een effectieve vervolging en
bestraffing van verkrachting en seksueel misbruik in de weg staan.
Hoe dient gedrag strafbaar gesteld te worden?
Het in acht nemen van het legaliteitsbeginsel is in Nederland een fundamentele voorwaarde
voor (nieuwe) strafbaarstellingen. Het beginsel vereist dat een strafbaar feit voldoende
duidelijk en precies is gedefinieerd in een voorafgegane wettelijke strafbepaling
- Interne subsidiariteit: valt het gedrag onder een bestaande strafbaarstelling?
- Legaliteit: hoe moet het gedrag worden omschreven?
- Retrospectieve proportionaliteit: welke sanctie dient op het gedrag te worden gesteld?
Gevolgen van strafbare feiten moeten in redelijke verhouding staan tot de ernst van de
overtreding.
Verschillende benaderingen omtrent criteria voor strafbaarstelling (NL en Int.)
NL:
Hulsman (1972): 3 negatieve criteria voor strafbaarstelling (argumenten om af te zien van
strafbaarstelling):
1. Welk gedrag wordt als onwenselijk gezien: bevoegdheid voor de staat om dat te bepalen?
2. Baten en kosten strafrecht > doelen (conflictoplossing, gedragsbeïnvloeding).
3. Capaciteit strafrechtelijk systeem.
Plus formele waarborgen (beslissingsstructuur)
Voornamelijk strafrecht als uiterst redmiddel.
Van Bemmelen (1973): 4 positieve criteria voor strafbaarstelling (argumenten om overheden te
dwingen tot strafbaarstelling):
1. Noodzakelijk geachte bescherming van individuele of gemeenschapsbelangen die door
andere rechtsgebieden niet voldoende beschermd kunnen worden.
2
, 2. Gedrag is immoreel en, in beginsel, schadelijk.
3. Gulden regel (Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet).
4. (Soms) roekeloosheid en ernstige onbedachtzaamheid.
De Roos (1987): criteria (argumenten om af te zien van…) strafbaarstelling (STSPLB):
- Schadebeginsel:
o Normatieve onderbouwing: als er redelijke twijfel bestaat over de daadwerkelijke
schade, moet je het niet strafbaar stellen > Denk aan het boerkaverbod: wat was daar
nou eigenlijk echt de schade (als die er al was)?
o Empirische onderbouwing: het oordeel over de schade moet worden onderbouwd
met wetenschappelijk onderzoek.
Gedrag, niet intenties, moet schadelijk zijn en er moet een causaal verband
ontstaan tussen het gedrag en de schade.
- Tolerantiebeginsel:
Ook als er wel schade is, kan het zijn dat strafrecht achterwege moet blijven omdat het
getolereerd moet worden. Anders zou er een te vergaande inbreuk op vrijheid worden
gemaakt > Denk weer aan boerkaverbod: vrijheid om je leven naar eigen inzicht vorm te
geven. Geen paternalistische strafbaarstellingen.
- Subsidiariteitsbeginsel (juridische en buiten-juridische alternatieven):
Strafbaarstelling is het meest vergaande middel. Niet aanwenden als oplossing met andere
middelen kan worden bereikt.
- Proportionaliteitsbeginsel:
Evenredigheid tussen schade en reactie van de staat. Maakt de wetgever dit een misdrijf of
overtreding en wat voor sanctie staat erop?
- Legaliteitsbeginsel:
Lex certa van belang; kan het gedrag concreet genoeg worden omschreven zodat gedrag erop
aangepast kan worden?
- Beginsel van praktische hanteerbaarheid en effectiviteit:
o Inrichting strafbepaling moet praktische toepassing voor autoriteiten mogelijk
maken.
o Handhaving moet gewaarborgd zijn (capaciteit). Kan beïnvloed worden door aan
bepaalde delicten prioriteit te geven en capaciteit uit te breiden.
o Gedragsbeïnvloedende werking (strafdoelen). Gaat de strafbaarstelling voor generale
preventie zorgen?
