Pathologie voor verpleegkundigen
H1 §1.1 Gezondheid en ziekte: begrippen en concepten
Homeostase is inwendig evenwicht en aandoening (ziekte) is een verstoring van het homeostase. Pathologie is de leer van aandoeningen.
Anatomie de bouw van het lichaam en fysiologie het functioneren van het lichaam. Pathofysiologie is de leer van afwijkende processen die
tot ziekte leiden en het effect daarvan op het lichaam.
H1 §1.3 Etiologie en pathogenese
Etiologie is de leer van oorzaken aan aandoeningen. Endogene factoren is van binnenuit, exogene factoren van buitenaf. Idiopatische
aandoening als de etiologie nog niet duidelijk is, vaak wel risicoverhoging factoren aanwijsbaar. Als de aandoening ontstaat door ingreep
door zorgdeskundige heet het iatrogene aandoening. Congenitaal betekend aangeboren.
Pathogenese beschrijft processen in het lichaam die, in reactie op de oorzaak (etiologie) tot ziekte kunnen leiden.
H1 §1.4 risicofactoren
Kans op aandoening vergroten.
Endogene factoren – leeftijd, geslacht, erfelijk, overgewicht, aanwezigheid andere aandoening.
Exogene factoren – fysisch, chemisch, stress, leefstijl.
H2 §2.1 Afweersysteem
Immuunsysteem is het afweersysteem. Lichaamsvreemde stof die het afweersysteem activeert noemen we antigeen.
Het Aspecifieke deel moet eerst geactiveerd worden dat het specifieke afweersysteem wordt blootgesteld aan antigeen. Het afweersysteem
bouwt weerstand, immuniteit. Aspecifieke/aangeboren afweer is altijd in het lichaam aanwezig en altijd actief.
In de luchtweg zitten trilhaartjes die de schadelijke stoffen naar de mond transporteren.
Speeksel in de keel is een barrière.
Zweet en talg in de huid.
In de ogen traanvocht.
Schadelijke micro organismen die door de eerste verdedigingslinie komen, komen aan bij de tweede. Hier vinden verschillende processen
plaats.
Ontsteking:
Rubor – roodheid
Calor – warmte
Dolor – pijn
Tumor – zwelling
Functio laesie – verlies van functie
Deze symptomen zijn het gevolg van de vaatveranderenderingen die optreden als reactie op ontstekingsmediatoren zoals histamine. Dit is
de vasculaire fase van afweer, dan is er verhoogde doorlaatbaarheid van de wanden in omgeving ontsteking, verwijding kleine bloedvaten
(vasodilatatie). Ontstekingsmediatoren worden afgegeven door oa mestcellen (witte bloedcellen in weefsels).
Bij koorts gaat de lichaamstermostaat in de hypothalamus onder invloed van prostaglandinen hoger dan anders. Prostaglandinen komen
vrij. Afweersysteem in hogere versnelling: fagocytose wordt gestimuleerd , productie antilichamen verhoogd, weefselherstel versneld.
Functies van lymfestelsel zijn afweer, vetabsorptie uit de dunne darm en transport van weefselvocht.
NK cellen herkent geïnfecteerde cellen en scheid perforine af, wat het celmembraan vernietigd.
Cytokinen zijn eiwitten die fungeren als chemische boodschappers voor het immuunsysteem.
Interferonen zijn eiwitten die door de geïnfecteerde cellen wordt afgegeven. En stimuleren de macrofagen en NKcellen.
Immunologisch geheugen. Immuunsysteem onthoud en herkent specifieke antigenen en dus infecties.
Humorale immuniteit maken de antistoffen, B-cellen. Een deel rijpt uit tot plasmacellen. Dit noemen we immunoglobulinen. Zij binden zich
aan de extracellulaire antigenen. Ander deel ontwikkeld zich tot geheugencellen. Zij herkennen de eerdere infecties. Secundaire
immuunrespons.
1
,Cellulaire immuniteit beschermt het lichaam tegen intracellulaire immuniteit. T-cellen. Deze zijn onderverdeeld in T-helpercellen en
cytotoxische T-cellen. De T-helpercellen (CD4-cellen) reageren als zij in aanraking komen met een fagocyt opgenomen antigeen, door te
delen en ook T-geheugencellen te maken. Zij stimuleren weer de cytotoxische cellen en de NK cellen. De cytotoxische T cellen(CD8-cellen)
maken geïnfecteerde cellen onschadelijk.
H2 §2.5 Allergie
Bij allergie is er sprake van overmatige afweerreactie van het lichaam op stoffen die normaal gesproken onschuldig zijn. De stoffen die deze
allergische reactie veroorzaken zijn allergenen.
Type 1 – allergie van het onvermijdelijke type
Type 2 – cytotoxische allergie
Type 3 – immuuncomplexallergie
Type 4 – allergie van het vertraagde type
Type 1 is meest voorkomende. Reactietijd is een aantal minuten. - Bijvoorbeeld Hooikoorts.
