HOORCOLLEGE 1
WAT IS STAATSRECHT?
Staatsrecht = Constitutioneel recht
Staatsrecht vormt het fundament van de democratische staat en regelt hoe de staat is ingericht, welke
bevoegdheden de staatsorganen hebben, hoe zij met elkaar omgaan en hoe burgers invloed kunnen
uitoefenen op het functioneren van de staat. Ook worden in het staatsrecht de grondrechten van burgers
geregeld, evenals de totstandkoming, gelding en handhaving van wetten en regels.
Rechten van de staat als organisatorisch verband:
1. Inrichting van de staat: Hoe de staat georganiseerd is, welke bevoegdheden de verschillende
organen hebben en de onderlinge verhouding.
2. Invloed van burgers: De mate waarin burgers kunnen invloed kunnen uitoefenen op het
functioneren van de staat.
3. Grondrechten van burgers: Basisrechten van burgers, zoals vrijheid van meningsuiting, privacy,
etc., die de staat moet respecteren.
4. Totstandkoming van het recht: Hoe wetten en regels ontstaan, hun rechtskracht (gelding), en
hoe de naleving (handhaving) daarvan wordt gewaarborgd.
Bestuursrecht
Het bestuursrecht betreft de regels die bepalen hoe de staat bestuurd moet worden. Het gaat onder
andere over de manier waarop de overheid beslissingen neemt, hoe deze worden uitgevoerd en welke
rechten burgers hebben in hun relatie met de overheid.
Vragen die het staatsrecht behandelt:
1. Welke bevoegdheden zijn toegekend aan staatsorganen?
2. Wat houden deze bevoegdheden in?
3. Welke grenzen zijn er aan de uitoefening van die bevoegdheden?
4. Wie ziet toe op de naleving van deze bevoegdheden?
DE STAAT
Voor de erkenning als staat gelden de volgende criteria:
1. Grondgebied (territorium):
o Afgebakende landgrenzen die zijn vastgelegd in verdragen.
o Zeegrenzen die zijn vastgesteld in internationale verdragen.
o Luchtruim boven het territorium.
2. Hoogste gezag:
o Exclusieve zeggenschap van de staat over het eigen grondgebied.
, o De mogelijkheid om eenzijdig wetten vast te stellen en te handhaven.
o Het geweldsmonopolie: alleen de staat mag geweld gebruiken om orde te handhaven.
o Soevereiniteit: een staat soeverein is, de eigen lotsbestemming en koers mag kiezen,
geen interventies op het grondgebied door andere staten heeft te dulden, en niet
bedreigd of aangevallen mag worden door andere staten.
3. Gemeenschap van mensen:
o Een bevolking die zich met elkaar verbonden voelt door taal, cultuur, enzovoort.
4. Erkenning door andere staten:
o De staat moet door een voldoende aantal andere staten worden erkend.
BRONNEN VAN STAATSRECHT
De constitutie van een staat vormt de basisstructuur en bevat regels over bevoegdheden, instellingen,
procedures, rechten van burgers, rechtspraak, en staatsorganen. Bronnen van het staatsrecht zijn:
• Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden:
Regelt de organisatie van het Koninkrijk en de onderlinge verhouding tussen Nederland en de
andere landen binnen het Koninkrijk.
• Grondwet:
Bevat de regels over de inrichting en het functioneren van de Nederlandse staat, de
staatsorganen en de verdeling van staatsmacht. Ook zijn hier de grondrechten van burgers
vastgelegd.
• Verdragen en Europese wetgeving:
Internationale afspraken tussen staten die rechtstreeks doorwerken in de Nederlandse
rechtsorde.
• Gewoonterecht:
Ongeschreven recht gebaseerd op bestendig gebruik en een juridische overtuiging (opinio luris).
• Organieke wetten:
Wetten die voortkomen uit de Grondwet, bijvoorbeeld de Kieswet.
• wetten
RECHTSSTAAT
Een rechtsstaat is een staat waarin de macht van de overheid beperkt wordt door het recht. Nederland is
een parlementaire democratie met de volgende kenmerken:
• De macht van de staat is verdeeld over verschillende organen of personen.
Spreiding en scheiding van machten (trias politica): De wetgevende, uitvoerende en
rechtsprekende macht zijn gescheiden.
• Legaliteitsbeginsel: De overheid mag alleen optreden op basis van democratisch tot stand
gekomen algemene regels.
