OEFENTENTAMEN BLOK 1
1. Volgens The Magical Number Seven is het kortetermijngeheugen gelimiteerd tot 5-9 chunks.
Stel dat je de volgende nummerreeks moet onthouden: 010-198-1876. Je onthoudt 010 als
code van Rotterdam, je onthoudt 198 omdat dat gelijk is aan je verjaardag (19 augustus) en
de laatste 4 cijfers onthoud je los. Uit hoeveel chunks bestaat deze nummerreeks nu voor
jou?
A. 10 chunks
B. 6 chunks
C. 3 chunks
D. 4 chunks
2. Lees de volgende stellingen:
1. Het primacy effect kan als volgt verklaard worden: de items die je als eerste leest,
hoeven niet te concurreren tegen eerdere items, waardoor je ze dus beter onthoudt.
2. Het recency effect kan als volgt verklaard worden: de items die je als laatste leest, zitten
nog in het kortetermijngeheugen waardoor je ze beter onthoudt.
Wat is waar?
A. Stelling 1 is waar, stelling 2 is niet waar
B. Stelling 2 is waar, stelling 1 is niet waar
C. Beide stellingen zijn waar
D. Beide stellingen zijn niet waar
3. Lees de volgende stellingen:
1. De drie componenten in het werkgeheugen werken onafhankelijk van elkaar, waardoor
je niet goed één component voor twee taken tegelijk kunt gebruiken.
2. De episodic buffer heeft een ongelimiteerde capaciteit.
Wat is waar?
A. Stelling 1 is waar, stelling 2 is niet waar
B. Stelling 2 is waar, stelling 1 is niet waar
C. Beide stellingen zijn waar
D. Beide stellingen zijn niet waar
4. Waarvoor is de fonologische cirkel niet belangrijk in het dagelijkse leven?
A. Het aanleren van taal
B. Je eigen acties sturen
C. Het opslaan van klanken en woorden
D. Het opslaan van visuele informatie
Mirke van der Voorden
, 5. Bij welke theorie over selectieve aandacht past de volgende beschrijving het beste?
De reden dat belangrijke berichten, waar we niet op focussen, toch bij ons binnenkomen is dat
berichten met een persoonlijke betekenis door het filter heen kunnen breken. Op die manier
horen we bijvoorbeeld onze eigen naam in een gesprek waar je je aandacht eigenlijk niet bij
hebt.
A. Broadbent’s model
B. Selective filter model
C. Attenuation model
D. Late-filter model
6. Wanneer ontwikkel je autobiografisch geheugen?
A. Vanaf 10 jaar
B. Vanaf 2 jaar
C. Dat verschilt per persoon
D. Vanaf 3 jaar
7. Pillemer en White (1989) stellen dat ontwikkeling van autobiografisch geheugen bijna gelijk
loopt aan dat van taal. Ook de manier waarop ouders herinneringen delen met hun kinderen
heeft invloed op de levendigheid van een herinnering. Met welke stijl zal de herinnering
waarschijnlijk het meest levendig worden?
A. Memory talk
B. Elaborative style
C. Pragmatic style
D. Know memory
8. Lees dit voorbeeld: ‘ik weet dat ik vroeger een rode fiets heb gekregen, maar ik kan het me
niet meer herinneren’. Waar is dit een voorbeeld van?
A. Know memory
B. Recollect memory
9. Wat is geen verklaring voor de ‘herinnering hobbel’?
A. De vroege volwassenheid is de tijd waarin iemand zich ‘vormt’, waardoor herinneringen
uit die tijd het meest onderscheidend zijn
B. Geheugenmechanismen hebben voorkeur voor herinneringen uit deze tijd, omdat de
herinneringen uit die tijd belangrijker zijn
C. De cognitieve neurologische functies werken het beste in deze tijd
D. Door hormonen worden de herinneringen uit deze tijd als intenser beleefd en blijven ze
beter hangen
Mirke van der Voorden
1. Volgens The Magical Number Seven is het kortetermijngeheugen gelimiteerd tot 5-9 chunks.
Stel dat je de volgende nummerreeks moet onthouden: 010-198-1876. Je onthoudt 010 als
code van Rotterdam, je onthoudt 198 omdat dat gelijk is aan je verjaardag (19 augustus) en
de laatste 4 cijfers onthoud je los. Uit hoeveel chunks bestaat deze nummerreeks nu voor
jou?
