1. Wat zijn de twee hoofdsymptomen van een depressieve stoornis?
A. Sombere stemming en verminderde interesse
B. Sombere stemming en gevoelens van waardeloosheid
C. Verhoogde stemming en verminderde interesse
D. Verminderde interesse en gevoelens van waardeloosheid
2. Stemming is niet afwijkend als:
A. Het context onafhankelijk is
B. Het proportioneel is
C. Er sprake is van toename van ernst
D. Het gedrag verstoort gedrag
3. Van een populatie is de prevalentie de proportie:
A. Nieuwe gevallen met een bepaald ziektebeeld in een bepaalde periode
B. Nieuwe gevallen met een bepaald ziektebeeld dat in een bepaalde periode
voorkómen kan worden
C. Bestaande gevallen met een bepaald ziektebeeld dat verwacht mag worden
gedurende een bepaalde periode
D. Bestaande gevallen met een bepaald ziektebeeld in een bepaalde periode
4. Nick is een veertienjarige jongen die na een fikse longontsteking, last blijft
houden van
vermoeidheidsklachten. Hierdoor verzuimt hij veel van school en kan hij het
uiteindelijk niet meer opbrengen om te gaan en blijft hij volledig thuis. Moeder
probeert iedere dag iets leuks met Nick te doen om te voorkomen dat hij
helemaal in de put raakt. Het gedrag van moeder is hier te beschrijven als een:
A. Predisponerende factor
B. Uitlokkende factor
C. In standhoudende factor
D. Beschermende factor
5. Sara (13) heeft al vanaf jonge leeftijd moeite met concentreren en is snel
overprikkeld. Sinds ze op de middelbare school zit, komt ze steeds meer in de
problemen met schooltaken en wordt ze regelmatig bestraft voor haar gedrag.
Welke factor vormt Sara’s moeite met prikkelverwerking het meest
waarschijnlijk?
A. Uitlokkende factor
B. Instandhoudende factor
C. Predisponerende factor
D. Beschermende factor
6. Rami (16) werd twee weken geleden op straat bedreigd met een mes.
Sindsdien heeft hij last van nachtmerries, vermijdt hij de straat waar het
gebeurde, en wil hij niet meer alleen naar buiten. Wat is de bedreiging op straat
in dit geval?
A. Instandhoudende factor
B. Beschermende factor
C. Uitlokkende factor
D. Predisponerende factor
,7. Een kind met een verlegen temperament heeft ouders die haar
overbeschermen, waardoor ze weinig sociale situaties ervaart. Ze ontwikkelt later
sociale angstklachten. Het overbeschermende gedrag van de ouders is:
A. Beschermend
B. Instandhoudend
C. Predisponerend
D. Uitlokkend
8. Welke van de onderstaande voorbeelden hoort het best bij een persoonlijke
predisponerende factor?
A. Negatieve rolmodellen in de buurt
B. Harde opvoedstijl van de ouders
C. Laag zelfbeeld en moeite met zelfcontrole
D. Schoolverzuim vanwege sociale uitsluiting
9. Milan (10) heeft een taalontwikkelingsstoornis. Hierdoor ervaart hij veel
frustratie op school, raakt snel geïrriteerd en heeft moeite om vriendjes te
maken. Dit leidt tot conflicten met klasgenoten. Zijn taalprobleem werkt hier als:
A. Uitlokkende factor
B. Instandhoudende factor
C. Predisponerende factor
D. Beschermende factor
10. Anna (15) heeft depressieve klachten. Haar ouders proberen haar elke dag op
te vrolijken door haar klusjes uit handen te nemen en haar veel aandacht te
geven. Dit gedrag is goedbedoeld, maar zorgt ervoor dat ze niet oefent met
zelfredzaamheid. Welk type factor is dit oudergedrag waarschijnlijk?
A. Uitlokkend
B. Instandhoudend
C. Predisponerend
D. Beschermend
11. Welk van de volgende factoren is het best te typeren als een uitlokkende
factor in de omgeving?
