Canmedsrollen toepassen op een casus
- Zorgverlener = Je brengt in kaart welke vragen/problemen de patiënt heeft, welke dingen
kan de patiënt nog wel zelf, op basis hiervan zoek je uit welke verpleegkundige zorg hier het
beste bij past
- Communicator = Je communiceert op maat, met de patiënt, maar ook met diens naasten als
ook andere zorgverleners. Iedereen is anders denk hierbij aan culturele achtergrond,
laaggeletterdheid, maar ook de draagkracht van patiënt en naasten
- Samenwerkingspartner = Zorg afstemmen met de patiënt en naasten en andere
professionals uit de zorg. Zorg dat alle partijen de juiste informatie hebben.
- Reflectieve professional = In je werk ben je altijd op zoek naar beschikbare onderbouwing
voor je handelen: Evidence Bases Practice. Deze kan je ook toepassen in de praktijk.
Bewijsmateriaal uit wetenschappelijk onderzoek, eigen klinische vaardigheden en de
voorkeuren van de patiënt
- Gezondheidsbevorderaar = Beïnvloeden van de leefstijl en gezond gedrag van patiënten.
Hierbij wordt de wens van de zorgvrager vooropgesteld.
- Organisator = Coördinerende rol, beslist over de zorg die je patiënten verleent, zorg voor
patiënt veiligheid en geeft leiding bij veranderingen
- Professional en kwaliteitsbevorderaar = De zorg die je verleent past binnen de
wet-/regelgeving. Onderzoek of zorg ook aan kwaliteitseisen voldoet, waar nodig verbeteren
Een beroepscode bevat ethische en praktische normen en beginselen die de professional bij de
uitoefening van het beroep dient te hanteren
De beroepscode geeft de waarden en normen van de beroepsgroep. Hoewel de taken en
verantwoordelijkheden van verpleegkundigen en verzorgenden verschillen, komen de waarden en
normen van de beroepen overeen. Die waarden en normen maken duidelijk hoe je je beroep als
verpleegkundige op een goede manier kunt uitoefenen. Belangrijke waarden zijn bijvoorbeeld:
respect, rechtvaardigheid, niet-schaden en respect voor de autonomie van de zorgvrager. De
beroepscode voor verpleegkundigen biedt een leidraad in je dagelijkse functioneren als
verpleegkundige. Dit biedt handvaten hoe te handelen in diverse situaties. Daarnaast maakt de
beroepscode aan zorgvragers en hun naasten, mantelzorgers, andere zorgverleners, zorgaanbieders
en de samenleving als geheel duidelijk wat zij van jou als verpleegkundige mogen verwachten
Normen = ongeschreven regels over hoe je je hoort te gedragen (deur openhouden voor degene die
achter jou aan komt)
Waarden = geeft aan wat men wenselijk vindt (goed gedrag)
Het cliëntsysteem beschrijven aan de hand van de intra- en interpersoonlijke omgeving (inclusief
stressoren, coping en de 5 variabelen)
, Cliëntsysteem
Het cliëntsysteem wordt symbolisch voorgesteld als een centrale kern die door een aantal
beschermende cirkels wordt omgeven. De buitenste cirkel is de flexibele verdedigingslinie welke de
normale verdedigingslinie (normale gezondheidstoestand) beschermd. Hierbinnen liggen de
weerstandslijnen welke de laatste verdediging zijn voor de basisstructuur. De weerstandslijnen bevat
de coping strategieën. Onder ‘gezondheid’ verstaat Neuman optimale stabiliteit van het
cliëntsysteem. Deze stabiliteit ontstaat wanneer alle variabelen zoals genoemd bij het concept
‘mens’ in balans zijn met het geheel van het cliëntsysteem
NSM (5 variabelen = intraperoonlijk)
- Fysiologisch = functioneren van het lichaam, mate van gezondheid, lichaamstemperatuur,
voeding, etc
- Psychologisch = hoe zit je in je vel? Optimistisch of pessimistisch? Mentale belasting?
- Sociaal cultureel = sociaal functioneren in bijvoorbeeld een gemeenschap, groep of buurt
- Ontwikkeling = Levensfase, baan, leeftijd, etc
- Spiritueel = invloed van normen en waarden, overtuigingen, de zin van leven, geloof,
levensvragen, etc
Intern
- Intrapersoonlijk voorbeelden:
- Fysiologisch: fysieke mogelijkheden? Seksualiteit? Beweging?
- Psychologisch: karaktereigenschappen? Gedragskenmerken? Stemming?
- Sociaal cultureel: familieomstandigheden? Relaties? Maatschappelijke activiteiten?
- Ontwikkeling: functioneren binnen levensfase? Eerdere gebeurtenissen?
- Spiritueel: zingeving? Geloofsovertuiging? Normen en waarden?
Extern
- Interpersoonlijk voorbeelden
- Hoe ziet mijn sociale netwerk eruit?
o Wat is de omvang daarvan?
o Wat is de diversiteit daarvan?
o Zit er veel of weinig verandering in?
o Ben ik tevreden over mijn netwerk?
