Jurisprudentie
Hoorcollege 1 Totstandkoming, afbreken onderhandelingen, kwalificatie, gemengde
overeenkomsten, totstandkomingsgebreken
1. HR 13 nov 1936 Iustum Pretium (verkort)
Rechtsvraag Kan een contractueel vervalbeding in strijd met de goede zeden zijn? Aanvaren wij de
iustrum pretium leer?
Rechtsregel Wij omarmen geen ‘iustum pretium’-leer. Wij gaan ervanuit dat ovk’s met volle verstand, in
volle vrijheid en met kennis van relevante feiten zijn gesloten, binden. Ook als ze
onevenwichtig zijn. Een beding zoals Moorman wist op te nemen in zijn advertentiecontract
zou vandaag wss als algemene voorwaarden getoetst kunnen worden. Een beding is dan
onredelijk bezwarend al het, gelet op de aard en de overige inhoud van de ovk, de wijze
waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van
partijen en de overige omstandigheden van het geval, het evenwicht tussen de uit de ovk
voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van een van hen
aanzien verstoort. Richtlijn 93/13 verwerpt de zuivere iustrum pretium leer ook.
Een contractueel vervalbeding als sanctie op wanprestatie is niet strijdig met de goede
zeden, ook als door dat vervalbeding het evenwicht tussen de prestatieverplichtingen van
partijen wordt geraakt.
Heeft betrekking op Art. 3:40 lid 1, 6:248 BW
2. HR 15 nov 1957 Baris/Riezenkamp (verkort)
Rechtsvraag Kan er nog een geslaagd beroep op dwaling worden gedaan als je zelf geen maatregelen
hebt genomen?
Mag je op de juistheid van de mededelingen van jouw wederpartij uitgaan?
Rechtsregel Een ovk die onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen, blijft ‘gewoon’ van
kracht totdat deze vernietigd wordt.
De dwalende mag in beginsel afgaan op de juistheid van mededelingen gedaan door de
wederpartij.
Onderhandelingen worden door de redelijkheid en billijkheid beheerst. Er is een door de
goede trouw beheerste rechtsverhouding. Je moet je bij onderhandelingen je gedrag mede
laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. De dwalende heeft
de plicht tegenover de wederpartij om maatregelen te nemen die voorkomen dat hij onder
invloed van een onjuiste voorstelling van zaken (dwaling) de ovk sluit. Hoe ver die
gehoudenheid reikt, wordt mede bepaald door het uitgangspunt dat de dwalende mag
afgaan op de juistheid van de mededelingen van de wederpartij. Als de dwalende in dwaling
verkeert doordat hij deze gehoudenheid niet nakomt, kan het beroep op dwaling afgewezen
worden (i.v.m. strijd r&b).
Heeft betrekking op Art. 6:228 (jo 3:51 lid 3), 6:2 BW
Precontractuele fase 2
HR Effectenlease, HR Renteswap
3. HR 30 jan 1959 Quint/Te Poel (verkort)
Rechtsvraag Is er een gesloten stelsel van bronnen van verbintenissen?
Rechtsregel Bronnen van verbintenis hoeven niet letterlijk in de wet te zijn opgenomen. Ze moeten in
het stelsel van de wet en de daarin wel geregelde gevallen passen.
Heeft betrekking op Art. 6:1 BW
4. HR 18 april 1969 Gemeente Katwijk/ Aannemer Westdijk
Rechtsvraag Is er nog sprake van een ongerechtvaardigde verrijking/onverschuldigde betaling indien dit
niet op grond van een verplichting rustte?
Rechtsregel In casu begon Westdijk al met bouwen terwijl er alleen nog maar een offerte lag. Westdijk
wilde waarde van de verrichte prestatie terug o.g.v. 6:203.
In art. 6:212 BW wordt gedoeld op prestaties, die verricht zijn als gevolg van een ovk die
later nietig is verklaard. Wat dus niet betekent dat het een prestatie is die zonder enige
verplichting en slechts in de hoop en de verwachting dat een offerte wordt geaccepteerd, is
verricht.
Evenmin volgt uit enig ander wettelijk stelsel af te leiden dat zodanige prestatie degene die
daarvan voordeel geniet, verplicht tot vergoeding van het nadeel dat door hem die de
prestatie verrichte deswege mocht zijn geleden.
