Ergotherapie en ouderen introductie
Veelvoorkomend bij ouderen →
- Afname van de mobiliteit (o.a. lopen, balans, conditie en kracht);
- Verminderde communicatiemogelijkheden (o.a. spraak, gehoor en gezichtsvermogen);
- Verminderde cognitieve vaardigheden (o.a. aandacht, informatieverwerking, geheugen,
planning, organisatie, volgorde en concentratie);
- Vermindering van motivatie en toename van apathie
- Afname van sociale contacten (o.a. door het overlijden van dierbaren, door minder initiatief
te nemen en door afname van andere mogelijkheden tot het leggen van contacten);
- Toename van depressie/angst
• Osteoporose: als je botten meer dan gemiddeld verzwakt zijn
• Artrose: een aandoening van je hele gewricht, je kraakbeen in dat gewricht wordt minder, je
gewricht raakt soms ontstoken en het bot in het gewricht verandert. Je hebt pijn en stijfheid
in het desbetreffende gewricht.
• Cognitieve klachten: verstandelijk
- Dementie
• Combinatie:
- Parkinson
• Richtlijn: document met aanbevelingen, gericht op het verbeteren van de kwaliteit van zorg.
Geen dwingende voorschriften
Op evidence gebaseerd
- Zorginhoudelijk deel
- Algemeen deel
Richtlijnen kunnen mono- of multidisciplinair zijn.
• Monodisciplinair: vanuit 1 discipline
• Multidisciplinair: betrekking hebbend op meerdere disciplines
- Richtlijn ergo: scoot mobiel training
,1.2hcCL2
Dementie (neurologie)
• Dementie: Geheugenverlies
• Geheugen: Waar info uit de buitenwereld wordt verwerkt en opgeslagen
Het geheugenproces → geheugenmodel van Atkinson & Shriffrin
- Alles wat je binnenkrijgt via je zintuigen komt binnen in je brein→ sensorische registers:
wordt hier kort vastgehouden (bewaren of niet) → korte termijngeheugen (10 seconden
vasthouden)hier kan een beperkt informatie in → lange termijngeheugen (onbeperkte
opslagplaats)
• Het korte termijngeheugen: 10 seconden geheugen: tijdelijke opslag voor informatie
• Sensorische registers: hierin wordt de zintuigelijke
informatie enkele tienden van een seconde bewaard.
• Kortetermijngeheugen: hier komt een selectie van die
sensorische informatie aan (tijdelijke opslagplaats)
hier blijft de informatie 10 seconden
• Langetermijngeheugen: hier komt alles aan wat
langer bewaard moet blijven dan 10 seconden, hier
wordt de informatie permanent vastgelegd.
• Werkgeheugen: doet meer dan het korte
termijngeheugen. Hier wordt de informatie bewerkt,
geordend, gecombineerd en gemanipuleerd. Hogere
mentale functies dan het korte termijn geheugen.
Informatieverkeer→ 3 vormen
- Inprenting: opnemen van informatie
- Retentie: het gedurende enige tijd vasthouden van de opgenomen informatie
- Reproductie: dat je de informatie weer terug kunt halen, het uit het geheugen ophalen van
de vastgehouden informatie (via je korte termijn geheugen)
Mensen met een retentiedefect kunnen informatie wel goed herkennen, maar hebben moeite met
het zelf terughalen van de geleerde informatie (ze zijn dan goed in een meerkeuzetoets).
Lange termijngeheugen en expliciet geheugen→
• Expliciet/ declaratieve geheugen: de plek waar je
feiten en gebeurtenissen kunt opslaan (dingen die je
weet, meegemaakt) een stoornis in het expliciete
geheugen wordt amnesie genoemd →
• Episodisch geheugen: unieke, zelf meegemaakte
gebeurtenissen. levenservaringen(als kind).
Onderhoud sociale relaties. Vormt je identiteit.
, • Semantisch geheugen: kennis van de wereld, algemene feitenkennis, je weet hoe algemene
dingen werken, je weet wat algemene dingen zijn (je weet hoe de Eiffel toren eruit ziet)
Alle episoden dragen bij aan een opbouw van een semantisch geheugenspoor.
• Prospectief geheugen: vooruit kijken, dingen voornemen die je gaat doen (volgende week
naar een verjaardag) als mensen iets met hun brein hebben dan is vaak dit geheugen
aangetast
• Impliciet/ non-declaratieve geheugen: het handelen, dingen zoals bewegen, motorische
dingen (fietsen, typen) waar je niet over hoeft na te denken →
• Procedureel geheugen: hierin zitten je motorische, sensorische en mentale vaardigheden
opgeslagen (lopen, fietsen, hoef je niet meer over na te denken) mentale vaardigheden
(rekenen, potje kaarten spelen) (autorijden)
Dit geheugen is afhankelijk van een samenwerkingsverband tussen motorische cortex, basale
ganglia en cerebellum.
