psychologie – Samenvatting
artikelen
Hoorcollege 1: Nut en noodzaak van de theorie voor de behandeling van psychopathologie
Eshuis, J. (2023). Wetenschap en praktijk. In H.T. Van der Molen (4e druk), Klinische psychologie:
Theorieën en psychopathologie. (pp. 163-178). Noordhoff Uitgevers.
Een theorie zorgt ervoor dat we kunnen verklaren hoe de wereld werkt, dat we kunnen voorspellen
hoe deze in de toekomst zal werken en dat we de wereld dus tot op zekere hoogte kunnen
controleren. Om dit mogelijk te maken moet een theorie zo goed mogelijk aansluiten op de
werkelijkheid het waarheidsgehalte van een theorie moet zo hoog mogelijk zijn.
Inductie = het optellen van waarnemingen.
Inductieprobleem = hoeveel waarnemingen zijn er nodig om een theorie te kunnen bevestigen?
Deductie = het volstrekt logisch afleiden van een specifieke hypothese met specifieke voorspellingen
uit een algemene theorie. Zolang de voorspellingen uitkomen, mogen we de theorie accepteren als
aannemelijk, maar nooit als waarheid (Popper).
Theorie geladen = er is al een verwachting over wat we gaan zien voordat er een observatie
plaatsvindt. Deze verwachting stuurt onze waarneming.
Paradigma/Onderzoeksprogramma = verzameling aan basisprincipes, theorieën, methoden en
technieken.
Pragmatische opvatting = het kiezen van uitgangspunten waarmee succes behaald wordt.
Wetenschap wordt gedefinieerd als een poging om op de meest succesvolle manier met de wereld
om te gaan. Daarom wordt binnen deze opvatting niet op het waarheidsgehalte, maar de waarde
van ons handelen gefocust.
Determinisme = aanname dat alles in de wereld bepaald wordt door de blinde werking van causale
mechanismen. Staat aan de basis bij heel veel wetenschappelijke systemen.
Reductionisme = hierbij wordt ervan uitgegaan dat verklaringen voor fenomenen herleidbaar zijn
naar onderliggende niveaus (bv. van sociaal naar psychologisch of van psychologisch naar
fysiologisch). Gaat vaak samen met determinisme.
Voorbeelden determinisme:
- Neurobiologische benadering (hierbij ook reductionisme)
- Leertheoretische benadering
- Cognitieve benadering
Hermeneutische methode = kritiek op determinisme/reductionisme (je kunt mensen niet
terugleiden tot natuurwetenschappelijke wetten die altijd en overal gelden). Met de
hermeneutische methode verklaren we gedrag niet naar natuurwetenschappelijk, maar proberen
we invoelend te begrijpen wat zich afspeelt in de belevingswereld van een persoon. Hierbij wordt
een empathische houding aangenomen, waardoor de ervaringen van een ander worden herbeleefd
om deze vervolgens binnen hun sociaalhistorische context te interpreteren. Via deze manier zou een
dieper begrip van de geestelijke wereld van een ander kunnen ontstaan.
,Voorbeelden hermeneutische methode:
- Innerlijk conflict (psychodynamische benadering): gedrag wordt gestuurd door innerlijke
conflicten (hier zit dus wel een deterministische kant aan, maar de psychodynamische
benadering is interpretatief van aard). Het gaat om persoonlijkheidsverandering en de
kwaliteit van leven verbeteren en dus niet het veranderen van één mechanisme. De
interpretatieve analyse speelt dus een belangrijke rol binnen deze benadering.
- Vrije wil (humanistische benadering): sterke nadruk uniciteit individu, ontwikkelingskansen
en bewuste ervaring. Het individu heeft een vrije wil die het mogelijk maakt om zichzelf te
verwezenlijken. Therapie komt daarom vooral in de vorm van zelfactualisatie voor.
Voluntarisme is een belangrijke term binnen deze benadering.
- Context (systeembenadering): dit is een reactie op het reductionisme. De nadruk op biologie
en leerprincipes wordt verworpen en men kijkt vooral naar het individu in samenhang met
diens sociale en maatschappelijke context. De mens is onderdeel van een groter geheel. Het
holisme speelt dus een belangrijke rol binnen deze benadering.