Symptomen: netelroos, jeuk/tranende ogen, niezen/verstopte neus, misselijkheid, braken, buikkrampen, diarree. Behandeling is
antihistaminica toedienen.
Als er bij de allergie veel histamine vrijkomt wordt anafylaxie genoemd.
Type 2 bevorderd om cellen onschadelijk te maken, ook als ze niet schadelijk zijn. Minuten tot uren. – bijvoorbeeld bloedtransfusie
Symptomen: zijn afhankelijk van het type cellen dat wordt vernietigd. Behandeling is onderdrukking van immuunsysteem met
immunosuppressiva.
Type 3 vormt een ontsteking nadat verkeerde cellen elkaar aantrekken. reactietijd is paar uur. Bijvoorbeeld allergische alveolitis, na
inademen van bepaalde stoffen als gras, stoffen uit vogelnest of schimmels.
Symptomen: koorts, gewrichtspijn, huiduitslag. Behandeling is vermijden en remmen door corticosteroïden.
Type 4 duurt even voor de allergie optreed. Overgevoeligheid. Bijvoorbeeld contacteczeem, latex, sieraden.
Symptomen: variëren van eczeem tot blaarvorming. Behandeling is vermijden en remmen door corticosteroïden.
H2 §2.6 Auto-immuunziekten
Voor een goede afweer moet het immuunsysteem lichaamseigen cellen onderscheiden van pathogene organismen. Als systeem verstoord
raakt en begint afweersysteem antistoffen te maken tegen lichaamseigen weefsel.
H2 §2.7 immuundeficientie
Immuundeficientie is het tekortschieten in het afweersysteem.
Dit kan aangeboren zijn of verworven dan zoals behandeling met immunosuppressiva, straling, diabetes, ondervoeding, Hiv-infectie. Hiv is
de meest voorkomende aandoening.
Risicogroep: met onveilige seks, vuile naalden gebruiken met drugs, prik- en snijincidenten.
Etiologie en pathofysiologie: heeft erfelijk RNA en wordt gekopieerd naar het DNA, hierdoor kan het virus zit snel verspreiden en valt de T-
helpercellen aan. Dit verzwakt de afweer. Overdragen via bloed, sperma, weefsel van transplantatiemateriaal. Type 1 meest voorkomende.
Symptomen: bij type 1 in 3 fases:
Acuut retroviraal syndroom: griepachtige verschijnselen: malaise, koorts, hoofdpijn, spierpijn en diarree.
Latente infectie: vermoeidheid, diarree, koorts, gewichtsverlies, neuropathie, spier- en gewrichtsklachten, lymfadenopathie.
Aids: infecties en neuropathie en logische ziektebeelden. Weinig CD4-cellen over. Komt nog weinig voor door behandelingen.
Diagnostiek: antistoftest, meestal pas na 3 maanden zichtbaar.
Behandeling: combinatie van meerdere antiretrovirale geneesmiddelen. Ook wel cART genoemd.
Complicaties: infecties, kwaadaardige nieuwvorming, dementie, maar ook bijwerkingen van medicatie: nierproblemen, hart-vaat ziekte.
Prognose: levenslang medicatie nemen en therapietrouw zijn.
Preventie: veilige seks, geen gebruikte spuiten, besnijdenis, PrEP en PEP, testen.
H3 §3.2 Basisbegrippen
Micro-organismen zijn niet met oog zichtbaar en zijn verwekkers. Noemen ook wel pathogenen. Niet alle micro-organismen zijn slecht. De
goede die met ons samenleven heten commensalen of commensale flora. Wanneer het immuunsysteem verzwakt is, kunnen de
commensalen zich in grote groepen vermenigvuldigen en infectie veroorzaken. Opportunistische infectie.
Pathogene micro-organismen zijn: virussen, bacteriën, protozoën en schimmels.
H3 §3.3.1 Virussen
Virussen hebben een celkern. Zij kunnen op zichzelf niet vermenigvuldigen. Zij koppelen zich aan een gastheercel en geven hun DNA of RNA
aan de cel om zich zo te verspreiden. Soms veroorzaken ze lysis( cel die zelf kapotgaat). Hiv heeft als gastheer de T-lymfocyten. Met lysis van
de t-lymfocyten verzwakt uiteindelijk het immuunsysteem. Herpesvirussen kunnen latent (sluimerend) zijn. Nestelen zich aan een cel en
wachten af tot een trigger, bijv verzwakt immuunsysteem en slaan dan toe. HPV integreren hun DNA in de celkern van de gastheercel en
dereguleren de groei, waardoor abnormale cellen ontstaan zoals kanker.
H3 §3.3.2 Bacteriën
Bacteriën zijn eencellige organismen en zijn te zien met een microscoop. Hebben geen celkern, ligt los in cytoplasma en bestaat veelal uit
chromosomen als DNA. In cytoplasma ligt plasmide, stukjes DNA die tussen bacteriën onderling genetische eigenschappen worden
uitgewisseld( bijvoorbeeld resistentie).