Heeft betrekking op Art. 6:212 BW (6:203)
1
, 5. HR 17 dec 1976 Gemeente Bunde/ Erckens (verkort)
Rechtsvraag Hoe kan een begrip worden uitgelegd waarover misverstand is in een overeenkomst?
Rechtsregel Als partijen een begrip gebruiken in hun ovk waarvan achteraf blijkt dat zij ten tijde van het
sluiten van de ovk dat begrip verschillend bedoelden (misverstand), dan hangt de vraag of
er een ovk tot stand is gekomen en zo ja met welke inhoud, af van wat partijen over en
weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid,
overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze
mochten toekennen. Daarbij spelen verschillende omstandigheden een rol. De HR noemt
vier gezichtspunten, zie hiervoor uitspraak op blz 38/39 in Verkort.
Heeft betrekking op Art. 3:33 & 3:35, 6:217, 6:248 lid 1 BW
6. HR 18 juni 1982 Plas/ Gemeente Valburg (verkort) (+ CBB/JPO)
Rechtsvraag Wanneer mag je nog ongebonden een overeenkomst beëindigen?
Rechtsregel In beginsel staat het onderhandelende partij vrij om onderhandelingen te eindigen.
Onder omstandigheden kan afbreken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zijn.
Als partijen over en weer erop mochten vertrouwen dat een ovk zou volgen uit de
onderhandelingen, kan er in zo’n situatie plaats zijn voor een verplichting tot vergoeding
van gederfde winst.
Uitleg van de drie fases.
Uitleg van fases onderhandelen in uitspraak op blz 62 in Verkort.
Heeft betrekking op Art. 6:2, 6:162 BW
Precontractuele aansprakelijkheid
R&b buiten overeenkomst
7. HR 10 nov 1989 Azivo/ GGD (verkort)
Rechtsvraag Kan de weigering om te contracteren een onrechtmatige daad opleveren in bijzondere
omstandigheden?
Rechtsregel Als geen wettelijke contracteerplicht bestaat kan het in de concrete omstandigheden
onrechtmatig zijn om toch niet de prijs te betalen voor de dienst die beide partijen niet
kunnen ‘ontwijken’.
Er was geen ovk gesloten maar partijen kunnen door de wettelijke inkadering niet om elkaar
heen. Gezien het wettelijk stelsel was de weigering om facturen te betalen een OD oordeelt
de rechter. Het kan onrechtmatig zijn om te profiteren van een prestatie die door geen van
beide partijen ‘ontweken’ kan worden.
Soms is het mogelijk om het positief contractsbelang te vorderen o.g.v. OD, namelijk
wanneer de OD gelegen is in de weigering om te contracteren.
Heeft betrekking op Art. 6:162, 6:2 BW
8. HR 19 nov 1994 Nederlandse Benzol Maatschappij BV/ Securicor Nederland BV (verkort)
Rechtsvraag Hoe werkt het gerechtvaardigd vertrouwen bij een mededeling?
Rechtsregel Een moedermaatschappij wekt gerechtvaardigd vertrouwen bij wederpartij van
dochtermaatschappij dat crediteuren van de dochter goed behandeld zullen worden.
Afgaande op deze geruststellende verklaringen gaat wederpartij in zee met dochter. Het is
onrechtmatig van de moeder om door de mededelingen het vertrouwen te wekken én dit
vertrouwen vervolgens te beschamen, aldus het Hof. Geen cassatieklacht tegen dit oordeel
gericht.
Het gerechtvaardigd vertrouwen van art. 3:35 BW kan leiden tot het ontstaan van een
verbintenis tot het verrichten van de primaire prestatie, terwijl het plegen van een OD
uitmondt in een verbintenis tot schadevergoeding die er niet was geweest als de daad niet
was gepleegd. 3:35 heeft een positief belang en 6:162 juist negatief. Dit arrest illustreert dat
de artikelen in elkaar geschoven kunnen worden als de rechter de OD samenstelt uit de
combinatie van wekken en niet honoreren van ’t vertrouwen.
Als er een vertrouwenwekkende mededelingen zijn gedaan waar de wederpartij op af mag
gaan, moet je je daar ook aan houden.
Heeft betrekking op Art. 6:162, 3:35 BW
2
, 9. HR 22 nov 1996 Althuisius’ ladder (verkort)
Rechtsvraag In hoeverre ben je aansprakelijkheid als je een (gebrekkige) zaak uitleent?
Rechtsregel De aansprakelijkheidsregel van art. 7A:1790 BW heeft exclusieve werking en stelt art.
