GGZ2027:
NEUROPSYCHOLOGISCHE
STOORNISSEN
INHOUDSOPGAVE
TAAK 1: HET BREIN.............................................................................................. 2
TAAK 2: PLASTICITEIT EN SCHADE....................................................................... 21
TAAK 3: TAAL.................................................................................................... 41
TAAK 4: GEHEUGEN............................................................................................ 53
TAAK 5: AANDACHTSSTOORNISSEN EN AGNOSIE.................................................. 71
TAAK 6: NEUROPSYCHIATRIE.............................................................................. 85
ONDERWERPEN DIE OP HET TENTAMEN KWAMEN............................................... 108
1
,TAAK 1: HET BREIN
1. WELKE TYPE CELLEN BEVINDEN ZICH IN HET ZENUWSTELSEL?
Witte en grijze stof
Witte stof bevat gemyeliniseerde axonen die door het CZS lopen. Grijze stof bestaat uit de cellichamen van
zenuwcellen. Grijze stof bevindt zich vooral aan de buitenkant van de hersenen, waar het de cortex
cerebri, de schors van de grote hersenen, en de cortex cerebelli, de schors van de kleine hersenen,
vormt. In het ruggenmerg bevindt de grijze stof zich juist aan de binnenkant. De grijze stof heeft als functie
het verwerken van informatie, terwijl de witte stof de communicatie tussen zenuwcellen verzorgt. Behalve
aan de buitenkant van de hersenen bevindt grijze stof zich ook in diepe kernen van de voorhersenen en
omvat de basale ganglia en limbische structuren.
Het neurosysteem bestaat uit 2 soorten cellen:
I. Neuronen;
Neuronen worden m.n. door hun vorm onderscheidden van andere cellen. Deze vorm verschilt
per neuron en bepaalt de connecties met andere cellen en de functie van het neuron. Alle
neuronen bevatten een soma (cellichaam), met de kern, ribosomen en mitochondriën. De
meeste neuronen hebben daarnaast ook dendrieten en een axon met presynaptische
uiteinden. De kleinste neuronen hebben geen axonen en soms ook geen goed gedefinieerde
dendrieten.
Axon: Een dunne vezel met een constante diameter. Deze kan meer dan een meter lang
zijn. Meestal zijn ze bedekt met een myelineschede (ongewervelden niet), die wordt
onderbroken door knooppunten van Ranvier. Een neuron heeft altijd maar één axon.
Deze kan wel vertakt zijn, met aan het uiteinde van iedere tak een presynaptische
terminal. Hier laat het axon chemicaliën vrij in de synapsspleet.
Dendrieten: Vertakte vezels die steeds smaller worden richting het uiteinde. De
oppervlakte van de dendriet is bekleed door gespecialiseerde synaptische receptoren
waarmee informatie ontvangen wordt. Hoe groter de oppervlakte, hoe meer informatie. Veel
dendrieten bevatten spines (dendritische stekels), om de oppervlakte te vergroten.
Typen neuronen:
Unipolair: alleen één axon (alleen ongewervelden);
Bipolair: één dendriet, één axon;
Multipolair: één axon, meerdere dendritische vertakkingen.
Soorten neuronen:
Motorneuronen: Soma ligt in het ruggenmerg, deze ontvang prikkels via dendrieten.
Vervolgens worden impulsen via axonen naar de spieren gevoerd.
Sensorisch neuronen: Deze zijn gevoelig voor stimulatie van de zintuigen. De informatie
wordt door een sensorisch neuron naar het ruggenmerg en de hersenen geleid. Vaak zijn
deze cellen gespecialiseerd voor één type zintuigelijke input.
Interneuronen (intrinsiek neuron): Een cel waarvan het axon en dendrieten volledig binnen
één enkele structuur zitten. (Bv. een intrinsiek neuron van de thalamus; deze heeft alle
axonen en dendrieten binnen de thalamus zitten)
Typen axonen:
• Afferent axon: brengt informatie van de periferie naar het CZS (sensorisch)
• Efferent axon: brengt informatie van het CZS naar de periferie (motorisch)
2
,II. Glia;
Glia vervullen heel veel verschillende functies. Het aantal neuronen is groter dan het aantal glia in
het cerebellum, maar kleiner in de hersenschors. Over het algemeen zijn de cijfers ongeveer
gelijk. Glia ondersteunen de neuronen.
Soorten glia:
Astrocyten: Stervormige glia die zich rond de synapsen van functioneel gerelateerde axonen
wikkelen.
• Hiermee wordt het neuron beschermd tegen chemicaliën die in de omgeving circuleren.