Staafvormige bacteriën (bacillen) en bolvormige bacteriën (kokken) vormen de grootste groep. Opbouw van bacteriën verschild en bepaald
of ze kleur opnemen bij microscopisch onderzoek. Als ze kleur opnemen zijn de bacteriën grampositief en anders gramnegatief. Bacteriën
2
,kunnen ook worden ingedeeld naar zuurstofbehoefte. Aerobe bacteriën hebben zuurstof nodig en anaerobe bacteriën niet. Als bacteriën
gaan slapen omdat het geen optimale leefomstandigheid is noemen we dit sporen. Toxinen zijn giftige stoffen die een bacterie kan afgeven
H3 §3.3.4 Schimmels
Schimmels kunnen eencellig (gisten) of meercellig zijn. Schimmels bij mensen(mycose) zijn vaak aanwezig in de darmen, huid of vagina.
Treden vaak pas op onder omstandigheden, zoals waarmee en vochtige condities, beschadiging aan huid/slijmvliezen en verminderde
immuunsysteem. Vaak goed te verhelpen met AB kuur
H3 §3.4 pathofysiologie van infectieziekten
Als infectie lichaam binnendringt, is die plek de porte d’entree. Ziekte-overdracht wordt ook wel transmissie genoemd.
Transmissie van mens op mens: via de luchtwegen (COVID, influenza, tuberculose), via directe hand (varizella- of herpesvirus), via bloed
(hepatitis B, hiv), via seks (soa), via verticale transmissie- moeder-kind (hiv, syfilis).
Transmissie van dier op mens: krab, bijt of lik (rabies), insectenbeet (malaria, dengue en ziekte van Lyme).
Indirecte transmissie: verontreinigd water bijv met fecaliën(ontlasting) feco-orale transmissie, besmet voedsel, rauw vlees of onverhitte
zuivelproducten (salmonella), besmette oppervlakten bijv straatvuil (tetanus), besmette voorwerpen bijv naalden, uitwerpselen van dieren
bijv ontlasting van katten (parasiet).
Nosocomiale infecties loop je vaak op in zorginstellingen. Meest voorkomende zijn postoperatieve wondinfecties en lage luchtweginfecties,
gevolgd door uwi. Wordt voor groot deel veroorzaakt door bijzonder resistente micro-organismen (BRMO). Bijv MRSA, ESBL- bacteriën en
VRE. Veel mensen zijn drager zonder dat ze dit weten.
Ook langdurige antimicrobiele middelen kunnen voor overgroei van commensale flora zorgen, waardoor een nieuwe infectie ontstaat, bijv
de darminfectie met Clostridium difficile.
Preventief: handhygiëne, ontsmetting en sterilisatie, isoleren van mogelijk besmette cliënten en gebruik antibiotica.
H3 §3.6 Behandeling van infectieziekten
Bacteriofagen zijn vijanden van de bacteriën en maken ze kapot bij vermeerderen. Kan alleen bij bekendheid specifieke bacterie. Niet zo
bekend in Nederland
Bacteriën kunnen worden behandeld met antibiotica. Soorten antibiotica verschillen in aangrijpingspunt en daardoor werkzaam bij
verschillende soorten bacteriën.
Penicilline vernietigd de celwand bij met name grampositieve bacteriën
Aminoglycosiden remmen de bacteriële eiwit synthese
Chinolonen remmen de bacteriële DNA en RNA synthese.
Sommige werken bacteriostatisch: remmen groei van bacteriën
Sommige werken bactericide: bacteriedodend.
Antibiotica wordt onderverdeeld in smal en breed spectrum.
Smalspectrum antibiotica zeer gericht en bepaald soort bacterie te bestrijden. Gevoeligheidsbepaling zeer gevoelig.
Breedspectrum antibiotica werkzaam tegen vele bacteriën, verwekker niet bekend. Ook wel blinde therapie. Dood ook de commensalen.
Hierdoor kunnen anderen bacteriën en schimmels gaan overgroeien, waardoor infectie kan gaan ontstaan.
Bacteriën kunnen door genetische mutaties aanpassen aan antibiotica. Bacteriën worden op deze manier resistent worden en dan werkt
antibiotica niet meer.
Antibiotica resistentie is groot probleem door overmatig gebruik van breedspectrum. Gebruik van bacteriofagen kan in de toekomst een
oplossing bieden.
3
, Bacteriën en virussen kunnen ook bestreden worden met immunoglobulinen (Ig). Dit zijn antistoffen die door het lichaam worden
geproduceerd bij infectie. Synthetische geproduceerde Ig kunnen worden ingespoten bijv bij tetanus.
Virussen gaan meestal vanzelf over omdat ze een specifieke bouw hebben.
Protozoën heeft antiprotozoica
Schimmelinfecties met antimycotica. Veelal zalf als Miconazol, nystatine en terbinafine
Worminfecties heeft anthelminthica tegen helminthen (wormen)
H3 §3.7 Complicaties van infectieziekten
Soms is het immuunsysteem niet in staat (zelfs met behulp van medicatie) lokale infectie te overwinnnen, dan kunnen er complicaties
ontstaan.
