,Thema 1 – Onderzoeksmethoden
Wanneer zijn cross-sectionele onderzoeksopzetten bruikbaar?
Cross-sectioneel onderzoek leent zich heel goed voor de ontwikkeling, optimalisatie en
verificatie van meetinstrumenten die in de psychologie worden gebruikt. Het is een efficiënte
methode om in toegepast onderzoek de aanwezigheid en sterkte van theoretisch
veronderstelde relaties in kaart te brengen.
Cross-sectioneel onderzoek is geschikt wanneer:
● Er een momentopname nodig is om verbanden tussen variabelen te onderzoeken.
● De onderzoeksvraag geen longitudinale veranderingen vereist.
● Er behoefte is aan efficiënte en grootschalige dataverzameling zonder langdurige
follow-up.
● De studie gericht is op het ontwikkelen en valideren van meetinstrumenten.
● Er sprake is van toegepast onderzoek waarbij theoretische causaliteit wordt
aangenomen.
Voorbeeld onderzoeksvraag: “Is de structuur van het construct 'vertrouwen in autoriteiten'
hetzelfde in middelbare scholieren als in recent gepensioneerden?”
Cross-sectioneel onderzoek is minder geschikt voor:
● Het onderzoeken van oorzaak-gevolgrelaties.
● Het bestuderen van processen die zich over tijd ontwikkelen.
Wat zijn constructen?
Een construct is een niet-direct observeerbaar psychologisch concept dat wordt gemeten via
indicatoren. Voorbeelden zijn persoonlijkheid, motivatie en stress. Omdat constructen niet
rechtstreeks meetbaar zijn, moeten ze worden geoperationaliseerd in meetinstrumenten.
Psychologische constructen kunnen op verschillende manieren worden geïnterpreteerd,
afhankelijk van het ontologische perspectief. De ontologische soort bepaalt of factoranalyse
zinnig is. Er zijn vier ontologische perspectieven:
1. Natuurlijke soorten: Bestaan onafhankelijk van menselijke waarneming (bijvoorbeeld
atomen, zuurstof).
2. Sociale soorten: Bestaande categorieën die door mensen zijn gevormd en
afhankelijk zijn van menselijke afspraken (bijvoorbeeld extraversie als
persoonlijkheidstrek).
3. Praktische soorten: Constructen die gedefinieerd worden op basis van hun nut,
zonder dat ze een objectieve realiteit weerspiegelen (bijvoorbeeld een
intelligentiescore als voorspeller van academisch succes).
4. Complexe soorten: Netwerken van onderling verbonden gedragingen en kenmerken
die elkaar beïnvloeden (bijvoorbeeld depressie als verzameling van symptomen die
elkaar versterken).
, Meetinstrumenten
Meetmodellen beschrijven hoe de scores op items binnen een meetinstrument
samenhangen met het onderliggende construct:
● Reflectief meetmodel: Het latente construct (niet direct observeerbaar of meetbaar,
waarvan wordt aangenomen dat er een onderliggende oorzaak is van observeerbare
gedragingen of responsen) veroorzaakt de variatie in de itemscores; het construct
veroorzaakt de observaties. Bijvoorbeeld: extraversie als onderliggend kenmerk
bepaalt antwoorden op vragen over sociale interacties.
● Formatief meetmodel: De observaties definiëren en vormen samen het construct.
Bijvoorbeeld: socio-economische status wordt bepaald door inkomen,
opleidingsniveau en beroep.
● Netwerk-meetmodel: Het construct bestaat uit onderlinge interacties tussen
verschillende aspecten, zonder onderliggend construct. Bijvoorbeeld: depressie als
verzameling van symptomen die elkaar versterken.
Een meetinstrument bestaat uit: (1) items (vragen), (2) een responsmodel (hoe het item
wordt geïnterpreteerd), en (3) een aggregatiemethode (hoe de scores worden
gecombineerd).
Validiteit
Validiteit verwijst naar de mate waarin een meetinstrument meet wat het beoogt te meten.
Het is belangrijker dan betrouwbaarheid: een instrument kan betrouwbaar zijn, maar niet
valide. Verschillende soorten:
● Criteriumvaliditeit: kan de meting een relevant criterium voorspellen?
● Inhoudsvaliditeit: dekken de vragen het volledige construct?
● Convergente validiteit: samenhang met meetinstrumenten die hetzelfde construct
meten.
● Divergente validiteit: lage samenhang met meetinstrumenten die iets anders meten.
● Contentvaliditeit: betreft de beoordeling door experts
● Cognitieve validiteit: de mate waarin deelnemers de stimuli, procedure en
responsregistratie begrijpen zoals bedoeld.
● Constructvaliditeit: of het instrument het theoretische construct meet; meet het
instrument daadwerkelijk het bedoelde construct?
○ De relatie tussen beide: Als cognitieve validiteit ontbreekt (bijvoorbeeld
doordat respondenten een vraag verkeerd interpreteren), kan
constructvaliditeit niet worden gegarandeerd. Cognitieve validiteit is een
voorwaarde voor constructvaliditeit.
Stimuli en constructinhoud
De stimuli (vragen of items) moeten representatief zijn voor de inhoud van het construct. De
stimuli die in een meetinstrument worden gebruikt, moeten rechtstreeks verband houden
met de inhoud van het construct. Slecht geformuleerde of irrelevante stimuli kunnen de
validiteit van de meting verlagen. Bijvoorbeeld, een vraag over muzikale voorkeur is geen
geschikte stimulus om extraversie te meten, maar een vraag over sociale activiteiten kan dat
wel zijn.