Haveman (1998): 4 negatieve criteria voor strafbaarstelling (argumenten om af te zien van
strafbaarstelling):
1. Problematisch situatie (die om respons vraagt)? Startpunt besluitvorming moet
problematische situatie zijn. Opletten dat situatie niet ten onrechte als probleem getypeerd
wordt.
2. Rol voor de overheid weggelegd?
a. Juridische bevoegdheid.
b. Rechtspolitieke bevoegdheid > schadebeginsel (weinig onderscheidende waarde. Kan
altijd beargumenteerd worden waarom gedrag schade met zich meebrengt als dat
gedrag ons niet bevalt).
3. Adequate niet-strafrechtelijke alternatieven (strafrecht ultimum remedium).
4. Strafrecht een adequate respons? Randvoorwaarden:
a. Specifieke menselijke gedraging als oorzaak van probleem.
b. Causaal verband tussen gedrag en probleem.
c. Lex certa.
d. Wederrechtelijk, verwijtbaar, ‘deuk in de rechtsorde’.
3
, e. Kan met strafrecht en doel (gedragsbeïnvloeding, conflictoplossing) worden bereikt?
Tot slot: Haveman vindt dat als de kosten voor vervolging en bestraffing groter zijn dan de kosten van
de gedraging voor de samenleving dat de gemeenschap dan geen belang heeft bij vervolging.
Internationaal:
Feinberg (1987):
1 Harm to others (schade). Risico op schade kan ook al voldoende zijn.
o Setback to others’ interests (ook publieke belangen: corruptie, belastingen etc.).
Terugval in je belangen. Denk aan gezondheid, eigendom of reputatie. Gedachten en
overtuigingen dus niet strafbaar, brengen geen verandering in situatie teweeg.
o Wrong (onrecht). Misstand. Niet elke schadelijke toestand leidt tot strafbaarheid.
Iemand moet een handeling hebben verricht die jou onrecht aandoet zonder dat
daar een rechtvaardiging voor is. Schade waar je toestemming voor geeft
(vechtsport) valt hier niet onder. Let wel op hoever je mag gaan in bepaalde sport.
o Causaal verband tussen onrecht en schade . Gedraging mag niet te ver afliggen van
eventuele schade. Handeling heeft altijd indirecte effecten. Let op
gevaarzettingsdelicten.
Concretisering schadebeginsel:
- Omvang van de schade
- Kans dat schade intreedt
o (1) kans X (2) omvang = risico; ook kijken naar (3) de waarde van het gedrag (vb.
vrijheid van meningsuiting).
- Aggregative nature of the harm
- Relatief belang van schade: door schadelijk gedrag van persoon B strafbaar te stellen, kun
je persoon A wellicht beschermen tegen de schade, maar door strafbaarstelling schaad je
dan belangen persoon B en anderen om dat gedrag juist wel uit te oefenen. Niet altijd:
hoe groter de mogelijke schade, hoe verder je mag met strafbaar stellen. Factoren:
o Vitaal belang?
o Versterking door andere belangen? Bij uitingen niet alleen belang van vrijheid
van meningsuiting van spreker, maar ook belang van publiek om informatie te
ontvangen.
o Morele kwaliteit van het belang. Niet elk belang is het waard om beschermd te
worden (sadisme).
2 Offense to others (aanstoot): gedrag dat onprettige mentale toestand veroorzaakt, maar
uiteindelijk kom je er niet door in een slechtere situatie. Vb. verschil schade en aanstoot.
Vrouw deed mee aan VR game waarin haar VR personage werd verkracht. Vrouw claimde dat
de opgelopen schade door die verkrachting niet anders was dan bij een aanranding die ze wel
eens mee had gemaakt. Is dat schade of aanstoot? Aanstoot kan wel overgaan in schade,
denk aan stalking.
Concretisering aanstootbeginsel:
- Ernst van de aanstoot
o Extent standard: mate, intensiteit, duur.
o Reasonably avoidability standard: is het te vermijden?
o Volenti standard: heb je zelf bewust het risico genomen dat je getuige zal worden
van iets aanstootgevends? Ook moet je er zelf bij zijn geweest (geen offence from
bare knowledge).
4