- Zorgverlener = Je brengt in kaart welke vragen/problemen de patiënt heeft, welke dingen
kan de patiënt nog wel zelf, op basis hiervan zoek je uit welke verpleegkundige zorg hier het
beste bij past
- Communicator = Je communiceert op maat, met de patiënt, maar ook met diens naasten als
ook andere zorgverleners. Iedereen is anders denk hierbij aan culturele achtergrond,
laaggeletterdheid, maar ook de draagkracht van patiënt en naasten
- Samenwerkingspartner = Zorg afstemmen met de patiënt en naasten en andere
professionals uit de zorg. Zorg dat alle partijen de juiste informatie hebben.
- Reflectieve professional = In je werk ben je altijd op zoek naar beschikbare onderbouwing
voor je handelen: Evidence Bases Practice. Deze kan je ook toepassen in de praktijk.
Bewijsmateriaal uit wetenschappelijk onderzoek, eigen klinische vaardigheden en de
voorkeuren van de patiënt
- Gezondheidsbevorderaar = Beïnvloeden van de leefstijl en gezond gedrag van patiënten.
Hierbij wordt de wens van de zorgvrager vooropgesteld.
- Organisator = Coördinerende rol, beslist over de zorg die je patiënten verleent, zorg voor
patiënt veiligheid en geeft leiding bij veranderingen
- Professional en kwaliteitsbevorderaar = De zorg die je verleent past binnen de
wet-/regelgeving. Onderzoek of zorg ook aan kwaliteitseisen voldoet, waar nodig verbeteren
Een beroepscode bevat ethische en praktische normen en beginselen die de professional bij de
uitoefening van het beroep dient te hanteren
De beroepscode geeft de waarden en normen van de beroepsgroep. Hoewel de taken en
verantwoordelijkheden van verpleegkundigen en verzorgenden verschillen, komen de waarden en
normen van de beroepen overeen. Die waarden en normen maken duidelijk hoe je je beroep als
verpleegkundige op een goede manier kunt uitoefenen. Belangrijke waarden zijn bijvoorbeeld:
respect, rechtvaardigheid, niet-schaden en respect voor de autonomie van de zorgvrager. De
beroepscode voor verpleegkundigen biedt een leidraad in je dagelijkse functioneren als
verpleegkundige. Dit biedt handvaten hoe te handelen in diverse situaties. Daarnaast maakt de
beroepscode aan zorgvragers en hun naasten, mantelzorgers, andere zorgverleners, zorgaanbieders
en de samenleving als geheel duidelijk wat zij van jou als verpleegkundige mogen verwachten
Normen = ongeschreven regels over hoe je je hoort te gedragen (deur openhouden voor degene die
achter jou aan komt)
Waarden = geeft aan wat men wenselijk vindt (goed gedrag)
Het cliëntsysteem beschrijven aan de hand van de intra- en interpersoonlijke omgeving (inclusief
stressoren, coping en de 5 variabelen)
, Cliëntsysteem
Het cliëntsysteem wordt symbolisch voorgesteld als een centrale kern die door een aantal
beschermende cirkels wordt omgeven. De buitenste cirkel is de flexibele verdedigingslinie welke de
normale verdedigingslinie (normale gezondheidstoestand) beschermd. Hierbinnen liggen de
weerstandslijnen welke de laatste verdediging zijn voor de basisstructuur. De weerstandslijnen bevat
de coping strategieën. Onder ‘gezondheid’ verstaat Neuman optimale stabiliteit van het
cliëntsysteem. Deze stabiliteit ontstaat wanneer alle variabelen zoals genoemd bij het concept
‘mens’ in balans zijn met het geheel van het cliëntsysteem
NSM (5 variabelen = intraperoonlijk)
- Fysiologisch = functioneren van het lichaam, mate van gezondheid, lichaamstemperatuur,
voeding, etc
- Psychologisch = hoe zit je in je vel? Optimistisch of pessimistisch? Mentale belasting?
- Sociaal cultureel = sociaal functioneren in bijvoorbeeld een gemeenschap, groep of buurt
- Ontwikkeling = Levensfase, baan, leeftijd, etc
- Spiritueel = invloed van normen en waarden, overtuigingen, de zin van leven, geloof,
levensvragen, etc
Intern
- Intrapersoonlijk voorbeelden:
- Fysiologisch: fysieke mogelijkheden? Seksualiteit? Beweging?
- Psychologisch: karaktereigenschappen? Gedragskenmerken? Stemming?
- Sociaal cultureel: familieomstandigheden? Relaties? Maatschappelijke activiteiten?
- Ontwikkeling: functioneren binnen levensfase? Eerdere gebeurtenissen?
- Spiritueel: zingeving? Geloofsovertuiging? Normen en waarden?
Extern
- Interpersoonlijk voorbeelden
- Hoe ziet mijn sociale netwerk eruit?
o Wat is de omvang daarvan?
o Wat is de diversiteit daarvan?
o Zit er veel of weinig verandering in?
o Ben ik tevreden over mijn netwerk?