Integratie is makkelijker met de deterministische benaderingen dan met de hermeneutische
benaderingen (deze zijn minder eenduidig te classificeren).
Technisch electicisme = een aanpak waarbij uiteenlopende therapeutische technieken worden
ingezet zonder daarbij theoretische integratie na te streven. Er kan vaak geen sprake zijn van deze
theoretische integratie, omdat sommige benaderingen niet verenigbaar zijn vanwege hun
metafysische beginselen.
De keuze voor een benadering zou vooral moeten afhangen van effectstudies. Een therapie is beter
wanneer het meer problemen oplost, dat is een sneller tempo doen en de effecten daarvan
duurzamer zijn.
Limitaties aan effectstudies (randomized controlled trial, RCT):
- Vaak alleen korte termijn onderzocht nog weinig bekend over lange termijneffecten.
- Meestal wel een vergelijking met controlegroepen, maar vaak niet met andere
therapievormen.
o Hierdoor is het lastig deze met elkaar te vergelijken.
- RCT heeft een sterk gecontroleerde opzet, waardoor complexe en minder eenvoudige
problematiek niet goed onderzocht kan worden.
o Door deze limitatie is er sprake van vertekening van resultaten in het voordeel van
therapie die alleen bij eenvoudige problematiek goed werkt.
- Vaak sprake van methodologische tekortkomingen, waardoor replicatie lastig kan zijn.
Shared decision making = zowel therapeut als cliënt betrokken bij het besluit over de behandeling.
,Hoorcollege 1: Nut en noodzaak van de theorie voor de behandeling van psychopathologie
Popper, K. (1962). Conjuctures and refutations: the growth of scientific knowledge (Deel I).
Routledge. (Zie bb voor PDF)
Het onderscheid tussen wetenschap en pseudowetenschap wordt vaak uitgelegd als verschil in
empirische methode. Popper was het hier niet helemaal mee eens. Zijn uitleg was om onderscheid
te maken tussen daadwerkelijke empirische methoden en non-empirische/pseudo-empirische
methoden, waarbij het niet voldoet aan de wetenschappelijke standaarden. Een voorbeeld hiervan
is astrologie.
Vaak gaan mensen verklaringen en bewijs zien wanneer ze in een theorie geloven. Opeens zijn deze
overal waar je kijkt. Veel situaties kunnen op een bepaalde manier geïnterpreteerd worden, zodat
het past bij een theorie.
7 belangrijke conclusies over theorieën:
1. Het is makkelijk om bewijs en bevestiging voor bijna elke theorie te vinden, wanneer je zoekt
naar deze bevestiging.
2. Bevestiging zou alleen moeten tellen wanneer het een resultaat is van risicovolle
voorspellingen: er is een verwachting van een situatie die niet past bij de theorie, oftewel de
situatie zou de theorie kunnen weerleggen.
3. Elke ‘goede’ wetenschappelijke theorie is een verbod: het verbiedt dat bepaalde dingen
kunnen gebeuren. Hoe meer er wordt verboden, hoe beter de theorie is.
4. Een theorie die niet te weerleggen is door middel van een denkbare/zelf veroorzaakte
gebeurtenis is niet wetenschappelijk. Het niet kunnen weerleggen van een theorie is een
zwakheid (en dus niet iets positiefs, zoals veel mensen denken).
5. Elke daadwerkelijke test over een theorie is een poging tot falsifiëring of weerlegging.
Testbaarheid is falsifieerbaarheid, maar testbaarheid bestaat in verschillende maten:
sommige theorieën zijn makkelijker te testen en meer blootgesteld aan weerlegging dan
anderen. Deze theorieën nemen als het ware een groter risico.
6. Bevestigend bewijs zou niet moeten tellen, behalve wanneer het een resultaat is van een
daadwerkelijke test van de theorie. Dit betekent dat het kan worden gepresenteerd als een
serieuze en niet succesvolle poging om de theorie te kunnen falsifiëren. (corroborating
evidence).