6:173 BW buiten werking.
7A:1790 stelt uitlener aansprakelijk voor gebreken als hij die kende en hij de gebruiker
daarvan niet op de hoogte stelde. Dit artikel is een lex specialis die strengere eisen stelt
aan aansprakelijkheid (daadwerkelijke, subjectieve kennis van het gebrek is vereist) dan
art. 6:162 BW doet (objectieve kennis van het gebrek kan volstaan).
De bekendheidseis van 7A:1790 heeft exlusieve werking.
De beperkende werking van r&b kunnen onder omstandigheden een beroep op 7A:1790
onaanvaardbaar doen zijn, maar dat die beperkende werking niet de subjectieve
bekendheidseis van 7A:1790 kan wegnemen. Het staat ook in de weg op een beroep op
6:173.
Heeft betrekking op Art. 6:173, 7A:1790 BW
10. HR 27 april 2001 Dierenarts
Rechtsvraag Kan de bezitter zich distantiëren van aansprakelijkheid uit 6:179 BW o.g.v. de
behandelingsovereenkomst die hij met de arts heeft gesloten?
Rechtsregel Regels die voortvloeien uit de door partijen gesloten behandelingsovk en de in art. 6:179
BW neergelegde regel kunnen in beginsels naast elkaar van toepassing zijn.
Noch de aard en de strekking van de behandelingsovereenkomst, noch de
verkeersopvattingen brengen mee dat in een onderhavig geval de dierenarts het risico van
het letsel moet dragen. De bezitter van het paard kan dus wel aansprakelijk worden
gehouden.
Hoofdregel: afwijken risicoaansprakelijkheden mag, tenzij de wet het verbiedt.
Het enkele feit dat je bv. een behandelingsovk sluit maakt niet dat je opeens je rechten uit
de risicoaansprakelijkheid kwijt zou spelen, je kan het wel uitdrukkelijk overeenkomen. Doe
je dat niet, blijft het wettelijke regime bestaan. Tenzij de wetgever heeft beoogd dat het
contractuele regime altijd voorgaat boven het delictuele regime.
Heeft betrekking op Art. 6:179 BW
11. HR 25 okt 2002 Paardrijles
Rechtsvraag Verschuift de aansprakelijkheid van eigenaar naar berijder indien het paard vrijwillig wordt
bereden en met toestemming (ovk)?
Rechtsregel Indien degene die een paard van een ander berijdt, schade lijdt ten gevolge van
onberekenbaar gedrag van het paard, is het feit dat het slachtoffer het paard vrijwillig berijdt
en met toestemming van de eigenaar (dus een ovk), niet voldoende om te zeggen dat de
aansprakelijkheid uit 6:179 van de eigenaar van het paard geheel vervalt. Of, en zo ja, in
hoeverre sprake is van een omstandigheid die in de risicosfeer van de berijder ligt en
daarom aan hem moeten worden toegerekend, hangt af van de inhoud van de ovk en de
overige omstandigheden van het geval.
Ook voor de toepassing van billijkheidscorrectie ex 6:101 lid 1 is dit feit niet voldoende. Dit
is niet anders indien het paard door de eigenaar aan de berijder ter beschikking is gesteld
in het kader van een door of onder verantwoordelijkheid van de eigenaar gegeven
paardrijles.
Het onberekenbare gedrag van een dier komt in beginsel voor rekening van de eigenaar.
Enkele feit van berijden o.g.v. ovk is niet voldoende om te concluderen dat 6:179 geheel
opzij is geschoven. Bij rijles blijft schade deels voor rekening cursist 6:101: inhoud ovk en
overige omstandigheden bepalen in hoeverre de schade voor eigen rekening blijft.
Heeft betrekking op Art. 6:179, 6:101 lid 1 BW
12. HR 12 aug 2005 CBB/JPO (+ Plas/ Gemeente Valburg)
Rechtsvraag Was het terecht om de onderhandelingen af te breken?
Rechtsregel De maatstaf voor beoordeling schadevergoedingsplicht is dat ieder van de
onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag door elkaars gerechtvaardigde
belangen te laten bepalen – vrij is af te breken, tenzij o.g.v. 3:35 van wederpartij in de
totstandkoming van de ovk of i.v.m. andere omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn.
Rekening houden met mate waarin en wijze waarop afbrekende partij het gerechtvaardigd
vertrouwen heeft bijgedragen. Ook van belang kan zijn of zich in de loop van de
onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, en het vertrouwen
zich desondanks heeft voortgezet. Op het moment van afbreken moet worden geoordeeld
3
, aan de achtergrond van het gehele verloop van onderhandelingen.