A. Overerfbare kwetsbaarheid voor angststoornissen
B. Verlies van een ouderfiguur na een echtscheiding
C. Opgroeien in een criminele wijk
D. Aanhoudende pesterijen op school
12. Een kind dat na een verhuizing geen aansluiting vindt op zijn nieuwe school,
voelt zich somber en sociaal geïsoleerd. De verhuizing werkt in deze situatie als:
A. Beschermende factor
B. Instandhoudende factor
C. Uitlokkende factor
D. Predisponerende factor
13. Welke uitspraak is het meest waar over predisponerende factoren?
A. Ze worden altijd veroorzaakt door de omgeving.
B. Ze zijn het directe gevolg van een trauma.
C. Ze vormen een kwetsbaarheid die de kans op problemen vergroot.
D. Ze verdwijnen als de stressor verdwijnt.
14. Een meisje van 14 met chronische angstklachten blijft thuis van school. Haar
ouders melden haar steeds ziek om haar te beschermen tegen stress. Hierdoor
,blijft ze in de angst hangen. Het gedrag van de ouders is een voorbeeld van:
A. Instandhoudende factor
B. Uitlokkende factor
C. Predisponerende factor
D. Beschermende factor
15. Lynn (11) plast af en toe in bed wanneer ze erg gestrest is. Volgens haar
ouders is ze ‘veel te oud voor dit gedrag’. Toch speelt het alleen thuis en zelden
op school. Op basis van de gegeven definitie, is dit voorbeeld het beste te
omschrijven als:
A. Een psychische stoornis
B. Afwijkend gedrag
C. Normaal gedrag binnen haar ontwikkelingsfase
D. Situationeel passend gedrag
16. Welke combinatie van kenmerken maakt volgens de definitie het meest
duidelijk dat afwijkend gedrag overgaat in een psychische stoornis?
A. Het gedrag wijkt af van leeftijdsgenoten en is uniek
B. Het gedrag komt vooral voor in één specifieke situatie en is tijdelijk
C. Het gedrag veroorzaakt lijdensdruk, komt voor in een herkenbaar patroon, en
belemmert ontwikkeling
D. Het gedrag is cultureel ongepast en moeilijk te begrijpen
17. Wat beschrijft het best het centrale uitgangspunt van de
ontwikkelingspsychopathologie?
A. Een stoornis is het gevolg van een hersenafwijking die zich in de kindertijd
manifesteert
B. Psychische stoornissen ontstaan pas als de normale ontwikkeling volledig
wordt onderbroken
C. Psychopathologie kan alleen begrepen worden als je het ziet in de context van
normale ontwikkeling
D. Kinderen met stoornissen hebben geen ontwikkelingspotentieel meer
18. De vraag “Wat is het effect van een stoornis op het verdere verloop van de
ontwikkeling?” hoort binnen welk onderwerp van de
ontwikkelingspsychopathologie?
A. De overgang van niet-pathologisch naar pathologisch gedrag
B. De relatie tussen vroege gebeurtenissen en latere stoornissen
C. De invloed van een stoornis op de uitingsvorm
D. De interactie tussen stoornis en ontwikkelingsverloop
19. In epidemiologisch onderzoek wordt vastgesteld dat in 2023 10.000 jongeren
in Nederland last hadden van angststoornissen. In datzelfde jaar kwamen er
1.500 nieuwe gevallen bij. Wat betekenen deze cijfers?
A. 10.000 = incidentie, 1.500 = prevalentie
B. 10.000 = prevalentie, 1.500 = incidentie
C. 10.000 = recurrence, 1.500 = incidentie
D. 10.000 = mortaliteit, 1.500 = prevalentie
20. Lisa (5) heeft veel moeite met nieuwe situaties, huilt bij kleine veranderingen
in haar routine, en reageert vaak negatief op onbekende mensen. Op basis van
de temperamentindelingen is dit gedrag het best te typeren als:
A. Slow-to-warm-up temperament
B. Teruggetrokken karakter
,C. Moeilijk temperament
21. Welke copingstrategie past het best bij een kind dat zijn boosheid na
pesterijen afreageert door te gaan sporten en op die manier spanning kwijt
raakt?
A. Vermijdende coping
B. Disfunctionele coping
C. Functionele coping
22. Welke van de volgende verdedigingsmechanismen valt onder het actieniveau
als onbewuste strategie die mensen gebruiken om angst te verminderen?
