Frontale vlak: voor- en achterzijde van het lichaam
Voor: ventraal
Achter: dorsaal
Het benoemen van een spier:
Scheenbeen = tibia
Benoemen van spier:
Tibia aan de voorkant heet dan m. tibialis anterior
Aan de achterkant: m. tibialis superior
Sagittale vlak: van voor naar achter
Lateraal-mediaal-lateraal
Buitenkant van de knie is lateraal, binnen kant van de knie is mediaal.
Een mediaal aanzicht van een levend mens is niet mogelijk. Een mediaal aanzicht van een onderarm
wel.
Transversale vlak: horizontaal
Bovenkant: craniaal (kruin) ofwel superior
Onderkant: caudaal ofwel inferior
Hand=manus
Rechter hand= manus dextra
Linker hand= manus sinistra
Superior= hoger
Inferior= lager
Posterior= achter
Rostraal= op het hoofd aan de neuskant
Membrum= lid/ledematen
Armen en benen zijn extremiteiten:
Membrum superius= arm
Membrum inferior= been
Mensen zijn rechtop gaan lopen, waardoor de stand van het hoofd ook veranderd is. De terminologie
van de dieren is aangehouden.
Cranium= schedel
Cauda= staart
Dorsum= rug(zijde)
Venter= buik
Restrum= snuit/snavel
Ligging van de structuren t.o.v. de anatomische houding:
- Duimen lateraal
- Pinken mediaal
- Handpalm ventraal
In extremiteiten:
Van de romp af: distaal
Naar de romp toe: proximaal
Naar het oppervlakte: superficial
Dieper gelegen: profundus
,In de romp:
Naar het oppervlakte: externus
Dieper gelegen: internus
Structuur ev Structuur mv Afkorting vertaling
Arteria Arteriae A. Slagader
Articulatio Articulationes Art. Gewricht
Ligamentum Ligamenta Lig. Band
Musculus Musculi M. Spier
Nervus Nervi N. Zenuw (nerve)
Vena Venae V. Ader
Buiger= flexor
Vinger= digitus
Schuin= obliquus
Buikholte= abdomen
Dijbeen= femur
Knie= genu
Het skelet
Ca. 206 botten, een kind heeft er ca. 300 (sommige gaan nog aan elkaar groeien)
Hoofdfuncties:
- Bescherming
o Kwetsbare organen (ribben beschermen hard en longen)
- Opslag van mineralen
- Stevigheid
- Beweeglijkheid
o Botten bewegen t.o.v. elkaar
o Spieren zitten vast aan botten (verbonden door pezen)
Botweefsel is niet dood.
Functies:
- Er is continu opbouw en afbraak op grond van belasting. Door lange tijd niet veel te bewegen
neemt de botmassa af.
Spieren worden door belasting sterker, botten worden groter (en dus sterker).
- Opslag en vrijgeven van mineralen en zouten
- In het beenmerg is er aanmaak van bloedcellen
- Soorten botcellen:
o Osteocyt: volwassen botcel
o Osteoclast: bot afbrekende cel
o Osteoblast: botvormende cel
Behorend tot het axiale skelet:
- Schedel
- Ruggengraat
- Ribbenkast
- Bekken
De wervelkolom: columna vertebralis:
- Cervicaal: 7 wervels, cervix= nek/hals
- Thoracaal: 12 wervels, thorax= borstkas
- Lumbaal: 5 wervels, lende
- Sacraal: 5 wervels (vergroeid), sacrum= heiligbeen
- Coccygeaal: coc=coccygis: staartbeen
, De beweeglijkheid per niveau is afhankelijk van:
- Stand van de gewrichtsvlakken
- Vervorming van de tussenwervelschijven
- Ligging en sterkte van de ligamenten
- Ligging en activiteit van de spieren (buik en rug)
Door de gaten in het sacrum lopen de zenuwen
De hand= manus
- Carpus: handwortel
o Per hand 7 ossa carpi
- Metacarpus: middenhand
o per hand 5 ossa metacarpi
- Ossa digitorium manus: botjes van de vingers (digitus= vinger/teen)
o per hand 14 ossa digitorium/phalangen
Kootje=phalanx
- per vinger: 3 phalangen
- per duim: 2 phalangen
Onderste extremiteit
Heupbeen= os coxae
Ontstaan uit 3 botten:
- Illium: darmbeen
Deze groeien aan elkaar
- Ischium: zitbeen
als je volwassen wordt
- Pubis: schaambeen
Pelvis (bekken(gordel)): ossa coaxae + os sacrum (=heiligbeen) + os coccygis (=staartbeen)
Klinische aandoening: heupinstabiliteit/heupdysplasie
- De kom is niet groot genoeg voor de kop
Knieschijf= patella
Scheenbeen= tibia
Spaakbeen= fibula (la van lateraal)
Voet= pes
- Tarsus= voetwortel
o 7 ossa tarsi per voet (voetwortelbeentjes)
- Metatarsus= middenvoet
o 5 ossa metatarsi per voet (middenvoetsbeentjes)
- Ossa digitorium pedis= botjes van de tenen (digitus= teen/vinger)
o Per voet 14 ossa digitorium pedis/phalangen
Kootje=phalanx
- Per teen 3 phalangen
- Per grote teen 2 phalangen