De Plas/Valburg maatstaf moet je terughoudend toepassen. Je moet een sterk verhaal
hebben: kunnen aantonen dat op het moment van afbreken jij in de gegeven
omstandigheden een solide gerechtvaardigd vertrouwen had in de totstandkoming van ee
ovk.
Heeft betrekking op Precontractuele fase
13. HR 20 jan 2012 Leien dak (verkort)
Rechtsvraag Kun je schadevergoeding vorderen bij een onderaannemer waar jij als opdrachtgever niet
direct een contract mee hebt gesloten?
Rechtsregel Als een onderaannemer wanprestatie pleegt tegenover de hoofdaannemer, levert dat niet
van rechtswege een OD van de onderaannemer op tegenover de opdrachtgever.
Je hoeft in beginsel geen rekening te houden met belangen van derden bij de uitvoering
van je ovk. Indien belangen zo nauw betrokken zijn zal dit in bepaalde omstandigheden wel
moeten. De maatschappelijke betamelijkheid ex 6:162 lid 2 bepaalt dat je met het oog op
de belangen van de derde moet gedragen. Of de normen van maatschappelijke
betamelijkheid dat met zich brengen, hangt af van relevante omstandigheden van het geval
(zie hiervoor blz 108 van Verkort).
Heeft betrekking op Art. 6:74, 6:162 BW (7:750, 751 BW
14. HR 20 dec 2019 Inscharing
Rechtsvraag Wie is de contractuele wederpartij bij een ovk?
Hoe dient de uitleg en de kwalificatie van een ovk plaats te vinden?
Rechtsregel Herhaling Kribbebijter.
Contract van in- en uitscharing is een contract waarbij ene partij een stuk land ter
beschikking stelt en de ander een geldsom betaald per jaar om paard te laten grazen.
Of sprake kan zijn van een wisselende wederpartij, hangt af van hetgeen de betrokken
partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars
verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze afleiden. A.d.h.v. Haviltex
moet worden beoordeeld of partijen bedrijfsmatig gebruik door de NV hadden afgesproken.
De inhoud van de ovk moet worden bekeken door Haviltex, maar de kwalificatie niet. Hierbij
twee stappen:
1) Wat zijn de wederzijdse rechten en plichten die partijen op zich hebben genomen?
- Uitleg
2) Voldoen die kenmerken aan een of meer ovk’s geregeld in Boek 7 BW?
- Benoem contracten
- Kwalificatie
- Niet relevant is of partijen daadwerkelijk de bedoeling hadden om die wettelijke
regels toepasselijk te laten zijn
Je kan ook kijken naar wat er is gebeurd ná het sluiten van de ovk: dynamische uitleg. Dit
kan zo ver gaan dat het zelfs een partijwisseling kan oplossen.
Voor art. 6:159 moet je toestemming van de wederpartij hebben. Staat dit arrest niet op
gespannen voet met 6:159? Docent denkt dat het niet kan en dat het net iets te dynamisch
hebben geformuleerd.
Heeft betrekking op Art. 6:159 BW, kwalificatie van overeenkomsten
Hoorcollege 2 & 3 totstandkoming en totstandkomingsgebreken
15. HR 19 juni 1959 Kantharos van Stevensweert (verkort)
Rechtsvraag Wanneer is er sprake van verkopersdwaling/ wederzijdse dwaling?
Rechtsregel Als een verkoper dwaalt over de eigenschappen en waarde van de verkochte zaak, dan is
dat in beginsel voor diens risico. Alleen als de verkoper een mededeling had behoren te
doen van die eigenschappen en waarde, is een beroep op dwaling mogelijk.
Verkopersdwaling over de aard en waarde van het verkochte object zijn voor risico van de
verkoper.
Heeft betrekking op Art. 6:228 BW
16. HR 2 april 1993 Cattier/ Waanders (verkort)
Rechtsvraag Mag de verkoopovereenkomst ontbonden worden op grond van dwaling?
