BURGERLIJK PROCESRECHT
W. Heemskerk et al, W. Hugenholtz & W.H. Heemskerk. Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk
procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2021 of 2024.
Gemaakt door: Fleur te Wierik
Jaar: 2024-2025
Module: RS0212-232714B
,Leereenheid 1 – hoofdbeginselen van het burgerlijk procesrecht
Hoofdstuk 1, nummers 1,2,3,5 en 7
Aard en functie van het burgerlijk procesrecht
Het burgerlijk procesrecht is het geheel van rechtsregels dat voor het burgerlijk proces geldt. Dit
zijn, anders gezegd, de spelregels van het burgerlijk geding. Het burgerlijk procesrecht in juridische
zin kan men omschrijven als:
§ Het voortgaan (procederen) van een onzekere of betwiste tot een zekere en onbetwistbare
rechtstoestand door een aan regels onderworpen rechtsstrijd of geding, gevoerd voor een
orgaan dat tot beslissing in dit geding bevoegd is.
Tevoren staat niet vast wat de relevante feiten zijn en welke rechtsnormen daarop toepasselijk zijn.
De feitelijke en rechtstoestand tussen partijen in een geschil is onzeker en betwist. Het burgerlijk
procesrecht heeft ten doel aan deze onzekerheid en strijd een einde te maken door een vonnis van
de rechter, dat partijen bindt. Door het vonnis wordt een nieuw recht gevormd, ook al is de gelding
van dat recht in beginsel beperkt tot partijen.
Materieel en formeel privaatrecht
Gewoonlijk wordt het burgerlijk recht aangeduid als materieel procesrecht en het burgerlijk
procesrecht als formeel privaatrecht. Het burgerlijk procesrecht bestaat voor een groot deel uit
procedureregels en vormvoorschriften, maar bevat ook bepalingen ook bepalingen van materiële
aard (zoals die waarin bevoegdheden aan rechters, procespartijen, advocaten en deurwaarders
worden toegekend).
Het bewijsrecht, dat zowel materiële en als formele regels kent, wordt gerekend tot het burgerlijk
procesrecht. Het bewijsrecht is geplaatst in het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.
Het burgerlijk recht biedt ook middelen tot verwezenlijking van de in een vonnis of in een andere
executoriale titel vastgestelde rechten. Door de tenuitvoerlegging of executie met dwangmiddelen
wordt de feitelijke toestand in overeenstemming gebracht met de rechtstoestand, zoals vastgesteld
in het rechterlijke vonnis of in de andere executoriale titel.
§ Eigenrichting is ongeoorloofd en rechtmatig.
§ De tenuitvoerlegging van vonnissen of andere executoriale titels geschiedt door een
(openbaar) ambtenaar, de gerechtsdeurwaarders, zo nodig bijgestaan door de ‘sterke arm’
(de politie).
Wetgeving, verdragen en EU-vorderingen
De Grondwet bepaalt in artikel 107 dat de wet het burgerlijk procesrecht regelt in een algemeen
wetboek. Dit is geschied in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat op 1 oktober 1838 is
ingevoerd.
Het Wetboek van Rechtsvordering heeft vier boeken:
- Boek I: de wijze van procedure voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Boek II: Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen, beschikkingen en authentieke
akten
- Boek III: Van rechtspleging van onderscheiden aard.
- Boek IV: Arbitrage
De organisatie van de rechterlijke macht, het bestuur en de bevoegdheid van de gerechten zijn
geregeld in de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO).
Naast de Wet RO zijn van belang:
§ Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
§ Advocatenwet
, § Gerechtsdeurwaarderswet
§ Wet op de rechterlijke indeling
§ Wet griffierechten burgerlijke zaken met het daarbij behorend Besluit en Regeling
In verband met het Wetboek van Rechtsvordering moeten in het bijzonder worden genoemd: de Wet
op de rechtsbijstand en de Algemene termijnenwet.
Enige internationale verdragen op het gebied van burgerlijke rechtsvordering, waarbij Nederland is
aangesloten, zijn:
§ Het EEG Executieverdrag
§ Het verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging
van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 2007 – kort aangeduid als: Verdrag van
Lugano.
§ Het Betekenisverdrag 1965
§ Het Rechtsverordeningsverdrag 1954
§ Het bewijsverdrag 1970
§ Het verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale geschillen 1980
Voor arbitrage is nog van belang het Verdrag van New York van 1968.
Voor het burgerlijk procesrecht wordt het Europees recht steeds belangrijker, omdat
rechtsverhoudingen vaker grensoverschrijdend zijn. Daarom krijgen Nederlandse rechtzoekenden en
de Nederlandse rechter vaker te maken met internationale geschillen, waarbij ook buitenlandse
partijen zijn betrokken.
Hoofdbeginselen
Het burgerlijk procesrecht wordt slechts in beperkte mate beheerst door fundamentele
rechtsbeginselen, die in alle landen en alle tijden onder alle omstandigheden en voor alle soorten
procedures zouden gelden. Van fundamenteel belang mag worden geacht dat beide partijen een
gelijkwaardige positie in het geding innemen en gelijke kansen krijgen hun belangen te verdedigen.