H3 3.7.1 bacteriëmie
Bacteriemie is aanwezigheid van bacteriën in de bloedbaan. Dit kan vanuit geïnfecteerd weefsel in het bloed terecht komen, maar gebeurt
meestal na ingreep in geïnfecteerd weefsel zoals katheteriseren, tandheelkundige ingrepen of chirurgische wondzorg, of intraveneuze
drugsgebruikers. Bacteriemie kan zonder symptomen of juist met verhoging en koorts. Gaat meestal spontaan voorbij, soms leidt het tot
nieuwe infecties op een andere plek. Zorgvragers met hartziekte krijgen hebben verhoogd risico op endocarditis en krijgen voor een
operatie antibioticaprofylaxe.
H3 §3.7.3 Sepsis
Sepsis is een klinisch syndroom van levensbedreigende orgaandisfunctie door abnormale immuunrespons bij infectie.
Etiologie – komt meestal voorbij bacteriële infecties (luchtweg, urine, wond). Zeldzaam is door schimmel of virus (bijv COVID).
Pathofysiologie – bij sepsis is het evenwicht tussen ontstekingsmediatoren en anti-inflammatoire stoffen in het bloed verstoord.
Kenmerken: vasodilatie van arteriolen (rode huid en daalt bloeddruk), tachycardie ontstaat door compensatie van mindere perifere
weerstand, activatie van stollingsmechanisme en ontstaat DIS, verminderde circulatie en algehele weefselhypoxie, tachypneu door
weefselhypoxie, orgaandisfunctie door weefselhypoxie. Vergevorderde sepsis kan leiden tot multi-orgaanfalen.
Symptomen – koorts, rode warme huid, tachycardie en tachypneu. Bloeddruk blijft in eerste instantie op peil, maar zal uiteindelijk dalen. Bij
septische shock is huid juist koud en bleek en hypotensie.
Diagnostiek – labonderzoek, lichaamsvloeistoffen op kweek, xthorax, echo, CT-abdomen.
Behandeling – behandeling in het ziekenhuis, snelle intraveneuze toediening breedspectrum, intraveneuze vochttoediening,
zuurstoftoediening. Zo mogelijk bron infectie wegnemen. Bij septische shock intensieve zorg op IC, beademing, circulatie, nieren, en andere
orgaansystemen.
H4 §4.1 Inleiding
Andere termen voor kanker zijn maligniteit, kwaadaardige aandoening, kwaadaardige tumor of maligne neoplasie. Meest voorkomende zijn
huid, borst(mammacarcinoom), long, prostaat(prostaatcarcinoom), en dikkedarm (colorectaal carcinoom).
H4 4.2 risicofactoren
Leeftijd (>helft is 70+, 2% is <30)
Erfelijke factoren
Leefstijlfactoren (roken, alcohol, weinig bewegen)
Overgewicht
Omgevingsfactoren( UVstraling, röntgenstraling, asbest)
Verminderde afweer (bepaalde virus en bacterie infecties)
H4 §4.3 Etiologie en pathofysiologie
Bij celdeling in het lichaam (mitose) kunnen foutjes worden gemaakt die worden dan gerepareerd. Als dat niet lukt zorgt de cel er zelf voor
dat de cel kapotgaat- geprogrammeerde celdood (apoptose).
Een tumor (zwelling onstaatkundig door ongeremd delen. Tumor kan goedaardig (benigne) en kwaadaardig (maligne) zijn. Benigne is geen
kanker maar kan wel symptomen geven van uitval. Vaak goed te verwijderen met een operatie.
Benigne tumor Maligne tumor
Langzame groei snelle groei
Goed gedifferentieerd: lijken op oorspronkelijke cellen slecht gedifferentieerd: lijken niet op de oorspronkelijke cellen
Geen metastasen mogelijk metastasen
Kanker ontstaat door mutaties en verstoorde apoptose. En door erfelijkheid.
Carcinogenen zijn factoren buiten het lichaam die kankerverwekkend zijn: virus, bacterie, straling, chemische stoffen en HPV.
HPV – baarmoederhalskanker (cervixcarcinoom)
UV-straling huidkanker
Bij diagnostiek wordt ook vaak kanker gebruikt, maar daar weegt het voordeel op tegen het risico.
Carcinomen – epitheelweefsel/klierweefsel – mamma- en prostaatcarcinoom
Sarcomen – bindweefsel/spierweefsel – liposarcoom en myosarcoom
Leukemie of lymfoom – bindweefsel (vorm van bloedkanker) – leukemie en non-hodgkinlymfoom
H4 §4.4 symptomen
Symptomen hangen af van de plaats. Soms pas symptomen bij metastasen. Algemene symptomen zijn vermoeidheid, gewichtsverlies en
pijn. Vermoeidheid kan door de tumor zelf komen, maar ook door anemie, maar ook door angst en verdriet. Gewichtsverlies kan door
minder honger, door vermoeidheid of pijn bij slikken. Pijn kan door groei van tumor in weefsel, zenuwen, bloedvaten, organen en bot.