, • Onafhankelijke rechtspraak: Burgers kunnen zich wenden tot een onafhankelijke rechter voor
bescherming tegen onrechtmatig overheidsoptreden.
• Burgers hebben fundamentele rechten die door de overheid moeten worden gerespecteerd.
PARLEMENTAIRE DEMOCRATIE
ONTSTAAN VAN DE PARLEMENTAIRE DEMOCRATIE
De Nederlandse parlementaire democratie is ontstaan met de grondwetten van 1814 en 1815. De Staten-
Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk. In de vroegere periode lag de uitvoerende
macht in handen van de koning en de aan hem ondergeschikte ministers.
Belangrijke kenmerken van deze periode:
• Koning en Staten-Generaal vaardigen gezamenlijk wetten uit en vormen samen de formele
wetgever.
• Koning: De taken die niet in de Grondwet zijn toebedeeld aan de formele wetgever behoren tot de
bevoegdheden van de koning als regeringshoofd.
o Voorbeeld: Besluiten zoals de vaststelling van de Nederlandse officiële taal en de
bevoordeling van protestanten werden door de koning genomen.
o Voorbeeld: De afscheiding van België in 1831, wat leidde tot veranderingen in de
politieke en juridische structuur van Nederland.
Ontwikkelingen in de grondwet:
• Grondwet 1840:
Koninklijke besluiten moeten mede worden ondertekend door een minister (contraseign).
• Grondwet 1848:
o Invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid.
o Rechtstreeks kiesrecht.
o Staten-Generaal kregen bevoegdheden om de regering te controleren.
o De koning benoemde niet langer de leden van de Eerste Kamer.
In Nederland hebben we een parlement met rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordigers die deel
uitmaken van de wetgevende macht en de regering controleren. De regering, minister en staatsecretaris
hebben het vertrouwen van een meerderheid van het parlement nodig om te blijven regeren
(vertrouwensregel). De burgers hebben invloed op het beleid via de volksvertegenwoordiging.
Spreiding en scheiding van macht: Trias Politica (opgemaakt door montesquie)
De staat kan over de gemeenschap beslissingen nemen = macht
De macht van de staat is verdeeld over drie machten:
1. Wetgevende macht:
Uitvaardigen van (maakt) de wetten en regels (regering + Staten-Generaal, art. 81 GW).
WAT IS STAATSRECHT?
Staatsrecht = Constitutioneel recht
Staatsrecht vormt het fundament van de democratische staat en regelt hoe de staat is ingericht, welke
bevoegdheden de staatsorganen hebben, hoe zij met elkaar omgaan en hoe burgers invloed kunnen
uitoefenen op het functioneren van de staat. Ook worden in het staatsrecht de grondrechten van burgers
geregeld, evenals de totstandkoming, gelding en handhaving van wetten en regels.
Rechten van de staat als organisatorisch verband:
1. Inrichting van de staat: Hoe de staat georganiseerd is, welke bevoegdheden de verschillende
organen hebben en de onderlinge verhouding.
2. Invloed van burgers: De mate waarin burgers kunnen invloed kunnen uitoefenen op het
functioneren van de staat.
3. Grondrechten van burgers: Basisrechten van burgers, zoals vrijheid van meningsuiting, privacy,
etc., die de staat moet respecteren.
4. Totstandkoming van het recht: Hoe wetten en regels ontstaan, hun rechtskracht (gelding), en
hoe de naleving (handhaving) daarvan wordt gewaarborgd.
Bestuursrecht
Het bestuursrecht betreft de regels die bepalen hoe de staat bestuurd moet worden. Het gaat onder
andere over de manier waarop de overheid beslissingen neemt, hoe deze worden uitgevoerd en welke
rechten burgers hebben in hun relatie met de overheid.
Vragen die het staatsrecht behandelt:
1. Welke bevoegdheden zijn toegekend aan staatsorganen?
2. Wat houden deze bevoegdheden in?
3. Welke grenzen zijn er aan de uitoefening van die bevoegdheden?
4. Wie ziet toe op de naleving van deze bevoegdheden?
DE STAAT
Voor de erkenning als staat gelden de volgende criteria:
1. Grondgebied (territorium):
o Afgebakende landgrenzen die zijn vastgelegd in verdragen.
o Zeegrenzen die zijn vastgesteld in internationale verdragen.
o Luchtruim boven het territorium.
2. Hoogste gezag:
o Exclusieve zeggenschap van de staat over het eigen grondgebied.