Rechtsregel Mevrouw had haar appartement voor €900.000 verkocht aan een makelaar. De makelaar
verkocht het door voor €1,2 miljoen aan een projectontwikkelaar omdat hij er lofts van ging
maken. Mevrouw vond dat er sprake was van een mededelingsplicht vanuit de makelaar en
4
Hoorcollege 1 Totstandkoming, afbreken onderhandelingen, kwalificatie, gemengde
overeenkomsten, totstandkomingsgebreken
1. HR 13 nov 1936 Iustum Pretium (verkort)
Rechtsvraag Kan een contractueel vervalbeding in strijd met de goede zeden zijn? Aanvaren wij de
iustrum pretium leer?
Rechtsregel Wij omarmen geen ‘iustum pretium’-leer. Wij gaan ervanuit dat ovk’s met volle verstand, in
volle vrijheid en met kennis van relevante feiten zijn gesloten, binden. Ook als ze
onevenwichtig zijn. Een beding zoals Moorman wist op te nemen in zijn advertentiecontract
zou vandaag wss als algemene voorwaarden getoetst kunnen worden. Een beding is dan
onredelijk bezwarend al het, gelet op de aard en de overige inhoud van de ovk, de wijze
waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van
partijen en de overige omstandigheden van het geval, het evenwicht tussen de uit de ovk
voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van een van hen
aanzien verstoort. Richtlijn 93/13 verwerpt de zuivere iustrum pretium leer ook.
Een contractueel vervalbeding als sanctie op wanprestatie is niet strijdig met de goede
zeden, ook als door dat vervalbeding het evenwicht tussen de prestatieverplichtingen van
partijen wordt geraakt.
Heeft betrekking op Art. 3:40 lid 1, 6:248 BW
2. HR 15 nov 1957 Baris/Riezenkamp (verkort)
Rechtsvraag Kan er nog een geslaagd beroep op dwaling worden gedaan als je zelf geen maatregelen
hebt genomen?
Mag je op de juistheid van de mededelingen van jouw wederpartij uitgaan?
Rechtsregel Een ovk die onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen, blijft ‘gewoon’ van
kracht totdat deze vernietigd wordt.
De dwalende mag in beginsel afgaan op de juistheid van mededelingen gedaan door de
wederpartij.
Onderhandelingen worden door de redelijkheid en billijkheid beheerst. Er is een door de
goede trouw beheerste rechtsverhouding. Je moet je bij onderhandelingen je gedrag mede
laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. De dwalende heeft
de plicht tegenover de wederpartij om maatregelen te nemen die voorkomen dat hij onder
invloed van een onjuiste voorstelling van zaken (dwaling) de ovk sluit. Hoe ver die
gehoudenheid reikt, wordt mede bepaald door het uitgangspunt dat de dwalende mag
afgaan op de juistheid van de mededelingen van de wederpartij. Als de dwalende in dwaling
verkeert doordat hij deze gehoudenheid niet nakomt, kan het beroep op dwaling afgewezen
worden (i.v.m. strijd r&b).
Heeft betrekking op Art. 6:228 (jo 3:51 lid 3), 6:2 BW
Precontractuele fase 2
HR Effectenlease, HR Renteswap
3. HR 30 jan 1959 Quint/Te Poel (verkort)
Rechtsvraag Is er een gesloten stelsel van bronnen van verbintenissen?
Rechtsregel Bronnen van verbintenis hoeven niet letterlijk in de wet te zijn opgenomen. Ze moeten in
het stelsel van de wet en de daarin wel geregelde gevallen passen.
Heeft betrekking op Art. 6:1 BW
4. HR 18 april 1969 Gemeente Katwijk/ Aannemer Westdijk
Rechtsvraag Is er nog sprake van een ongerechtvaardigde verrijking/onverschuldigde betaling indien dit
niet op grond van een verplichting rustte?
Rechtsregel In casu begon Westdijk al met bouwen terwijl er alleen nog maar een offerte lag. Westdijk
wilde waarde van de verrichte prestatie terug o.g.v. 6:203.
In art. 6:212 BW wordt gedoeld op prestaties, die verricht zijn als gevolg van een ovk die
later nietig is verklaard. Wat dus niet betekent dat het een prestatie is die zonder enige
verplichting en slechts in de hoop en de verwachting dat een offerte wordt geaccepteerd, is
verricht.
Evenmin volgt uit enig ander wettelijk stelsel af te leiden dat zodanige prestatie degene die
daarvan voordeel geniet, verplicht tot vergoeding van het nadeel dat door hem die de
prestatie verrichte deswege mocht zijn geleden.
