Celbiologie
Cellen kunnen zich delen, maar virussen niet. Toch kunnen virussen nog relatief groot zijn.
Het eerste leven was veel eenvoudiger dan de huidige virussen en organismen. Een
organisme kan namelijk uit meerdere cellen bestaan.
Er zijn veel verschillende vormen van cellen. De meeste specialiseren zich en zijn deelbaar,
maar sommige kunnen differentiëren, waardoor ze niet meer kunnen delen. Deze cellen
kunnen zich niet laten vervangen, zoals zenuwcellen.
Cellen kunnen bewegen met behulp van vb. fagellen.
Cellen kunnen doodgaan door: - slijtage; moeilijk te meten. Sporenvormig is slaapstand.
- apoptose (geprogrammeerde celdood); in meercellige.
Cellen passen zich aan wisselende omstandigheden aan, waardoor de celmetabolisme en
celopbouw zeer complex is.
Evolutietheorie 1: leven kan zich aanpassen aan veranderende omstandigheden door een
proces van mutatie en selectie. Argument: organismen moeten voortdurend veranderen om
aangepast te blijven bij nieuwe omstandigheden. Dit is te bestuderen in een testbuis.
Snelle genoom sequencing: zorgt voor nieuwe mogelijkheden, waardoor de evolutie goed te
volgen is.
Evolutietheorie 2: alle huidige organismen stammen af van gezamelijke voorouders.
Agument: geologie, er zijn verwantschappen in erfelijke eigenschappen (DNA) en andere
principes (vormen). Bouwplan eukaryoten (symbiosetheorie).
De eerste organismen waren makkelijker tot de organismen zijn gaan samenleven en
hebben de taken verdeeld (symbiose en organellen - mitochondrie).
,Evolutiesnelheid van organismen
Theorie: eukaryoten
delen langzaamst dus
sommige elementen
lijken biochemisch nog
meeste op oude
toestand.
Men kan terugkijken tot miljoenen jaar door vergelijking met alle nu bestaande organismen.
Hiervan gebruiken ze: - genoommateriaal
- biochemische processen
- celopbouw
Evolutietheorie 3: alle leven is ontstaan uit organische moleculen in een levenloze oersoep.
Tentamenvraag oefenen
Welk onderdeel uit de volgende lijst is niet aanwezig in een bacteriecel:
a) DNA
b) citroenzuur cyclus
c) mitochondrion
d) ribosoom
e) phospholipide dubbellaag
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Antonie van Leeuwenhoek: eerste microscoop met een 200x
vergroting. Hij ontdekte vele soorten eencelligen en bacteriën.
Lichtmicroscoop: werd later ontwikkeld, maar hiervan was het
oplossend vermogen gelimiteerd door de golflengte. De resolutie is
dus beperkt tot 200x200x300 nm.
Elektronen microscoop (1930-1939): werkt met behulp van
transmissie EM. Nu is er geen beperking meer van de resolutie door
de golflengte en zijn bacteriën in 3D te zien.
Modellen voor bestuderen met nadelen:
Zoogdieren – erg moeilijk en ethische problemen (diermishandeling)
Lagere organismen met doorzichtig lichaam – sommige medische en
farmaceutische aspecten moeilijk te vergelijken.
Celkweek na behandeling weefsel met protease – cellen gedragen
zich onnatuurlijk.
, Fluorescentie microscopie:
fluorescein = groen
tetramethylchodamine = rood
Het cytoskelet wordt zo zichtbaar
met fluorescente antilichamen.
GFP: groen fluorescent eiwit dat is ontdekt in kwallen.
Tegenwoordig zijn er meer
kleuren bekend zoals:
- blauw tot groen (GFP-derived)
- geel tot rood/paars (mRFP1-
derived)
Isolatie axon door myelinemembraan
Cellen kunnen zich delen, maar virussen niet. Toch kunnen virussen nog relatief groot zijn.
Het eerste leven was veel eenvoudiger dan de huidige virussen en organismen. Een
organisme kan namelijk uit meerdere cellen bestaan.
Er zijn veel verschillende vormen van cellen. De meeste specialiseren zich en zijn deelbaar,
maar sommige kunnen differentiëren, waardoor ze niet meer kunnen delen. Deze cellen
kunnen zich niet laten vervangen, zoals zenuwcellen.
Cellen kunnen bewegen met behulp van vb. fagellen.
Cellen kunnen doodgaan door: - slijtage; moeilijk te meten. Sporenvormig is slaapstand.
- apoptose (geprogrammeerde celdood); in meercellige.
Cellen passen zich aan wisselende omstandigheden aan, waardoor de celmetabolisme en
celopbouw zeer complex is.
Evolutietheorie 1: leven kan zich aanpassen aan veranderende omstandigheden door een
proces van mutatie en selectie. Argument: organismen moeten voortdurend veranderen om
aangepast te blijven bij nieuwe omstandigheden. Dit is te bestuderen in een testbuis.
Snelle genoom sequencing: zorgt voor nieuwe mogelijkheden, waardoor de evolutie goed te
volgen is.
Evolutietheorie 2: alle huidige organismen stammen af van gezamelijke voorouders.
Agument: geologie, er zijn verwantschappen in erfelijke eigenschappen (DNA) en andere
principes (vormen). Bouwplan eukaryoten (symbiosetheorie).
De eerste organismen waren makkelijker tot de organismen zijn gaan samenleven en
hebben de taken verdeeld (symbiose en organellen - mitochondrie).
,Evolutiesnelheid van organismen
Theorie: eukaryoten
delen langzaamst dus
sommige elementen
lijken biochemisch nog
meeste op oude
toestand.
Men kan terugkijken tot miljoenen jaar door vergelijking met alle nu bestaande organismen.
Hiervan gebruiken ze: - genoommateriaal
- biochemische processen
- celopbouw
Evolutietheorie 3: alle leven is ontstaan uit organische moleculen in een levenloze oersoep.
Tentamenvraag oefenen
Welk onderdeel uit de volgende lijst is niet aanwezig in een bacteriecel:
a) DNA
b) citroenzuur cyclus
c) mitochondrion
d) ribosoom
e) phospholipide dubbellaag
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Antonie van Leeuwenhoek: eerste microscoop met een 200x
vergroting. Hij ontdekte vele soorten eencelligen en bacteriën.
Lichtmicroscoop: werd later ontwikkeld, maar hiervan was het
oplossend vermogen gelimiteerd door de golflengte. De resolutie is
dus beperkt tot 200x200x300 nm.
Elektronen microscoop (1930-1939): werkt met behulp van
transmissie EM. Nu is er geen beperking meer van de resolutie door
de golflengte en zijn bacteriën in 3D te zien.
Modellen voor bestuderen met nadelen:
Zoogdieren – erg moeilijk en ethische problemen (diermishandeling)
Lagere organismen met doorzichtig lichaam – sommige medische en
farmaceutische aspecten moeilijk te vergelijken.
Celkweek na behandeling weefsel met protease – cellen gedragen
zich onnatuurlijk.
, Fluorescentie microscopie:
fluorescein = groen
tetramethylchodamine = rood
Het cytoskelet wordt zo zichtbaar
met fluorescente antilichamen.
GFP: groen fluorescent eiwit dat is ontdekt in kwallen.
Tegenwoordig zijn er meer
kleuren bekend zoals:
- blauw tot groen (GFP-derived)
- geel tot rood/paars (mRFP1-
derived)
Isolatie axon door myelinemembraan