• Het astrocyt helpt ook bij het synchroniseren van nauw verwante neuronen, waardoor
hun axonen berichten in golven kunnen verzenden. Op deze manier spelen astrocyten
een rol in het generen van ritmes, bijv. de ademhaling.
• Verwijden bloedvaten om meer voedingstoffen naar hersengebieden met een verhoogde
activiteit te brengen.
• De punt van het axon geeft chemicaliën vrij die ervoor zorgen dat de naburige astrocyt
chemicaliën afgeeft die de boodschap naar een volgend neuron versterken of wijzigen.
Dit draagt mogelijk bij aan het geheugen en leervermogen. (Tripartiete synaps)
• In sommige hersengebieden reageren astrocyten op hormonen en beïnvloeden
daardoor de neuronen
Microglia: Onderdeel immuunsysteem, verwijderen schimmels en virussen uit de hersenen.
Oligodendrocyten: Maken myeline aan in het CZS.
Schwann-cellen: Maken myeline in het PZS, leveren voeding aan axonen.
Satellietcellen: steunen neuronen (PZS-versie van astrocyt)
Radiale glia: begeleiden de migratie van neuronen en hun axonen en dendrieten tijdens de
embryonale ontwikkeling (differentiëren vaak in andere gliacellen).
2. WELKE VERSCHILLENDE ZENUWSTELLEN ZIJN ER?
Centrale Zenuwstelsel (CZS) = ruggenmerg en hersenen
Perifere Zenuwstelsel (PZS) = zenuwen in het hele lichaam (sensibel & motorisch)
Autonome Zenuwstelsel = regelt onbewuste lichaamsprocessen (temperatuur, bloeddruk)
Animale/ somatisch Zenuwstelsel = regelt bewuste lichaamsprocessen
Sympathisch Zenuwstelsel = Ganglia naast het ruggenmerg, verbruikt energie, bereidt voor op
fight-or-flightreactie.
Parasympatisch Zenuwstelsel = Hersenen en sacrale zenuwen, onbewuste acties zoals slapen,
ademen, zuurstof binden. Zorgt voor herstel na een actie.
3
, Ruggenmerg
Eén van de vroegste ontdekkingen over functies van het zenuwstelsel was dat de binnendringende dorsale
wortels (axonbundels) sensorische informatie bevatten en de uitgaande ventrale wortels motorische
informatie. Elk segment van het ruggenmerg stuurt sensorische informatie naar de hersenen en ontvangt
motorische commando’s van de hersenen.
Cellichamen van de motorneuronen bevinden zich in de grijze stof van het ruggenmerg (H-vormig). Veel
neuronen uit de grijze stof van het ruggenmerg sturen
axonen naar de hersenen of naar andere delen van het
ruggenmerg door de witte stof, die bestaat uit
gemyeliniseerde axonen.
Het ruggenmerg is het deel van het CZS in de
wervelkolom. Het ruggenmerg communiceert met alle
zintuigen en spieren behalve die van het hoofd. Het is
een gesegmenteerde structuur en elk segment heeft aan
zowel de linker- als de rechterkant een sensorische
zenuw en een motorische zenuw.
Begrippen:
Grijze stof: dichte stof met cellichamen en dendrieten;
Witte stof: bestaat met name uit axonen, wit door myelineschedes.
Lamina: Een lagen cellichamen die worden gescheiden door een laag axonen en dendrieten;
Kolom: Een set cellen met vergelijkbare eigenschappen, loodrecht op het oppervlak van de cortex;
Tractus: Een bundel gemyeliniseerde axonen binnen het CZS (projectie);
Zenuw: Een bundel axonen in de periferie, vanuit het CZS naar een spier/klier of van een zintuig
naar het CZS;
Nucleus: Cluster van neuronlichamen binnen het CZS;
Ganglion: Cluster neuroncellichamen, meestal buiten het CZS (bijv. sympathisch ZS);
Gyri: Uitsteeksels op het oppervlak van het brein;
Sulci: groeven tussen de gyri;
Fissuur: lange, diepe sulcus.
3. HOE WERKT DE COMMUNICATIE TUSSEN DE VERSCHILLENDE CELLEN BINNEN
HET ZENUWSTELSEL?
Rustpotentiaal
Een zenuwimpuls is een elektrisch signaal dat langs een neuron
beweegt. Dit heet ook wel een potentiaal, waarbij geladen deeltjes
langs het membraan van een cel bewegen. De deeltjes bewegen als
een golf over het axon, terwijl ze steeds van binnen naar buiten de cel
bewegen.
Een signaal in een neuron ontstaat door een verstoring van de
rustpotentiaal. Alle delen van een neuron zijn bedekt met een
membraan dat is samengesteld uit 2 lagen van fosfolipidemoleculen
(met ketens van vetzuren en een fosfaatgroep).