4
H1 §1.1 Gezondheid en ziekte: begrippen en concepten
Homeostase is inwendig evenwicht en aandoening (ziekte) is een verstoring van het homeostase. Pathologie is de leer van aandoeningen.
Anatomie de bouw van het lichaam en fysiologie het functioneren van het lichaam. Pathofysiologie is de leer van afwijkende processen die
tot ziekte leiden en het effect daarvan op het lichaam.
H1 §1.3 Etiologie en pathogenese
Etiologie is de leer van oorzaken aan aandoeningen. Endogene factoren is van binnenuit, exogene factoren van buitenaf. Idiopatische
aandoening als de etiologie nog niet duidelijk is, vaak wel risicoverhoging factoren aanwijsbaar. Als de aandoening ontstaat door ingreep
door zorgdeskundige heet het iatrogene aandoening. Congenitaal betekend aangeboren.
Pathogenese beschrijft processen in het lichaam die, in reactie op de oorzaak (etiologie) tot ziekte kunnen leiden.
H1 §1.4 risicofactoren
Kans op aandoening vergroten.
Endogene factoren – leeftijd, geslacht, erfelijk, overgewicht, aanwezigheid andere aandoening.
Exogene factoren – fysisch, chemisch, stress, leefstijl.
H2 §2.1 Afweersysteem
Immuunsysteem is het afweersysteem. Lichaamsvreemde stof die het afweersysteem activeert noemen we antigeen.
Het Aspecifieke deel moet eerst geactiveerd worden dat het specifieke afweersysteem wordt blootgesteld aan antigeen. Het afweersysteem
bouwt weerstand, immuniteit. Aspecifieke/aangeboren afweer is altijd in het lichaam aanwezig en altijd actief.
In de luchtweg zitten trilhaartjes die de schadelijke stoffen naar de mond transporteren.
Speeksel in de keel is een barrière.
Zweet en talg in de huid.
In de ogen traanvocht.
Schadelijke micro organismen die door de eerste verdedigingslinie komen, komen aan bij de tweede. Hier vinden verschillende processen
plaats.
Ontsteking:
Rubor – roodheid
Calor – warmte
Dolor – pijn
Tumor – zwelling
Functio laesie – verlies van functie
Deze symptomen zijn het gevolg van de vaatveranderenderingen die optreden als reactie op ontstekingsmediatoren zoals histamine. Dit is
de vasculaire fase van afweer, dan is er verhoogde doorlaatbaarheid van de wanden in omgeving ontsteking, verwijding kleine bloedvaten
(vasodilatatie). Ontstekingsmediatoren worden afgegeven door oa mestcellen (witte bloedcellen in weefsels).
Bij koorts gaat de lichaamstermostaat in de hypothalamus onder invloed van prostaglandinen hoger dan anders. Prostaglandinen komen
vrij. Afweersysteem in hogere versnelling: fagocytose wordt gestimuleerd , productie antilichamen verhoogd, weefselherstel versneld.
Functies van lymfestelsel zijn afweer, vetabsorptie uit de dunne darm en transport van weefselvocht.
NK cellen herkent geïnfecteerde cellen en scheid perforine af, wat het celmembraan vernietigd.
Cytokinen zijn eiwitten die fungeren als chemische boodschappers voor het immuunsysteem.
Interferonen zijn eiwitten die door de geïnfecteerde cellen wordt afgegeven. En stimuleren de macrofagen en NKcellen.
Immunologisch geheugen. Immuunsysteem onthoud en herkent specifieke antigenen en dus infecties.
Humorale immuniteit maken de antistoffen, B-cellen. Een deel rijpt uit tot plasmacellen. Dit noemen we immunoglobulinen. Zij binden zich
aan de extracellulaire antigenen. Ander deel ontwikkeld zich tot geheugencellen. Zij herkennen de eerdere infecties. Secundaire
immuunrespons.
1
,Cellulaire immuniteit beschermt het lichaam tegen intracellulaire immuniteit. T-cellen. Deze zijn onderverdeeld in T-helpercellen en
cytotoxische T-cellen. De T-helpercellen (CD4-cellen) reageren als zij in aanraking komen met een fagocyt opgenomen antigeen, door te
delen en ook T-geheugencellen te maken. Zij stimuleren weer de cytotoxische cellen en de NK cellen. De cytotoxische T cellen(CD8-cellen)
maken geïnfecteerde cellen onschadelijk.
H2 §2.5 Allergie
Bij allergie is er sprake van overmatige afweerreactie van het lichaam op stoffen die normaal gesproken onschuldig zijn. De stoffen die deze
allergische reactie veroorzaken zijn allergenen.
Type 1 – allergie van het onvermijdelijke type
Type 2 – cytotoxische allergie
Type 3 – immuuncomplexallergie
Type 4 – allergie van het vertraagde type
Type 1 is meest voorkomende. Reactietijd is een aantal minuten. - Bijvoorbeeld Hooikoorts.
