Topografie van het menselijk lichaam
Anatomie = de bouw van het menselijk lichaam
Fysiologie = de werking van het menselijk lichaam
Pathologie = de leer van ziekten en aandoeningen
In de anatomische houding sta je rechtop met je hoofd vooruit, de armen zijn
gestrekt naast je lichaam, je handpalmen staan naar voren en je voeten staan
iets uit elkaar.
Drie soorten lichaamsvlakken en -doorsneden zijn: frontaal vlak, transversaal vlak
en sagittaal vlak.
Frontaal vlak: verdeelt het lichaam of delen daarvan in voor en achter
Transversaal vlak: verdeelt het lichaam in boven en onder
Sagittaal vlak: verdeelt het lichaam in links en rechts
De plaatsaanduiding gaat uit van de anatomische houding. De belangrijkste
plaatsaanduidingen zijn:
Plaatsaanduiding Gebruik Voorbeeld
Ventraal (aan de Bij grotere structuren of De slokdarm ligt dorsaal
buikzijde) dorsaal (aan over grotere afstand van de luchtpijp en
de rugzijde) ventraal van de
wervelkolom.
Anterior (aan de Bij kleinere structuren of De a. cerebri anterior
voorkant) posterior ( aan over kleinere afstand (voorste hersenslagader)
de achterkant) voorziet het voorste deel
van de grote hersenen,
en de a. cerebri posterior
(achterste
hersenslagader) het
achterste deel.
Centraal (in het midden) Bij uitgestrekte stelsels Het centrale
perifeer ( aan de als het zenuwstelsel of zenuwstelsel omvat
uiteinden) het circulatiestelsel hersenen en ruggenmerg
en de zenuwen behoren
tot het perifere
zenuwstelsel.
Craniaal (aan de kant Bij de wervelkolom of het De borstwervels liggen
van de schedel) centrale zenuwstelsel, craniaal van de
caudaal (aan de kant meestal over grotere lendenwervels en
van de staart/ voeten) afstanden caudaal wordt het
ruggenmerg steeds
dunner.
Superior (hoger, boven) Bij kleinere structuren of De v. cava superior
inferior (lager, beneden) over kleinere afstanden (bovenste holle ader)
voert het bloed uit hoofd
en armen naar het hart;
de v. cava inferior doet
dat met bloed uit benen
en buikorganen.
,Lateraal (aan de zijkant) Algemeen gebruik Bij gesloten benen
mediaal (aan de worden mediale zijden
binnenkant) van de benen tegen
elkaar aan gehouden.
Proximaal (aan de kant Bij (delen van) De elleboog ligt
van de romp) ledematen proximaal ten opzichte
distaal (ver van de romp) van de pols en distaal
ten opzichte van de
schouder.
Sinister (links) Bij symmetrisch gelegen V. subclavia sinistra
Dexter (rechts) structuren (linker onder
sleutelbeenader) en V.
subclavia Dexter (rechter
onder sleutelbeenader)
Internus (inwendig) Bij de ligging in de De a. carotis interna
externus (uitwendig) diepte, vooral bij (inwendig halsslagader)
bloedvaten en zenuwen treedt de schedel binnen
en de a. carotis externa
(uitwendige
halsslagader) vertakt
zich aan de buitenkant
van de schedel.
Belangrijkste richting aanduidingen:
Richting aanduiding Gebruik
Flexie = buiging Bij bewegingen van het
extensie = strekking ellebooggewricht, de vingers, de
knieën en de tenen
Anteflexie = buiging naar voren Bij bewegingen van de hele arm, het
retroflexie = buiging naar achteren hele been, de romp en het hoofd
lateroflexie = buiging naar opzij
Dorsale flexie = buiging naar de Bij bewegingen van de hand en/of
handrug/voetwreef voet
palmaire flexie = buiging naar de
handpalm plantaire flexie =
buiging naar de voetzool
Supinatie = buitenwaartse draaiing Bij bewegingen van de hand en de
van horizontaal gehouden hand/voet voet
waardoor de handpalm/voetrand naar
boven draait pronatie =
tegengesteld aan supinatie
Abductie = beweging van de Bij bewegingen van ledematen
middellijn af adductie =
beweging naar de middellijn toe
Exorotatie = buitenwaartse draaiing Bij bewegingen van ledematen
rond een lengteas
endorotatie = binnenwaartse draaiing
rond een lengteas
Bij het lichamelijk onderzoek worden verschillende onderzoeksmethoden
gebruikt:
,Inspectie = het bekijken van de buitenkant van het lichaam.
Percussie = het bekloppen van lichaamsdelen met vingers op vingers.
Auscultatie = het beluisteren van organen met een stethoscoop.
Palpatie = het aftasten van lichaamsdelen.
Verschillende soorten aanvullend onderzoek:
Microbiologisch onderzoek = onderzoek waarbij weefsels en vloeistoffen,
zoals urine en bloed wordt onderzocht.
Onderzoeken die gebruik maken van röntgenstraling zijn röntgenonderzoek en
CT-scan. Het onderzoek dat gebruik maakt van geluidsgolven heet
echografie. En MRI-scan maakt
gebruik van een grote magneet.
Dit zijn beeldende onderzoeken.
, Celleer
Een cel is de kleinste stofwisselingseenheid en bouwsteen van ons lichaam.
Meerdere cellen bij elkaar met een soortgelijke bouw en gemeenschappelijke
functies noem je een weefsel. Een orgaan is een geheel aan weefsels dat een
specifieke taak heeft binnen het lichaam. Een orgaanstelsel is een groep van
organen die samenwerken om een of meerdere functies in het lichaam uit te
voeren.
Celdifferentatie = Het proces waarbij cellen verschillende vormen en functies
krijgen, afhankelijk van de functie die ze gaan vervullen.
Celspecialisatie = het proces waarbij cellen een heel specifieke functie krijgen.
De orgaanstelsels met hun functies zijn:
Spijsverteringsstelsel: Verwerken van voedsel en opname van
voedingsstoffen.
Ademhalingsstelsel: Uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide.
Bloedvatenstelsel: Transport van bloed, voedingsstoffen, afvalstoffen, en
gassen.
Zenuwstelsel: Verwerken van informatie en aansturen van
lichaamsfuncties.
Hormoonstelsel: Reguleren van lichaamsprocessen door middel van
hormonen.
Uitscheidingsstelsel: Verwijderen van afvalstoffen uit het lichaam.
Voortplantingsstelsel: Voortplanting en ontwikkeling van nakomelingen.
Lymfestelsel: Afweer tegen infecties en verwijderen van overtollig vocht.
Bewegingsstelsel: Beweging en ondersteuning van het lichaam.
Een cel is gevuld met cytoplasma, waarin veel stoffen zijn opgelost zoals water,
eiwitten, vetten en zouten. Een cel is omgeven door een celmembraan dat
bestaat uit een dubbele laag fosfolipiden. De functie hiervan is regelen welke
stoffen wel en niet de cel in mogen.
Ook bevat elke cel zogenaamde organellen die allemaal een andere functie
hebben. De belangrijkste zijn:
De celkern bevat DNA met erfelijke eigenschappen en met informatie voor
de eiwitsynthese in de cel.
Ribosomen zijn verantwoordelijk voor de eiwitsynthese in de cel.