7. Sommige testbare theorieën worden alsnog bestaande gehouden door aanhangers, ook al
zijn ze niet waar verklaard. Dit kan bijvoorbeeld door het introduceren van een
hulpveronderstelling of het herinterpreteren van een theorie op een manier waardoor het
aan een weerlegging ontsnapt. Zo’n procedure is altijd mogelijk, maar het redt een theorie
van weerlegging alleen voor de prijs van het verminderen van de wetenschappelijke status
van de theorie.
De criteria bevatten dus vooral: falsifieerbaarheid, weerlegbaarheid en testbaarheid.
, Hoorcollege 1: Nut en noodzaak van de theorie voor de behandeling van psychopathologie
Schaeuffele, C., Schulz, A., Knaevelsrud, C., Renneberg, B., & Boettcher, J. (2021). CBT at the
crossroads: The rise of transdiagnostic treatments. International Journal of Cognitive Therapy,
14(1), 86-113. https://dx.doi.org/10.1007/s41811-020-00095-2
In de beginfase bestond CGT uit een verzameling algemene technieken (bv. cognitieve
herstructering) die werden toegepast op verschillende stoornissen. In de loop der jaren werden er
steeds meer kenmerken van specifieke stoornissen geïdentificeerd en specifiekere definities
gegeven van diagnoses. Er ontstond een stoornisspecifieke aanpak, waardoor er een toename
ontstond in evidence-based behandelingen voor specifieke diagnoses.
Dit staat echter in contrast met de hoge comorbiditeit tussen stoornissen (gemiddeld heeft 40%
meerdere stoornissen). In plaats van unieke processen die afzonderlijke stoornissen in stand
houden, zijn er gedeeld transdiagnostische processen die causaal verband houden met meerdere
psychische stoornissen. Het verschilt per proces hoe breed ze zijn (maladaptieve emotieregulatie,
ervaringsgerichte vermijding, neuroticisme, perfectionisme en intolerantie voor onzekerheid).
Er is ook een ander perspectief opgesteld voor het verband tussen mechanismen en de ontwikkeling
en instandhouding van psychopathologie. Het zijn de rigide en inflexibele toepassing van processen
(en dus niet de processen zelf) die aan psychopathologie verbonden zijn. Aan de andere kant zou er
ook meer aandacht moeten worden besteed aan de mentale inhoud van processen (de inhoud van
de overtuigingen en gedachten van een patiënt staat namelijk centraal in de therapie).
Er is nog geen theoretisch kader wat de specifieke relatie, wisselwerking en hiërarchische organisatie
van transdiagnostische processen verklaart. Dit zou echter informatief kunnen zijn voor de
diagnostische beoordeling van therapieplanning.
Transdiagnostische behandeling = dezelfde onderliggende behandelprincipes toepassen op alle
psychische stoornissen, zonder het protocol af te stemmen op specifieke diagnoses.
Transdiagnostische behandelingen zijn erop gericht om meerdere comorbiditeiten tegelijk aan te
pakken. De meeste interventies richten zich dan ook op expliciet gedeelde transdiagnostische
processen. Deze vorm van behandeling heeft meerdere voordelen:
1. Verkort de totale behandelingsduur en vermindering in kosten.
2. Klinische uitvoerbaarheid verbeteren en klinische training vereenvoudigen.
3. Kloof tussen onderzoek en praktijk overbruggen en de verspreiding van evidence-based
behandelingen.
4. Therapeuten helpen om rekening te houden met alle processen die belangrijk zijn voor
vooruitgang (via het verbreden van hun blik voorbij de diagnose).
De vraag is nu of de transdiagnostische benadering voordeliger is ten opzichte van stoornisspecifieke
benaderingen. Reviews/meta-analyses tonen een sterke effectiviteit aan voor de transdiagnostische
benadering. Onderzoek hiernaar richt zich echter op een verschillende definities en verschilt in
subgroep/behandeling. Deze review neemt een bredere definitie van transdiagnostische
behandelingen.
Classificatie van transdiagnostische behandelingen:
Transdiagnostische behandelingen bestaan uit een spectrum van behandelingen. Ze worden
toegepast als ‘breedbandinterventie’, maar ook geïndividualiseerd op de specifieke probleemstelling