A. 10 chunks
B. 6 chunks
C. 3 chunks
D. 4 chunks
2. Lees de volgende stellingen:
1. Het primacy effect kan als volgt verklaard worden: de items die je als eerste leest,
hoeven niet te concurreren tegen eerdere items, waardoor je ze dus beter onthoudt.
2. Het recency effect kan als volgt verklaard worden: de items die je als laatste leest, zitten
nog in het kortetermijngeheugen waardoor je ze beter onthoudt.
Wat is waar?
A. Stelling 1 is waar, stelling 2 is niet waar
B. Stelling 2 is waar, stelling 1 is niet waar
C. Beide stellingen zijn waar
D. Beide stellingen zijn niet waar
3. Lees de volgende stellingen:
1. De drie componenten in het werkgeheugen werken onafhankelijk van elkaar, waardoor
je niet goed één component voor twee taken tegelijk kunt gebruiken.
2. De episodic buffer heeft een ongelimiteerde capaciteit.
Wat is waar?
A. Stelling 1 is waar, stelling 2 is niet waar
B. Stelling 2 is waar, stelling 1 is niet waar
C. Beide stellingen zijn waar
D. Beide stellingen zijn niet waar
4. Waarvoor is de fonologische cirkel niet belangrijk in het dagelijkse leven?
A. Het aanleren van taal
B. Je eigen acties sturen
C. Het opslaan van klanken en woorden
D. Het opslaan van visuele informatie
Mirke van der Voorden
, 5. Bij welke theorie over selectieve aandacht past de volgende beschrijving het beste?
De reden dat belangrijke berichten, waar we niet op focussen, toch bij ons binnenkomen is dat
berichten met een persoonlijke betekenis door het filter heen kunnen breken. Op die manier
horen we bijvoorbeeld onze eigen naam in een gesprek waar je je aandacht eigenlijk niet bij
hebt.
A. Broadbent’s model
B. Selective filter model
C. Attenuation model
D. Late-filter model
6. Wanneer ontwikkel je autobiografisch geheugen?
A. Vanaf 10 jaar
B. Vanaf 2 jaar
C. Dat verschilt per persoon
D. Vanaf 3 jaar
7. Pillemer en White (1989) stellen dat ontwikkeling van autobiografisch geheugen bijna gelijk
loopt aan dat van taal. Ook de manier waarop ouders herinneringen delen met hun kinderen
heeft invloed op de levendigheid van een herinnering. Met welke stijl zal de herinnering
waarschijnlijk het meest levendig worden?
A. Memory talk
B. Elaborative style
C. Pragmatic style
D. Know memory
8. Lees dit voorbeeld: ‘ik weet dat ik vroeger een rode fiets heb gekregen, maar ik kan het me
niet meer herinneren’. Waar is dit een voorbeeld van?
A. Know memory
B. Recollect memory
9. Wat is geen verklaring voor de ‘herinnering hobbel’?
A. De vroege volwassenheid is de tijd waarin iemand zich ‘vormt’, waardoor herinneringen
uit die tijd het meest onderscheidend zijn
B. Geheugenmechanismen hebben voorkeur voor herinneringen uit deze tijd, omdat de
herinneringen uit die tijd belangrijker zijn
C. De cognitieve neurologische functies werken het beste in deze tijd
D. Door hormonen worden de herinneringen uit deze tijd als intenser beleefd en blijven ze
beter hangen
Mirke van der Voorden