Symptomen: netelroos, jeuk/tranende ogen, niezen/verstopte neus, misselijkheid, braken, buikkrampen, diarree. Behandeling is
antihistaminica toedienen.
Als er bij de allergie veel histamine vrijkomt wordt anafylaxie genoemd.
Type 2 bevorderd om cellen onschadelijk te maken, ook als ze niet schadelijk zijn. Minuten tot uren. – bijvoorbeeld bloedtransfusie
Symptomen: zijn afhankelijk van het type cellen dat wordt vernietigd. Behandeling is onderdrukking van immuunsysteem met
immunosuppressiva.
Type 3 vormt een ontsteking nadat verkeerde cellen elkaar aantrekken. reactietijd is paar uur. Bijvoorbeeld allergische alveolitis, na
inademen van bepaalde stoffen als gras, stoffen uit vogelnest of schimmels.
Symptomen: koorts, gewrichtspijn, huiduitslag. Behandeling is vermijden en remmen door corticosteroïden.
Type 4 duurt even voor de allergie optreed. Overgevoeligheid. Bijvoorbeeld contacteczeem, latex, sieraden.
Symptomen: variëren van eczeem tot blaarvorming. Behandeling is vermijden en remmen door corticosteroïden.
H2 §2.6 Auto-immuunziekten
Voor een goede afweer moet het immuunsysteem lichaamseigen cellen onderscheiden van pathogene organismen. Als systeem verstoord
raakt en begint afweersysteem antistoffen te maken tegen lichaamseigen weefsel.
H2 §2.7 immuundeficientie
Immuundeficientie is het tekortschieten in het afweersysteem.
Dit kan aangeboren zijn of verworven dan zoals behandeling met immunosuppressiva, straling, diabetes, ondervoeding, Hiv-infectie. Hiv is
de meest voorkomende aandoening.
Risicogroep: met onveilige seks, vuile naalden gebruiken met drugs, prik- en snijincidenten.
Etiologie en pathofysiologie: heeft erfelijk RNA en wordt gekopieerd naar het DNA, hierdoor kan het virus zit snel verspreiden en valt de T-
helpercellen aan. Dit verzwakt de afweer. Overdragen via bloed, sperma, weefsel van transplantatiemateriaal. Type 1 meest voorkomende.
Symptomen: bij type 1 in 3 fases:
Acuut retroviraal syndroom: griepachtige verschijnselen: malaise, koorts, hoofdpijn, spierpijn en diarree.
Latente infectie: vermoeidheid, diarree, koorts, gewichtsverlies, neuropathie, spier- en gewrichtsklachten, lymfadenopathie.
Aids: infecties en neuropathie en logische ziektebeelden. Weinig CD4-cellen over. Komt nog weinig voor door behandelingen.
Diagnostiek: antistoftest, meestal pas na 3 maanden zichtbaar.
Behandeling: combinatie van meerdere antiretrovirale geneesmiddelen. Ook wel cART genoemd.
Complicaties: infecties, kwaadaardige nieuwvorming, dementie, maar ook bijwerkingen van medicatie: nierproblemen, hart-vaat ziekte.
Prognose: levenslang medicatie nemen en therapietrouw zijn.
Preventie: veilige seks, geen gebruikte spuiten, besnijdenis, PrEP en PEP, testen.
H3 §3.2 Basisbegrippen
Micro-organismen zijn niet met oog zichtbaar en zijn verwekkers. Noemen ook wel pathogenen. Niet alle micro-organismen zijn slecht. De
goede die met ons samenleven heten commensalen of commensale flora. Wanneer het immuunsysteem verzwakt is, kunnen de
commensalen zich in grote groepen vermenigvuldigen en infectie veroorzaken. Opportunistische infectie.
Pathogene micro-organismen zijn: virussen, bacteriën, protozoën en schimmels.
H3 §3.3.1 Virussen
Virussen hebben een celkern. Zij kunnen op zichzelf niet vermenigvuldigen. Zij koppelen zich aan een gastheercel en geven hun DNA of RNA
aan de cel om zich zo te verspreiden. Soms veroorzaken ze lysis( cel die zelf kapotgaat). Hiv heeft als gastheer de T-lymfocyten. Met lysis van
de t-lymfocyten verzwakt uiteindelijk het immuunsysteem. Herpesvirussen kunnen latent (sluimerend) zijn. Nestelen zich aan een cel en
wachten af tot een trigger, bijv verzwakt immuunsysteem en slaan dan toe. HPV integreren hun DNA in de celkern van de gastheercel en
dereguleren de groei, waardoor abnormale cellen ontstaan zoals kanker.
H3 §3.3.2 Bacteriën
Bacteriën zijn eencellige organismen en zijn te zien met een microscoop. Hebben geen celkern, ligt los in cytoplasma en bestaat veelal uit
chromosomen als DNA. In cytoplasma ligt plasmide, stukjes DNA die tussen bacteriën onderling genetische eigenschappen worden
uitgewisseld( bijvoorbeeld resistentie).