Enkele beginselen zijn in de Grondwet erkend. Van grote betekenis is ook artikel 6 van het EVRM,
waarin is neergelegd aan welke voorwaarden een eerlijk proces moet voldoen.
Sinds 30 augustus 2022 is het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke rechter ook
neergelegd in artikel 17 lid 1 van de Grondwet. Hiermee heeft de wetgever beoogd de materiële
waarborgen die artikel 6 EVRM biedt in de Grondwet te verankeren, ook voor procedures die buiten
het toepassingsbereik van artikel 6 EVRM.
Als hoofdbeginselen van zo fundamentele aard, dat bij het ontbreken daarvan een behoorlijk civiel
proces niet kan worden gevoerd of in gevaar wordt gebracht en de procedure niet ten volle aan zijn
doel kan beantwoorden, kunnen de volgende worden aangemerkt:
§ Hoor en wederhoor
§ Onpartijdigheid van de rechter
§ Openbaarheid van behandeling en uitspraak
§ Motivering van de beslissing
Als hoofdbeginselen in de zin van hoofdkenmerken van ons burgerlijk procesrecht, die niet volstrekt
onmisbaar zijn, maar wel van invloed zijn op de aard en kwaliteit van de burgerlijke rechtspleging,
zijn de volgende te noemen:
§ Partijautonomie
§ Onderzoek en beslissing in twee instanties
§ Toezicht op de rechtspraak door het middel van cassatie
§ Verplichte procesvertegenwoordiging
, - Hoor en wederhoor
Het recht op hoor en wederhoor (audi et alteram partem) is het moeilijkste weg te denken beginsel
van ons procesrecht. Ook arbitrale uitspraken en uitspraken van buitenlandse rechters kunnen in
het kader van de erkenning en tenuitvoerlegging aan dit vereiste worden getoetst. In artikel 19 Rv is
het beginsel van hoor en wederhoor nader uitgewerkt.
Uit het beginsel van hoor en wederhoor vloeit het recht van partijen voort om kennis te nemen van,
en zich te kunnen uitlaten over, alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en
waarop de rechter zich baseert bij het doen van zijn uitspraak. Dit brengt mee dat aan beide partijen
in gelijke mate het recht toekomt om door de rechter te worden gehoord (mondeling of schriftelijk),
zich op geiten en rechten te beroepen en bewijs te leveren.
- Onpartijdigheid van de rechter
Een vereiste voor goede rechtspraak is dat de rechter onbevooroordeeld tegenover de partijen hun
geschil staat. Hij dient zonder vooringenomenheid en niet beïnvloed door druk van welke zijde ook
de behandeling van de zaak te leiden en daarin beslissing te geven. Ook de schijn van partijdigheid
moet worden vermeden.
Zodra een bepaald geval feiten of omstandigheden bestaan waardoor de onpartijdigheid van een
rechter in gevaar zou kunnen komen, kan die rechter door een partij worden gewraakt en kan de
rechter zelf verzoeken zich te mogen verschonen artikel 36-41 Rv.
Het beginsel van onpartijdigheid vloeit voort uit dat van de gelijke behandeling van partijen in een
proces. Een voorwaarde voor rechterlijke onpartijdigheid is rechterlijke onafhankelijkheid: de rechter
dient onafhankelijk te staan ten opzichte van degene die hem heeft benoemd, ten opzichte van
partijen en ten opzichte van derden. Ook het recht op een behandeling door een onafhankelijke
rechter is opgenomen in artikel 17 lid 1 Grondwet.
- Openbaarheid van behandeling en uitspraak
Openbaarheid van rechtsprak bedoelt een waarborg voor een onpartijdige behandeling te zijn en
heeft daarmee ene preventieve werking. Zij kan wantrouwen bij het publiek ten aanzien van de gang
van zaken bij de rechtspleging voorkomen en voor de rechter een aansporing zijn om op te treden op
een wijze die het vertrouwen van het publiek verdient.
Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar
plaats en geschiedt de uitspraak van vonnissen in het openbaar, artikel 121 Gw, 4 en 5 Wet RO en
artikel 27 en 29 lid 1 Rv. Dit geldt ook voor verzoekschriften en beschikkingen.
Het beginsel is ook neergelegd in artikel 6 EVRM, waarin tevens voor bepaalde daarin genoemde
gevallen de mogelijkheid is gegeven uitzonderingen daarop te maken. Deze uitzonderingen zijn
overgenomen in artikel 27 lid 1 Rv, dat bepaalt dat de rechter gehele of gedeeltelijke behandeling
met gesloten deuren of slechts met toelating van bepaalde personen kan bevelen.
Een belangrijk element van de openbare behandeling van een zaak is dat partijen in beginsel recht
hebben op mondelinge behandeling van hun zaak. Met de inwerkingtreding van de Spoedwet KEI op
1 oktober 2019 is het recht op ‘pleidooi’ vervallen, maar het recht van partijen om hun standpunten
mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten is blijven bestaan artikel 87 lid 8 Rv. Een
verzoek om een mondeling behandeling mag dan ook slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden
afgewezen.
§ De beraadslaging en de besluitvorming in de rechterlijke colleges geschieden in de
raadkamer, hetgeen wel zeggen: niet in het openbaar.