• Priming (voorbehandeling): herkennen van informatie omdat je het eerder hebt gezien
(snelheids smiley in de auto, je herkent de smiley en je weet dat je iets goed doet)
(onbewuste manier van leren/ informatie herkennen)
Priming berust op processen in de sensorische neocortex.
• Conditionering:
Klassiek conditioneren: aanleren van een relatie tussen 2 stimuli ( de pavlov reactie filmpje) -
- Pavlov reactie: als je een geluid hoort dat bij een bepaalde handeling hoort dan krijg je het
gevoel van deze handeling (plassen bij het geluid van water horen)
Operant conditioneren: leren door belonen of straffen (je leert je hond te gaan zitten door
hem elke keer als hij het goede gedrag laat zien te belonen met een brokje)
• Het amnestisch syndroom: een stoornis van het expliciete geheugen
Iemand met een amnestisch syndroom vergeet dingen die hij net heeft meegemaakt. De hersenen
zijn hierbij niet meer in staat om de informatie van het korte- naar het langetermijngeheugen over te
brengen en stabiele geheugensporen te vormen.
Het impliciete geheugen is bij amnesie patiënten gespaard eb kan daardoor bijdragen aan
compensatie van amnestische stoornissen.
Het opslaan van expliciete informatie in het geheugen →
Het geheugenspoor of engram →
Informatie van buiten wordt in het brein bewaart in neurale netwerken (KTG) in de secundaire en
tertiaire cortex van de pariëtale en de temporale kwabben, de actieve werking ervan is een taak van
de prefrontale cortex.
Om informatie te kunnen onthouden moet de neurale activiteit (=veranderende synapsen) worden
vastgelegd in een geheugenspoor of engram. Zon engram komt tot stand doordat er op allerlei
plaatsen binnen een actief neuraal netwerk synapsveranderingen plaatsvinden. Een engram is dus
een ruimtelijk wijdverbreid patroon.
Engrammen worden bewaard in het langetermijngeheugen.
Wat er gebeurt in je brein als je dingen wil onthouden→
De informatie wordt opgeslagen in je brein in een netwerk van neuronen, doordat je iets wil
onthouden verandert en iets in de actiepotentialen tussen die neuronen. Deze kleine
veranderingetjes moeten allemaal aan elkaar gekoppeld worden en dan wordt het een netwerk. Dat
netwerk heet een engram of geheugenspoor.
, Prikkelgeleiding (synaps)
Er verandert iets in de prikkeloverdracht als je iets wil onthouden, deze kleine veranderingetjes
vormen samen een geheugenspoor.
Hippocampus: belangrijk onderdeel in het maken van geheugensporen/ engrammen.
Als in de hippocampus een beschadiging optreed wordt het heel lastig om dingen te gaan onthouden.
Beoordeeld of de info moet worden opgeslagen
- Onderdeel van het limbisch systeem en verbonden met de neocortex
- Beoordeelt informatie en bepaalt of het moet worden opgeslagen
2 functies:
- Vormen van engrammen
- Verstevigen- consolideren(permanent laten worden) - van engrammen
Pijlen in figuur 5-2 →
1- Transfer naar het LTG, de initiele vorming van het
engram. Blijft deze stap achterwege, dan gaat de
informatie voorgoed verloren.
2- De andere pijl is de verdere versteviging van de prille
engrammen. Consolidatie= wordt bevorderd door
regelmatig aan de gebeurtenis terug te denken. Jonge
engrammen kunnen alleen worden geactiveerd als de
hippocampus meehelpt.
➔ De hippocampus zorgt voor de vorming en
consolidatie van engrammen en doet dat grondiger
naarmate hij meer door andere limbische structuren
wordt gestimuleerd. Het is dan ook begrijpelijk dat er geheugenstoornissen kunnen ontstaan
door hippocampale beschadiging, maar evenzeer door letsels elders in het circuit van Papez.
Amnesie→
2 soorten:
• Anterograde amnesie: (je vergeet dingen van na het hersenletsel) er kunnen geen nieuwe
engrammen meer worden gevormd, patiënt kan hierdoor geen nieuwe informatie meer
opslaan en vergeet informatie na een paar minuten. Kan niet vertellen over gebeurtenissen
die zich na het begin van de ziekte hebben voorgedaan. Desoriëntatie in tijd, plaats en
persoon.
• Retrograde amnesie: (je vergeet dingen van voor het hersenletsel) gevormde engrammen
worden niet verder geconsolideerd, daardoor vervagen de geheugensporen en de
corresponderende herinneringen. De herinneringen die voorheen goed toegankelijk waren