HT
Samenvatting
Kamiel ter Heerdt (student)
,Inhoudsopgave
Verbintenisrechtelijke begrippen.................................................................2
1.1 Kernbegrippen...............................................................................................2
1.2 Rechtsfeiten................................................................................................... 2
1.3 Rechtens relevante handelingen....................................................................3
1.4 Meerzijdige rechtshandelingen......................................................................4
2.1 Rechtshandelingen........................................................................................5
4.1 Verbintenissen............................................................................................... 7
Overeenkomsten.........................................................................................9
2.3 Overeenkomsten............................................................................................ 9
2.4 Rechtsgevolgen van overeenkomsten..........................................................11
Nietigheid/vernietigbaarheid.....................................................................12
3.1 Nietigheid.................................................................................................... 12
3.2 Vernietigbaarheid......................................................................................... 12
3.3 Wijzen van vernietiging................................................................................14
3.4 Terugwerkende kracht..................................................................................15
(Niet-)nakoming........................................................................................15
5.1 Nakoming..................................................................................................... 15
5.3 Niet-nakoming............................................................................................. 17
5.4 Schade(vergoeding).....................................................................................20
5.5 Ontbinding................................................................................................... 21
Goederenrechtelijke begrippen..................................................................24
1.1 Goederen, zaken en vermogensrechten.......................................................24
1.2 Roerende en onroerende zaken...................................................................24
1.3 Hoofdzaak en bestanddeel...........................................................................25
1.4 (Niet-)registergoederen................................................................................25
2.1 Absolute en relatieve rechten......................................................................26
2.2 Kenmerken absolute rechten.......................................................................26
2.3 Volledige en beperkte rechten.....................................................................27
Eigendom................................................................................................. 28
3.1 Eigendom..................................................................................................... 28
3.2 Revindicatie................................................................................................. 29
3.3 Eigendomsverkrijging..................................................................................30
3.4 Eigendomsverlies......................................................................................... 31
Bezit en houderschap................................................................................32
4.1 Bezit en houderschap..................................................................................32
4.2 Bezitsverkrijging.......................................................................................... 34
Overdracht............................................................................................... 35
5.1 Verkrijging onder algemene titel..................................................................35
1
,Verbintenisrechtelijke begrippen
1.1 Kernbegrippen
Plaats verbintenissenrecht
- Het privaatrecht valt te verdelen in 4 deelgebieden waarvan 2 de
grote basis vormen, het personen- en familierecht en het
vermogensrecht.
- Het vermogensrecht valt te verdelen in het goederenrecht en het
verbintenissenrecht.
o Het goederenrecht gaat over de rechtsrelatie tussen een persoon
en een goed.
o Het verbintenissenrecht gaat over de rechtsrelatie tussen
personen.
Personen
- Het recht kent twee verschillende soorten personen:
1. Natuurlijke personen, dit is een mens van vlees en bloed.
2. Rechtspersonen, is iets dat gelijk staat aan een natuurlijk persoon.
Verbintenissen
- Een verbintenis is een rechtsrelatie tussen twee personen, waarbij
de ene partij verplicht is om een prestatie te leveren, en de andere
partij hier recht op heeft.
o De persoon die moet presteren is de schuldenaar.
o Degene die recht heeft op prestatie is de schuldeiser.
1.2 Rechtsfeiten
Gewone feiten en rechtsfeiten
- In het leven heb je te maken met verschillende gebeurtenissen,
feiten genoemd. Deze feiten kunnen onderverdeeld worden in
gewone feiten en rechtsfeiten:
o Gewone feiten hebben geen rechtsgevolg.
o Een rechtsfeit is een feit dat wel een rechtsgevolg heeft.
2
, Rechtens relevante handelingen en blote rechtsfeiten
- Rechtsfeiten vallen vervolgens op te splitsen in rechtens relevante
handelingen en blote rechtsfeiten.
o Blote rechtsfeiten zijn geen handelingen, maar hebben wel een
rechtsgevolg.
o Rechtsrelevante handeling is een handeling, die een rechtsgevolg
heeft.
1.3 Rechtens relevante handelingen
Rechtshandelingen en feitelijke handelingen
- Rechtsrelevante handelingen kunnen weer worden opgesplitst in
rechtshandelingen en feitelijke handelingen.
o Feitelijke handelingen, zijn handelingen die wel rechtsgevolg
hebben, maar daar niet op zijn gericht.
o Rechtshandelingen, zijn handelingen die zijn gericht op een
rechtsgevolg.
Art. 3:33 BW bepaalt: “Een rechtshandeling vereist een op een
rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft
geopenbaard.”
1. Er is een op een rechtsgevolg gerichte wil.
2. Die wil heeft zich door een verklaring geopenbaard.
(Wilsuiting)
Eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen
- Rechtshandelingen kunnen vervolgens worden opgesplitst in
eenzijdige rechtshandelingen en meerzijdige rechtshandelingen.
o Bij eenzijdige rechtshandelingen wordt het rechtsgevolg tot stand
gebracht door één persoon.
o Bij een meerzijdige rechtshandeling is het noodzakelijk dat twee
personen een rechtsgevolg tot stand brengen.
Let op! Een schenking is een meerzijdige rechtshandeling en
een gift een eenzijdige rechtshandeling.
(Niet-)persoonsgerichte rechtshandelingen
- Eenzijdige rechtshandelingen kunnen vervolgens worden opgesplitst
in persoonsgerichte en niet-persoonsgerichte rechtshandelingen.
o Een persoonsgerichte rechtshandeling, is een rechtshandeling
gericht tot een specifieke partij.
3