Staafvormige bacteriën (bacillen) en bolvormige bacteriën (kokken) vormen de grootste groep. Opbouw van bacteriën verschild en bepaald
of ze kleur opnemen bij microscopisch onderzoek. Als ze kleur opnemen zijn de bacteriën grampositief en anders gramnegatief. Bacteriën
2
,kunnen ook worden ingedeeld naar zuurstofbehoefte. Aerobe bacteriën hebben zuurstof nodig en anaerobe bacteriën niet. Als bacteriën
gaan slapen omdat het geen optimale leefomstandigheid is noemen we dit sporen. Toxinen zijn giftige stoffen die een bacterie kan afgeven
H3 §3.3.4 Schimmels
Schimmels kunnen eencellig (gisten) of meercellig zijn. Schimmels bij mensen(mycose) zijn vaak aanwezig in de darmen, huid of vagina.
Treden vaak pas op onder omstandigheden, zoals waarmee en vochtige condities, beschadiging aan huid/slijmvliezen en verminderde
immuunsysteem. Vaak goed te verhelpen met AB kuur
H3 §3.4 pathofysiologie van infectieziekten
Als infectie lichaam binnendringt, is die plek de porte d’entree. Ziekte-overdracht wordt ook wel transmissie genoemd.
Transmissie van mens op mens: via de luchtwegen (COVID, influenza, tuberculose), via directe hand (varizella- of herpesvirus), via bloed
(hepatitis B, hiv), via seks (soa), via verticale transmissie- moeder-kind (hiv, syfilis).
Transmissie van dier op mens: krab, bijt of lik (rabies), insectenbeet (malaria, dengue en ziekte van Lyme).
Indirecte transmissie: verontreinigd water bijv met fecaliën(ontlasting) feco-orale transmissie, besmet voedsel, rauw vlees of onverhitte
zuivelproducten (salmonella), besmette oppervlakten bijv straatvuil (tetanus), besmette voorwerpen bijv naalden, uitwerpselen van dieren
bijv ontlasting van katten (parasiet).
Nosocomiale infecties loop je vaak op in zorginstellingen. Meest voorkomende zijn postoperatieve wondinfecties en lage luchtweginfecties,
gevolgd door uwi. Wordt voor groot deel veroorzaakt door bijzonder resistente micro-organismen (BRMO). Bijv MRSA, ESBL- bacteriën en
VRE. Veel mensen zijn drager zonder dat ze dit weten.
Ook langdurige antimicrobiele middelen kunnen voor overgroei van commensale flora zorgen, waardoor een nieuwe infectie ontstaat, bijv
de darminfectie met Clostridium difficile.
Preventief: handhygiëne, ontsmetting en sterilisatie, isoleren van mogelijk besmette cliënten en gebruik antibiotica.
H3 §3.6 Behandeling van infectieziekten
Bacteriofagen zijn vijanden van de bacteriën en maken ze kapot bij vermeerderen. Kan alleen bij bekendheid specifieke bacterie. Niet zo
bekend in Nederland
Bacteriën kunnen worden behandeld met antibiotica. Soorten antibiotica verschillen in aangrijpingspunt en daardoor werkzaam bij
verschillende soorten bacteriën.
Penicilline vernietigd de celwand bij met name grampositieve bacteriën
Aminoglycosiden remmen de bacteriële eiwit synthese
Chinolonen remmen de bacteriële DNA en RNA synthese.
Sommige werken bacteriostatisch: remmen groei van bacteriën
Sommige werken bactericide: bacteriedodend.
Antibiotica wordt onderverdeeld in smal en breed spectrum.
Smalspectrum antibiotica zeer gericht en bepaald soort bacterie te bestrijden. Gevoeligheidsbepaling zeer gevoelig.
Breedspectrum antibiotica werkzaam tegen vele bacteriën, verwekker niet bekend. Ook wel blinde therapie. Dood ook de commensalen.
Hierdoor kunnen anderen bacteriën en schimmels gaan overgroeien, waardoor infectie kan gaan ontstaan.
Bacteriën kunnen door genetische mutaties aanpassen aan antibiotica. Bacteriën worden op deze manier resistent worden en dan werkt
antibiotica niet meer.
Antibiotica resistentie is groot probleem door overmatig gebruik van breedspectrum. Gebruik van bacteriofagen kan in de toekomst een
oplossing bieden.
3
, Bacteriën en virussen kunnen ook bestreden worden met immunoglobulinen (Ig). Dit zijn antistoffen die door het lichaam worden
geproduceerd bij infectie. Synthetische geproduceerde Ig kunnen worden ingespoten bijv bij tetanus.
Virussen gaan meestal vanzelf over omdat ze een specifieke bouw hebben.
Protozoën heeft antiprotozoica
Schimmelinfecties met antimycotica. Veelal zalf als Miconazol, nystatine en terbinafine
Worminfecties heeft anthelminthica tegen helminthen (wormen)
H3 §3.7 Complicaties van infectieziekten
Soms is het immuunsysteem niet in staat (zelfs met behulp van medicatie) lokale infectie te overwinnnen, dan kunnen er complicaties
ontstaan.
