4.1 de geestelijken
De verbreiding van het christendom in Europa
- Tijdens laatste eeuwen Romeinse rijk trokken Germaanse volken
binnen
- De Franken bleven
- 481: Clovis koning van Frankische stammen
- 511: Clovis stierf, grootste rijk van West-Europa, dankzij hem was
heel zijn rijk christelijk
- Tijdens Karel de Grote was het rijk op zijn grootst
- Hij dwong de Saksen onder de doodstraf het christendom aan te
nemen
- Christendom was stabiele factor en bracht rust
Frankische monniken trokken naar Nederland:
- Stichtten kloosters en trokken nieuwe monniken aan
- Regionale machtshebbers eerst bekeren
- Slavische volken werden vanuit het Byzantijnse rijk tot het
christendom gebracht
2 soorten geestelijken
Seculiere geestelijken:
- Paus, bisschoppen en priesters
- In saeculo= in de wereld
- Paus: bestuurde Kerk, kerkelijke wetten
afkondigen, toezicht over klooster, en concilies
bij een roepen
Reguliere geestelijken:
- Monniken en nonnen
- Regulae= volgens regels, in kloosters
- Verspreiden christelijk geloof, verbeteren
landbouw, onderdak geven aan pelgrims,
zieken verzorgen, brood uitdelen aan
hongerigen, onderwijs geven, kronieken
bijhouden, boeken overschrijven
Geestelijken hebben zeer grote invloed
- Geven de meeste informatie (konden als enige lezen en schrijven)
, - Geestelijke leiders als leidsman aanvaard (opstellen wetten,
bestuurden groot deel van land, betrokken bij belangrijkste
levensgebeurtenissen)
- Paus kon koningen en keizers in de ban doen
- De kerk bezit grote rijkdommen (belastingen aan volk opleggen,
eigen grondbezit, speciale belastingen)
- Grote invloed op literatuur, kunst en wetenschap
4.2 de boeren
Het hofstelsel ontstaat
- In Romeinse rijk agrarisch urbane cultuur: leefde vooral van
landbouw, handel en nijverheid, woonde op platteland en in de
steden
- Vroege middeleeuwen agrarische cultuur: woonde op platteland,
leefde van landbouw
Het hofstelsel:
-Kern was versterkte boerderij, klooster of kasteel, met
bijbehorende landerijen van de grootgrondbezitter
- Daar omheen woonden horige boeren die grond in pacht
hadden
- Op het domein zorgden de mensen voor alles wat ze
nodig hadden
- 90% van de bevolking woonden om een domein, er leefden ook wat
vrije boeren
- Horigen 'hoorden' bij de grond waar ze werkten
- Ze hadden verplichtingen aan hun grootgrondbezitter:
- Pacht: een deel van wat hun boerderij voortbracht aan de
heer geven
- Herendiensten verrichten: bewerken land van de heer
4.3 de edelen
Leefden van arbeid van de boeren, werkten niet zelf op hun grond
Ze bestuurden hun domeinen, spraken recht en trokken ten oorlog
Lage en hoge edelen
- Hoge adel: graven en hertogen, beheerden veel domeinen,
woonden in grote burchten
- Lage adel: ridders, beheerden 1 of enkele domeinen, woonden op
een klein kasteel
De verbreiding van het christendom in Europa
- Tijdens laatste eeuwen Romeinse rijk trokken Germaanse volken
binnen
- De Franken bleven
- 481: Clovis koning van Frankische stammen
- 511: Clovis stierf, grootste rijk van West-Europa, dankzij hem was
heel zijn rijk christelijk
- Tijdens Karel de Grote was het rijk op zijn grootst
- Hij dwong de Saksen onder de doodstraf het christendom aan te
nemen
- Christendom was stabiele factor en bracht rust
Frankische monniken trokken naar Nederland:
- Stichtten kloosters en trokken nieuwe monniken aan
- Regionale machtshebbers eerst bekeren
- Slavische volken werden vanuit het Byzantijnse rijk tot het
christendom gebracht
2 soorten geestelijken
Seculiere geestelijken:
- Paus, bisschoppen en priesters
- In saeculo= in de wereld
- Paus: bestuurde Kerk, kerkelijke wetten
afkondigen, toezicht over klooster, en concilies
bij een roepen
Reguliere geestelijken:
- Monniken en nonnen
- Regulae= volgens regels, in kloosters
- Verspreiden christelijk geloof, verbeteren
landbouw, onderdak geven aan pelgrims,
zieken verzorgen, brood uitdelen aan
hongerigen, onderwijs geven, kronieken
bijhouden, boeken overschrijven
Geestelijken hebben zeer grote invloed
- Geven de meeste informatie (konden als enige lezen en schrijven)
, - Geestelijke leiders als leidsman aanvaard (opstellen wetten,
bestuurden groot deel van land, betrokken bij belangrijkste
levensgebeurtenissen)
- Paus kon koningen en keizers in de ban doen
- De kerk bezit grote rijkdommen (belastingen aan volk opleggen,
eigen grondbezit, speciale belastingen)
- Grote invloed op literatuur, kunst en wetenschap
4.2 de boeren
Het hofstelsel ontstaat
- In Romeinse rijk agrarisch urbane cultuur: leefde vooral van
landbouw, handel en nijverheid, woonde op platteland en in de
steden
- Vroege middeleeuwen agrarische cultuur: woonde op platteland,
leefde van landbouw
Het hofstelsel:
-Kern was versterkte boerderij, klooster of kasteel, met
bijbehorende landerijen van de grootgrondbezitter
- Daar omheen woonden horige boeren die grond in pacht
hadden
- Op het domein zorgden de mensen voor alles wat ze
nodig hadden
- 90% van de bevolking woonden om een domein, er leefden ook wat
vrije boeren
- Horigen 'hoorden' bij de grond waar ze werkten
- Ze hadden verplichtingen aan hun grootgrondbezitter:
- Pacht: een deel van wat hun boerderij voortbracht aan de
heer geven
- Herendiensten verrichten: bewerken land van de heer
4.3 de edelen
Leefden van arbeid van de boeren, werkten niet zelf op hun grond
Ze bestuurden hun domeinen, spraken recht en trokken ten oorlog
Lage en hoge edelen
- Hoge adel: graven en hertogen, beheerden veel domeinen,
woonden in grote burchten
- Lage adel: ridders, beheerden 1 of enkele domeinen, woonden op
een klein kasteel