A. Passieve agressie
B. Sublimatie
C. Isolatie van affect
D. Affiliatie
23. In een gezin waar een ouder voortdurend wisselt tussen het straffen en
negeren van ongewenst gedrag van het kind, ontstaat verwarring bij het kind
over welke gedragingen acceptabel zijn. Dit patroon is het best te beschrijven
als:
A. Expressed emotion
B. Inconsistente discipline
C. Apathische terugtrekking
D. Covert triangulatie
24. Een jongen van 12 komt in de knel tussen zijn ouders, die in scheiding liggen.
Beide ouders geven hem subtiele signalen dat hij vooral hun kant moet kiezen,
zonder het conflict openlijk te maken. Deze situatie duidt op:
A. Overt triangulatie
B. Covert triangulatie
C. Teruggetrokken coping
D. Splitsing van het zelfbeeld
25. Wat is het unieke kenmerk van het classificatiesysteem DC:0–3R?
A. Het is uitsluitend gebaseerd op biologische factoren
B. Het richt zich op volwassenen met cognitieve stoornissen
C. Het is ontworpen voor kinderen van 0 tot 3 jaar en houdt rekening met de
ouder-kindrelatie
D. Het meet de ernst van depressieve symptomen via hersenscans
26. Welk classificatiemodel classificeert niet op basis van observeerbare
symptomen, maar op basis van onderliggende hersenprocessen?
A. DSM-5
B. ASEBA
C. RDoC
D. SDQ
27. Een psycholoog gebruikt de ASEBA-vragenlijst en ziet dat een kind hoog
scoort op externaliserende problemen. Wat zegt dit over het type classificatie dat
wordt gebruikt?
A. Het betreft een categorale classificatie
B. Het betreft een dimensionele classificatie
C. Het betreft een syndromale classificatie
D. Het betreft een systeembenadering
, 28. Wat is een juist kenmerk van een syndroom in de context van classificatie?
A. Het is een enkel symptoom dat richtinggevend is voor diagnostiek
B. Het is een biologische oorzaak van een psychische stoornis
C. Het is een combinatie van symptomen die vaak samen optreden
D. Het is de beschrijving van de etiologie van een stoornis
29. ICD-10 is een dimensioneel classificatiesysteem die symptomen op een
continuüm plaatst
A. Juist
B. Onjuist
30. De CBCL vragenlijst is een categoriaal classificatie systeem die
internaliserende, externaliserende en sociale problemen classificeert
A. Juist
B. Onjuist
31. Welke van de onderstaande beweringen is correct met betrekking tot
angststoornissen bij kinderen en adolescenten?
A. Angststoornissen komen significant vaker voor bij meisjes dan bij jongens.
B. Een angststoornis is pas klinisch relevant als het kind zich ervan bewust is dat
de angst irreëel is.
C. Angststoornissen zijn de meest voorkomende vorm van psychopathologie bij
kinderen en adolescenten.
D. De prevalentie van angststoornissen in Nederland onder kinderen is ongeveer
6%, en internationaal veel hoger (30-40%).
32. Een 7-jarig meisje weigert sinds enkele weken om naar school te gaan. Ze
vertoont hevige paniek bij het afscheid nemen van haar ouders, heeft buikpijn bij
het idee dat ze van huis moet, en kan alleen slapen als een ouder bij haar blijft.
In sociale situaties zoals verjaardagsfeestjes is ze echter spraakzaam en op haar
gemak.
Wat is op basis van deze informatie de meest waarschijnlijke DSM-classificatie?
A. Sociale angststoornis
B. Selectief mutisme
C. Separatieangststoornis
D. Gegeneraliseerde angststoornis
33. Welke van de volgende stellingen over selectief mutisme is juist?
A. Selectief mutisme wordt vaak veroorzaakt door een taalontwikkelingsstoornis
of neurologische afwijking.
B. Kinderen met selectief mutisme spreken meestal helemaal niet, ook niet thuis.
C. Selectief mutisme moet ten minste twee maanden aanhouden om van een
stoornis te spreken.
D. Selectief mutisme komt tot uiting in situaties waarin van het kind verwacht
wordt dat het spreekt, ondanks dat het dit in andere situaties wél kan.
34. Een adolescent vermijdt bruggen en tunnels omdat hij bang is dat hij daar
"vast komt te zitten" en niet kan ontsnappen. Hij krijgt hevige angstreacties
wanneer hij wél door een tunnel moet rijden, inclusief hartkloppingen, zweten en
duizeligheid. In andere situaties voelt hij zich relatief rustig. Wat is hier de meest
passende DSM-5-classificatie?