, o De mogelijkheid om eenzijdig wetten vast te stellen en te handhaven.
o Het geweldsmonopolie: alleen de staat mag geweld gebruiken om orde te handhaven.
o Soevereiniteit: een staat soeverein is, de eigen lotsbestemming en koers mag kiezen,
geen interventies op het grondgebied door andere staten heeft te dulden, en niet
bedreigd of aangevallen mag worden door andere staten.
3. Gemeenschap van mensen:
o Een bevolking die zich met elkaar verbonden voelt door taal, cultuur, enzovoort.
4. Erkenning door andere staten:
o De staat moet door een voldoende aantal andere staten worden erkend.
BRONNEN VAN STAATSRECHT
De constitutie van een staat vormt de basisstructuur en bevat regels over bevoegdheden, instellingen,
procedures, rechten van burgers, rechtspraak, en staatsorganen. Bronnen van het staatsrecht zijn:
• Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden:
Regelt de organisatie van het Koninkrijk en de onderlinge verhouding tussen Nederland en de
andere landen binnen het Koninkrijk.
• Grondwet:
Bevat de regels over de inrichting en het functioneren van de Nederlandse staat, de
staatsorganen en de verdeling van staatsmacht. Ook zijn hier de grondrechten van burgers
vastgelegd.
• Verdragen en Europese wetgeving:
Internationale afspraken tussen staten die rechtstreeks doorwerken in de Nederlandse
rechtsorde.
• Gewoonterecht:
Ongeschreven recht gebaseerd op bestendig gebruik en een juridische overtuiging (opinio luris).
• Organieke wetten:
Wetten die voortkomen uit de Grondwet, bijvoorbeeld de Kieswet.
• wetten
RECHTSSTAAT
Een rechtsstaat is een staat waarin de macht van de overheid beperkt wordt door het recht. Nederland is
een parlementaire democratie met de volgende kenmerken:
• De macht van de staat is verdeeld over verschillende organen of personen.
Spreiding en scheiding van machten (trias politica): De wetgevende, uitvoerende en
rechtsprekende macht zijn gescheiden.
• Legaliteitsbeginsel: De overheid mag alleen optreden op basis van democratisch tot stand
gekomen algemene regels.
, • Onafhankelijke rechtspraak: Burgers kunnen zich wenden tot een onafhankelijke rechter voor
bescherming tegen onrechtmatig overheidsoptreden.
• Burgers hebben fundamentele rechten die door de overheid moeten worden gerespecteerd.
PARLEMENTAIRE DEMOCRATIE
ONTSTAAN VAN DE PARLEMENTAIRE DEMOCRATIE
De Nederlandse parlementaire democratie is ontstaan met de grondwetten van 1814 en 1815. De Staten-
Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk. In de vroegere periode lag de uitvoerende
macht in handen van de koning en de aan hem ondergeschikte ministers.
Belangrijke kenmerken van deze periode:
• Koning en Staten-Generaal vaardigen gezamenlijk wetten uit en vormen samen de formele
wetgever.
• Koning: De taken die niet in de Grondwet zijn toebedeeld aan de formele wetgever behoren tot de
bevoegdheden van de koning als regeringshoofd.
o Voorbeeld: Besluiten zoals de vaststelling van de Nederlandse officiële taal en de
bevoordeling van protestanten werden door de koning genomen.
o Voorbeeld: De afscheiding van België in 1831, wat leidde tot veranderingen in de
politieke en juridische structuur van Nederland.
Ontwikkelingen in de grondwet:
• Grondwet 1840:
Koninklijke besluiten moeten mede worden ondertekend door een minister (contraseign).
• Grondwet 1848:
o Invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid.
o Rechtstreeks kiesrecht.
o Staten-Generaal kregen bevoegdheden om de regering te controleren.
o De koning benoemde niet langer de leden van de Eerste Kamer.
In Nederland hebben we een parlement met rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordigers die deel
uitmaken van de wetgevende macht en de regering controleren. De regering, minister en staatsecretaris
hebben het vertrouwen van een meerderheid van het parlement nodig om te blijven regeren
(vertrouwensregel). De burgers hebben invloed op het beleid via de volksvertegenwoordiging.
Spreiding en scheiding van macht: Trias Politica (opgemaakt door montesquie)
De staat kan over de gemeenschap beslissingen nemen = macht
De macht van de staat is verdeeld over drie machten:
1. Wetgevende macht:
Uitvaardigen van (maakt) de wetten en regels (regering + Staten-Generaal, art. 81 GW).