4
NEUROPSYCHOLOGISCHE
STOORNISSEN
INHOUDSOPGAVE
TAAK 1: HET BREIN.............................................................................................. 2
TAAK 2: PLASTICITEIT EN SCHADE....................................................................... 21
TAAK 3: TAAL.................................................................................................... 41
TAAK 4: GEHEUGEN............................................................................................ 53
TAAK 5: AANDACHTSSTOORNISSEN EN AGNOSIE.................................................. 71
TAAK 6: NEUROPSYCHIATRIE.............................................................................. 85
ONDERWERPEN DIE OP HET TENTAMEN KWAMEN............................................... 108
1
,TAAK 1: HET BREIN
1. WELKE TYPE CELLEN BEVINDEN ZICH IN HET ZENUWSTELSEL?
Witte en grijze stof
Witte stof bevat gemyeliniseerde axonen die door het CZS lopen. Grijze stof bestaat uit de cellichamen van
zenuwcellen. Grijze stof bevindt zich vooral aan de buitenkant van de hersenen, waar het de cortex
cerebri, de schors van de grote hersenen, en de cortex cerebelli, de schors van de kleine hersenen,
vormt. In het ruggenmerg bevindt de grijze stof zich juist aan de binnenkant. De grijze stof heeft als functie
het verwerken van informatie, terwijl de witte stof de communicatie tussen zenuwcellen verzorgt. Behalve
aan de buitenkant van de hersenen bevindt grijze stof zich ook in diepe kernen van de voorhersenen en
omvat de basale ganglia en limbische structuren.
Het neurosysteem bestaat uit 2 soorten cellen:
I. Neuronen;
Neuronen worden m.n. door hun vorm onderscheidden van andere cellen. Deze vorm verschilt
per neuron en bepaalt de connecties met andere cellen en de functie van het neuron. Alle
neuronen bevatten een soma (cellichaam), met de kern, ribosomen en mitochondriën. De
meeste neuronen hebben daarnaast ook dendrieten en een axon met presynaptische
uiteinden. De kleinste neuronen hebben geen axonen en soms ook geen goed gedefinieerde
dendrieten.
Axon: Een dunne vezel met een constante diameter. Deze kan meer dan een meter lang
zijn. Meestal zijn ze bedekt met een myelineschede (ongewervelden niet), die wordt
onderbroken door knooppunten van Ranvier. Een neuron heeft altijd maar één axon.
Deze kan wel vertakt zijn, met aan het uiteinde van iedere tak een presynaptische
terminal. Hier laat het axon chemicaliën vrij in de synapsspleet.
Dendrieten: Vertakte vezels die steeds smaller worden richting het uiteinde. De
oppervlakte van de dendriet is bekleed door gespecialiseerde synaptische receptoren
waarmee informatie ontvangen wordt. Hoe groter de oppervlakte, hoe meer informatie. Veel
dendrieten bevatten spines (dendritische stekels), om de oppervlakte te vergroten.
Typen neuronen:
Unipolair: alleen één axon (alleen ongewervelden);
Bipolair: één dendriet, één axon;
Multipolair: één axon, meerdere dendritische vertakkingen.
Soorten neuronen:
Motorneuronen: Soma ligt in het ruggenmerg, deze ontvang prikkels via dendrieten.
Vervolgens worden impulsen via axonen naar de spieren gevoerd.
Sensorisch neuronen: Deze zijn gevoelig voor stimulatie van de zintuigen. De informatie
wordt door een sensorisch neuron naar het ruggenmerg en de hersenen geleid. Vaak zijn
deze cellen gespecialiseerd voor één type zintuigelijke input.
Interneuronen (intrinsiek neuron): Een cel waarvan het axon en dendrieten volledig binnen
één enkele structuur zitten. (Bv. een intrinsiek neuron van de thalamus; deze heeft alle
axonen en dendrieten binnen de thalamus zitten)
Typen axonen:
• Afferent axon: brengt informatie van de periferie naar het CZS (sensorisch)
• Efferent axon: brengt informatie van het CZS naar de periferie (motorisch)
2
,II. Glia;
Glia vervullen heel veel verschillende functies. Het aantal neuronen is groter dan het aantal glia in
het cerebellum, maar kleiner in de hersenschors. Over het algemeen zijn de cijfers ongeveer
gelijk. Glia ondersteunen de neuronen.
Soorten glia:
Astrocyten: Stervormige glia die zich rond de synapsen van functioneel gerelateerde axonen
wikkelen.
• Hiermee wordt het neuron beschermd tegen chemicaliën die in de omgeving circuleren.