H3 3.7.1 bacteriëmie
Bacteriemie is aanwezigheid van bacteriën in de bloedbaan. Dit kan vanuit geïnfecteerd weefsel in het bloed terecht komen, maar gebeurt
meestal na ingreep in geïnfecteerd weefsel zoals katheteriseren, tandheelkundige ingrepen of chirurgische wondzorg, of intraveneuze
drugsgebruikers. Bacteriemie kan zonder symptomen of juist met verhoging en koorts. Gaat meestal spontaan voorbij, soms leidt het tot
nieuwe infecties op een andere plek. Zorgvragers met hartziekte krijgen hebben verhoogd risico op endocarditis en krijgen voor een
operatie antibioticaprofylaxe.
H3 §3.7.3 Sepsis
Sepsis is een klinisch syndroom van levensbedreigende orgaandisfunctie door abnormale immuunrespons bij infectie.
Etiologie – komt meestal voorbij bacteriële infecties (luchtweg, urine, wond). Zeldzaam is door schimmel of virus (bijv COVID).
Pathofysiologie – bij sepsis is het evenwicht tussen ontstekingsmediatoren en anti-inflammatoire stoffen in het bloed verstoord.
Kenmerken: vasodilatie van arteriolen (rode huid en daalt bloeddruk), tachycardie ontstaat door compensatie van mindere perifere
weerstand, activatie van stollingsmechanisme en ontstaat DIS, verminderde circulatie en algehele weefselhypoxie, tachypneu door
weefselhypoxie, orgaandisfunctie door weefselhypoxie. Vergevorderde sepsis kan leiden tot multi-orgaanfalen.
Symptomen – koorts, rode warme huid, tachycardie en tachypneu. Bloeddruk blijft in eerste instantie op peil, maar zal uiteindelijk dalen. Bij
septische shock is huid juist koud en bleek en hypotensie.
Diagnostiek – labonderzoek, lichaamsvloeistoffen op kweek, xthorax, echo, CT-abdomen.
Behandeling – behandeling in het ziekenhuis, snelle intraveneuze toediening breedspectrum, intraveneuze vochttoediening,
zuurstoftoediening. Zo mogelijk bron infectie wegnemen. Bij septische shock intensieve zorg op IC, beademing, circulatie, nieren, en andere
orgaansystemen.
H4 §4.1 Inleiding
Andere termen voor kanker zijn maligniteit, kwaadaardige aandoening, kwaadaardige tumor of maligne neoplasie. Meest voorkomende zijn
huid, borst(mammacarcinoom), long, prostaat(prostaatcarcinoom), en dikkedarm (colorectaal carcinoom).
H4 4.2 risicofactoren
Leeftijd (>helft is 70+, 2% is <30)
Erfelijke factoren
Leefstijlfactoren (roken, alcohol, weinig bewegen)
Overgewicht
Omgevingsfactoren( UVstraling, röntgenstraling, asbest)
Verminderde afweer (bepaalde virus en bacterie infecties)
H4 §4.3 Etiologie en pathofysiologie
Bij celdeling in het lichaam (mitose) kunnen foutjes worden gemaakt die worden dan gerepareerd. Als dat niet lukt zorgt de cel er zelf voor
dat de cel kapotgaat- geprogrammeerde celdood (apoptose).
Een tumor (zwelling onstaatkundig door ongeremd delen. Tumor kan goedaardig (benigne) en kwaadaardig (maligne) zijn. Benigne is geen
kanker maar kan wel symptomen geven van uitval. Vaak goed te verwijderen met een operatie.
Benigne tumor Maligne tumor
Langzame groei snelle groei
Goed gedifferentieerd: lijken op oorspronkelijke cellen slecht gedifferentieerd: lijken niet op de oorspronkelijke cellen
Geen metastasen mogelijk metastasen
Kanker ontstaat door mutaties en verstoorde apoptose. En door erfelijkheid.
Carcinogenen zijn factoren buiten het lichaam die kankerverwekkend zijn: virus, bacterie, straling, chemische stoffen en HPV.
HPV – baarmoederhalskanker (cervixcarcinoom)
UV-straling huidkanker
Bij diagnostiek wordt ook vaak kanker gebruikt, maar daar weegt het voordeel op tegen het risico.
Carcinomen – epitheelweefsel/klierweefsel – mamma- en prostaatcarcinoom
Sarcomen – bindweefsel/spierweefsel – liposarcoom en myosarcoom
Leukemie of lymfoom – bindweefsel (vorm van bloedkanker) – leukemie en non-hodgkinlymfoom
H4 §4.4 symptomen
Symptomen hangen af van de plaats. Soms pas symptomen bij metastasen. Algemene symptomen zijn vermoeidheid, gewichtsverlies en
pijn. Vermoeidheid kan door de tumor zelf komen, maar ook door anemie, maar ook door angst en verdriet. Gewichtsverlies kan door
minder honger, door vermoeidheid of pijn bij slikken. Pijn kan door groei van tumor in weefsel, zenuwen, bloedvaten, organen en bot.
4