Heeft betrekking op Art. 6:212 BW (6:203)
1
, 5. HR 17 dec 1976 Gemeente Bunde/ Erckens (verkort)
Rechtsvraag Hoe kan een begrip worden uitgelegd waarover misverstand is in een overeenkomst?
Rechtsregel Als partijen een begrip gebruiken in hun ovk waarvan achteraf blijkt dat zij ten tijde van het
sluiten van de ovk dat begrip verschillend bedoelden (misverstand), dan hangt de vraag of
er een ovk tot stand is gekomen en zo ja met welke inhoud, af van wat partijen over en
weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid,
overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze
mochten toekennen. Daarbij spelen verschillende omstandigheden een rol. De HR noemt
vier gezichtspunten, zie hiervoor uitspraak op blz 38/39 in Verkort.
Heeft betrekking op Art. 3:33 & 3:35, 6:217, 6:248 lid 1 BW
6. HR 18 juni 1982 Plas/ Gemeente Valburg (verkort) (+ CBB/JPO)
Rechtsvraag Wanneer mag je nog ongebonden een overeenkomst beëindigen?
Rechtsregel In beginsel staat het onderhandelende partij vrij om onderhandelingen te eindigen.
Onder omstandigheden kan afbreken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zijn.
Als partijen over en weer erop mochten vertrouwen dat een ovk zou volgen uit de
onderhandelingen, kan er in zo’n situatie plaats zijn voor een verplichting tot vergoeding
van gederfde winst.
Uitleg van de drie fases.
Uitleg van fases onderhandelen in uitspraak op blz 62 in Verkort.
Heeft betrekking op Art. 6:2, 6:162 BW
Precontractuele aansprakelijkheid
R&b buiten overeenkomst
7. HR 10 nov 1989 Azivo/ GGD (verkort)
Rechtsvraag Kan de weigering om te contracteren een onrechtmatige daad opleveren in bijzondere
omstandigheden?
Rechtsregel Als geen wettelijke contracteerplicht bestaat kan het in de concrete omstandigheden
onrechtmatig zijn om toch niet de prijs te betalen voor de dienst die beide partijen niet
kunnen ‘ontwijken’.
Er was geen ovk gesloten maar partijen kunnen door de wettelijke inkadering niet om elkaar
heen. Gezien het wettelijk stelsel was de weigering om facturen te betalen een OD oordeelt
de rechter. Het kan onrechtmatig zijn om te profiteren van een prestatie die door geen van
beide partijen ‘ontweken’ kan worden.
Soms is het mogelijk om het positief contractsbelang te vorderen o.g.v. OD, namelijk
wanneer de OD gelegen is in de weigering om te contracteren.
Heeft betrekking op Art. 6:162, 6:2 BW
8. HR 19 nov 1994 Nederlandse Benzol Maatschappij BV/ Securicor Nederland BV (verkort)
Rechtsvraag Hoe werkt het gerechtvaardigd vertrouwen bij een mededeling?
Rechtsregel Een moedermaatschappij wekt gerechtvaardigd vertrouwen bij wederpartij van
dochtermaatschappij dat crediteuren van de dochter goed behandeld zullen worden.
Afgaande op deze geruststellende verklaringen gaat wederpartij in zee met dochter. Het is
onrechtmatig van de moeder om door de mededelingen het vertrouwen te wekken én dit
vertrouwen vervolgens te beschamen, aldus het Hof. Geen cassatieklacht tegen dit oordeel
gericht.
Het gerechtvaardigd vertrouwen van art. 3:35 BW kan leiden tot het ontstaan van een
verbintenis tot het verrichten van de primaire prestatie, terwijl het plegen van een OD
uitmondt in een verbintenis tot schadevergoeding die er niet was geweest als de daad niet
was gepleegd. 3:35 heeft een positief belang en 6:162 juist negatief. Dit arrest illustreert dat
de artikelen in elkaar geschoven kunnen worden als de rechter de OD samenstelt uit de
combinatie van wekken en niet honoreren van ’t vertrouwen.
Als er een vertrouwenwekkende mededelingen zijn gedaan waar de wederpartij op af mag
gaan, moet je je daar ook aan houden.
Heeft betrekking op Art. 6:162, 3:35 BW
2
, 9. HR 22 nov 1996 Althuisius’ ladder (verkort)
Rechtsvraag In hoeverre ben je aansprakelijkheid als je een (gebrekkige) zaak uitleent?
Rechtsregel De aansprakelijkheidsregel van art. 7A:1790 BW heeft exclusieve werking en stelt art.