• Het astrocyt helpt ook bij het synchroniseren van nauw verwante neuronen, waardoor
hun axonen berichten in golven kunnen verzenden. Op deze manier spelen astrocyten
een rol in het generen van ritmes, bijv. de ademhaling.
• Verwijden bloedvaten om meer voedingstoffen naar hersengebieden met een verhoogde
activiteit te brengen.
• De punt van het axon geeft chemicaliën vrij die ervoor zorgen dat de naburige astrocyt
chemicaliën afgeeft die de boodschap naar een volgend neuron versterken of wijzigen.
Dit draagt mogelijk bij aan het geheugen en leervermogen. (Tripartiete synaps)
• In sommige hersengebieden reageren astrocyten op hormonen en beïnvloeden
daardoor de neuronen
Microglia: Onderdeel immuunsysteem, verwijderen schimmels en virussen uit de hersenen.
Oligodendrocyten: Maken myeline aan in het CZS.
Schwann-cellen: Maken myeline in het PZS, leveren voeding aan axonen.
Satellietcellen: steunen neuronen (PZS-versie van astrocyt)
Radiale glia: begeleiden de migratie van neuronen en hun axonen en dendrieten tijdens de
embryonale ontwikkeling (differentiëren vaak in andere gliacellen).
2. WELKE VERSCHILLENDE ZENUWSTELLEN ZIJN ER?
Centrale Zenuwstelsel (CZS) = ruggenmerg en hersenen
Perifere Zenuwstelsel (PZS) = zenuwen in het hele lichaam (sensibel & motorisch)
Autonome Zenuwstelsel = regelt onbewuste lichaamsprocessen (temperatuur, bloeddruk)
Animale/ somatisch Zenuwstelsel = regelt bewuste lichaamsprocessen
Sympathisch Zenuwstelsel = Ganglia naast het ruggenmerg, verbruikt energie, bereidt voor op
fight-or-flightreactie.
Parasympatisch Zenuwstelsel = Hersenen en sacrale zenuwen, onbewuste acties zoals slapen,
ademen, zuurstof binden. Zorgt voor herstel na een actie.
3
, Ruggenmerg
Eén van de vroegste ontdekkingen over functies van het zenuwstelsel was dat de binnendringende dorsale
wortels (axonbundels) sensorische informatie bevatten en de uitgaande ventrale wortels motorische
informatie. Elk segment van het ruggenmerg stuurt sensorische informatie naar de hersenen en ontvangt
motorische commando’s van de hersenen.
Cellichamen van de motorneuronen bevinden zich in de grijze stof van het ruggenmerg (H-vormig). Veel
neuronen uit de grijze stof van het ruggenmerg sturen
axonen naar de hersenen of naar andere delen van het
ruggenmerg door de witte stof, die bestaat uit
gemyeliniseerde axonen.
Het ruggenmerg is het deel van het CZS in de
wervelkolom. Het ruggenmerg communiceert met alle
zintuigen en spieren behalve die van het hoofd. Het is
een gesegmenteerde structuur en elk segment heeft aan
zowel de linker- als de rechterkant een sensorische
zenuw en een motorische zenuw.
Begrippen:
Grijze stof: dichte stof met cellichamen en dendrieten;
Witte stof: bestaat met name uit axonen, wit door myelineschedes.
Lamina: Een lagen cellichamen die worden gescheiden door een laag axonen en dendrieten;
Kolom: Een set cellen met vergelijkbare eigenschappen, loodrecht op het oppervlak van de cortex;
Tractus: Een bundel gemyeliniseerde axonen binnen het CZS (projectie);
Zenuw: Een bundel axonen in de periferie, vanuit het CZS naar een spier/klier of van een zintuig
naar het CZS;
Nucleus: Cluster van neuronlichamen binnen het CZS;
Ganglion: Cluster neuroncellichamen, meestal buiten het CZS (bijv. sympathisch ZS);
Gyri: Uitsteeksels op het oppervlak van het brein;
Sulci: groeven tussen de gyri;
Fissuur: lange, diepe sulcus.
3. HOE WERKT DE COMMUNICATIE TUSSEN DE VERSCHILLENDE CELLEN BINNEN
HET ZENUWSTELSEL?
Rustpotentiaal
Een zenuwimpuls is een elektrisch signaal dat langs een neuron
beweegt. Dit heet ook wel een potentiaal, waarbij geladen deeltjes
langs het membraan van een cel bewegen. De deeltjes bewegen als
een golf over het axon, terwijl ze steeds van binnen naar buiten de cel
bewegen.
Een signaal in een neuron ontstaat door een verstoring van de
rustpotentiaal. Alle delen van een neuron zijn bedekt met een
membraan dat is samengesteld uit 2 lagen van fosfolipidemoleculen
(met ketens van vetzuren en een fosfaatgroep).
4