Verslaving
Verslaving: een naar chroniciteit neigende terugvalstoornis
Het ervaren van een geringer effect bij dezelfde dosis ofwel het vergroten van de dosis om hetzelfde
effect te krijgen
- Metabole tolerantie: de lever kan dan bijvoorbeeld enzymen makkelijker afbreken
- Weefseltolerantie: zenuwcellen die zich aanpassen: minder gevoelig, receptoren veranderen
Verdovende middelen: methadon, heroïne en opiaten, tranquillizers mn benzo’s, ketamine
Stimulerende middelen: PMA, cocaïne, speed, cafeïne, nicotine, XTC, khat
Middelen die de zintuigelijke ervaringen veranderen: LSD, paddo’s, sommige cactussen
Combi-effecten: cannabis, ketamine
Zenuwstelsel: centraal (hersenen en ruggenmerg) en perifeer
Middenhersenen: hebben een belangrijker functie bij het onbewuste instinctieve gedrag, emoties en
stemmingen
Onthoudingsverschijnselen: lichamelijke reacties op het minderen of stoppen met het gebruik
Craving: krachtige herinneringen die doen verlangen naar het middel
Invloed van alcohol op de hersenen
GABA activering > remming van de zenuwen
Alcohol bindt aan de receptoren > rust
Serotonine: je goed voelen en je verbonden voelen met mensen
Dopamine: activering
Glutamaat> vertraging omdat de alcohol erop gaat zitten
Morele model: zwakke wil en morele zwakte
Farmacologische model: de stof maakt mensen verslaafd
Psychiatrische model: verslaving als symptoom van andere stoornis
Sociale model: symptomen van relatiestoornis tussen mensen als gevolg van maatschappelijke druk
en stress
Medische model: lichamelijke aandoening (abstinentie)
Gedragstherapeutische model: aangeleerd gedrag
Bio psychosociale model: verslaving als resultaat van aangeboren vatbaarheid, persoonlijke
ontwikkeling en sociale omstandigheden
Hersenziektemodel: verslaving is een hersenziekte
Aanvaardingsmodel: accepteren dat iemand verslaafd is en de risico’s zoveel mogelijk vermijden
Ernst bepaling
2-3 milde stoornis in het gebruik van middelen
4-5 criteria dan is er sprake van gematigde (moderate) stoornis
6-11 symptomen een ernstige stoornis
Verslaving: een naar chroniciteit neigende terugvalstoornis
Het ervaren van een geringer effect bij dezelfde dosis ofwel het vergroten van de dosis om hetzelfde
effect te krijgen
- Metabole tolerantie: de lever kan dan bijvoorbeeld enzymen makkelijker afbreken
- Weefseltolerantie: zenuwcellen die zich aanpassen: minder gevoelig, receptoren veranderen
Verdovende middelen: methadon, heroïne en opiaten, tranquillizers mn benzo’s, ketamine
Stimulerende middelen: PMA, cocaïne, speed, cafeïne, nicotine, XTC, khat
Middelen die de zintuigelijke ervaringen veranderen: LSD, paddo’s, sommige cactussen
Combi-effecten: cannabis, ketamine
Zenuwstelsel: centraal (hersenen en ruggenmerg) en perifeer
Middenhersenen: hebben een belangrijker functie bij het onbewuste instinctieve gedrag, emoties en
stemmingen
Onthoudingsverschijnselen: lichamelijke reacties op het minderen of stoppen met het gebruik
Craving: krachtige herinneringen die doen verlangen naar het middel
Invloed van alcohol op de hersenen
GABA activering > remming van de zenuwen
Alcohol bindt aan de receptoren > rust
Serotonine: je goed voelen en je verbonden voelen met mensen
Dopamine: activering
Glutamaat> vertraging omdat de alcohol erop gaat zitten
Morele model: zwakke wil en morele zwakte
Farmacologische model: de stof maakt mensen verslaafd
Psychiatrische model: verslaving als symptoom van andere stoornis
Sociale model: symptomen van relatiestoornis tussen mensen als gevolg van maatschappelijke druk
en stress
Medische model: lichamelijke aandoening (abstinentie)
Gedragstherapeutische model: aangeleerd gedrag
Bio psychosociale model: verslaving als resultaat van aangeboren vatbaarheid, persoonlijke
ontwikkeling en sociale omstandigheden
Hersenziektemodel: verslaving is een hersenziekte
Aanvaardingsmodel: accepteren dat iemand verslaafd is en de risico’s zoveel mogelijk vermijden
Ernst bepaling
2-3 milde stoornis in het gebruik van middelen
4-5 criteria dan is er sprake van gematigde (moderate) stoornis
6-11 symptomen een ernstige stoornis