6:173 BW buiten werking.
7A:1790 stelt uitlener aansprakelijk voor gebreken als hij die kende en hij de gebruiker
daarvan niet op de hoogte stelde. Dit artikel is een lex specialis die strengere eisen stelt
aan aansprakelijkheid (daadwerkelijke, subjectieve kennis van het gebrek is vereist) dan
art. 6:162 BW doet (objectieve kennis van het gebrek kan volstaan).
De bekendheidseis van 7A:1790 heeft exlusieve werking.
De beperkende werking van r&b kunnen onder omstandigheden een beroep op 7A:1790
onaanvaardbaar doen zijn, maar dat die beperkende werking niet de subjectieve
bekendheidseis van 7A:1790 kan wegnemen. Het staat ook in de weg op een beroep op
6:173.
Heeft betrekking op Art. 6:173, 7A:1790 BW
10. HR 27 april 2001 Dierenarts
Rechtsvraag Kan de bezitter zich distantiëren van aansprakelijkheid uit 6:179 BW o.g.v. de
behandelingsovereenkomst die hij met de arts heeft gesloten?
Rechtsregel Regels die voortvloeien uit de door partijen gesloten behandelingsovk en de in art. 6:179
BW neergelegde regel kunnen in beginsels naast elkaar van toepassing zijn.
Noch de aard en de strekking van de behandelingsovereenkomst, noch de
verkeersopvattingen brengen mee dat in een onderhavig geval de dierenarts het risico van
het letsel moet dragen. De bezitter van het paard kan dus wel aansprakelijk worden
gehouden.
Hoofdregel: afwijken risicoaansprakelijkheden mag, tenzij de wet het verbiedt.
Het enkele feit dat je bv. een behandelingsovk sluit maakt niet dat je opeens je rechten uit
de risicoaansprakelijkheid kwijt zou spelen, je kan het wel uitdrukkelijk overeenkomen. Doe
je dat niet, blijft het wettelijke regime bestaan. Tenzij de wetgever heeft beoogd dat het
contractuele regime altijd voorgaat boven het delictuele regime.
Heeft betrekking op Art. 6:179 BW
11. HR 25 okt 2002 Paardrijles
Rechtsvraag Verschuift de aansprakelijkheid van eigenaar naar berijder indien het paard vrijwillig wordt
bereden en met toestemming (ovk)?
Rechtsregel Indien degene die een paard van een ander berijdt, schade lijdt ten gevolge van
onberekenbaar gedrag van het paard, is het feit dat het slachtoffer het paard vrijwillig berijdt
en met toestemming van de eigenaar (dus een ovk), niet voldoende om te zeggen dat de
aansprakelijkheid uit 6:179 van de eigenaar van het paard geheel vervalt. Of, en zo ja, in
hoeverre sprake is van een omstandigheid die in de risicosfeer van de berijder ligt en
daarom aan hem moeten worden toegerekend, hangt af van de inhoud van de ovk en de
overige omstandigheden van het geval.
Ook voor de toepassing van billijkheidscorrectie ex 6:101 lid 1 is dit feit niet voldoende. Dit
is niet anders indien het paard door de eigenaar aan de berijder ter beschikking is gesteld
in het kader van een door of onder verantwoordelijkheid van de eigenaar gegeven
paardrijles.
Het onberekenbare gedrag van een dier komt in beginsel voor rekening van de eigenaar.
Enkele feit van berijden o.g.v. ovk is niet voldoende om te concluderen dat 6:179 geheel
opzij is geschoven. Bij rijles blijft schade deels voor rekening cursist 6:101: inhoud ovk en
overige omstandigheden bepalen in hoeverre de schade voor eigen rekening blijft.
Heeft betrekking op Art. 6:179, 6:101 lid 1 BW
12. HR 12 aug 2005 CBB/JPO (+ Plas/ Gemeente Valburg)
Rechtsvraag Was het terecht om de onderhandelingen af te breken?
Rechtsregel De maatstaf voor beoordeling schadevergoedingsplicht is dat ieder van de
onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag door elkaars gerechtvaardigde
belangen te laten bepalen – vrij is af te breken, tenzij o.g.v. 3:35 van wederpartij in de
totstandkoming van de ovk of i.v.m. andere omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn.
Rekening houden met mate waarin en wijze waarop afbrekende partij het gerechtvaardigd
vertrouwen heeft bijgedragen. Ook van belang kan zijn of zich in de loop van de
onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, en het vertrouwen
zich desondanks heeft voortgezet. Op het moment van afbreken moet worden geoordeeld
3
, aan de achtergrond van het gehele verloop van onderhandelingen.
De Plas/Valburg maatstaf moet je terughoudend toepassen. Je moet een sterk verhaal
hebben: kunnen aantonen dat op het moment van afbreken jij in de gegeven
omstandigheden een solide gerechtvaardigd vertrouwen had in de totstandkoming van ee
ovk.
Heeft betrekking op Precontractuele fase
13. HR 20 jan 2012 Leien dak (verkort)
Rechtsvraag Kun je schadevergoeding vorderen bij een onderaannemer waar jij als opdrachtgever niet
direct een contract mee hebt gesloten?
Rechtsregel Als een onderaannemer wanprestatie pleegt tegenover de hoofdaannemer, levert dat niet
van rechtswege een OD van de onderaannemer op tegenover de opdrachtgever.
Je hoeft in beginsel geen rekening te houden met belangen van derden bij de uitvoering
van je ovk. Indien belangen zo nauw betrokken zijn zal dit in bepaalde omstandigheden wel
moeten. De maatschappelijke betamelijkheid ex 6:162 lid 2 bepaalt dat je met het oog op
de belangen van de derde moet gedragen. Of de normen van maatschappelijke
betamelijkheid dat met zich brengen, hangt af van relevante omstandigheden van het geval
(zie hiervoor blz 108 van Verkort).
Heeft betrekking op Art. 6:74, 6:162 BW (7:750, 751 BW
14. HR 20 dec 2019 Inscharing
Rechtsvraag Wie is de contractuele wederpartij bij een ovk?
Hoe dient de uitleg en de kwalificatie van een ovk plaats te vinden?
Rechtsregel Herhaling Kribbebijter.
Contract van in- en uitscharing is een contract waarbij ene partij een stuk land ter
beschikking stelt en de ander een geldsom betaald per jaar om paard te laten grazen.
Of sprake kan zijn van een wisselende wederpartij, hangt af van hetgeen de betrokken
partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars
verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze afleiden. A.d.h.v. Haviltex
moet worden beoordeeld of partijen bedrijfsmatig gebruik door de NV hadden afgesproken.
De inhoud van de ovk moet worden bekeken door Haviltex, maar de kwalificatie niet. Hierbij
twee stappen:
1) Wat zijn de wederzijdse rechten en plichten die partijen op zich hebben genomen?
- Uitleg
2) Voldoen die kenmerken aan een of meer ovk’s geregeld in Boek 7 BW?
- Benoem contracten
- Kwalificatie
- Niet relevant is of partijen daadwerkelijk de bedoeling hadden om die wettelijke
regels toepasselijk te laten zijn
Je kan ook kijken naar wat er is gebeurd ná het sluiten van de ovk: dynamische uitleg. Dit
kan zo ver gaan dat het zelfs een partijwisseling kan oplossen.
Voor art. 6:159 moet je toestemming van de wederpartij hebben. Staat dit arrest niet op
gespannen voet met 6:159? Docent denkt dat het niet kan en dat het net iets te dynamisch
hebben geformuleerd.
Heeft betrekking op Art. 6:159 BW, kwalificatie van overeenkomsten
Hoorcollege 2 & 3 totstandkoming en totstandkomingsgebreken
15. HR 19 juni 1959 Kantharos van Stevensweert (verkort)
Rechtsvraag Wanneer is er sprake van verkopersdwaling/ wederzijdse dwaling?
Rechtsregel Als een verkoper dwaalt over de eigenschappen en waarde van de verkochte zaak, dan is
dat in beginsel voor diens risico. Alleen als de verkoper een mededeling had behoren te
doen van die eigenschappen en waarde, is een beroep op dwaling mogelijk.
Verkopersdwaling over de aard en waarde van het verkochte object zijn voor risico van de
verkoper.
Heeft betrekking op Art. 6:228 BW
16. HR 2 april 1993 Cattier/ Waanders (verkort)
Rechtsvraag Mag de verkoopovereenkomst ontbonden worden op grond van dwaling?
Rechtsregel Mevrouw had haar appartement voor €900.000 verkocht aan een makelaar. De makelaar
verkocht het door voor €1,2 miljoen aan een projectontwikkelaar omdat hij er lofts van ging
maken. Mevrouw vond dat er sprake was van een mededelingsplicht vanuit de makelaar en
4