07-01-2025
Leerdoelen probleem 1:
1. Wat is de empirische cyclus?
(welke elementen zitten erin
(zie college)).
1. Theorie (kan ook vanuit toeval)
2. Theoretische deductie = van
abstracte theorie naar
specifiekere hypothese(n); toetsbare
stelling die falsificeerbaar is.
3. Theoretische voorspelling (=hypothese)
met een onderzoeksvraag
4. Onderzoeksdesign met bijpassende
onderzoekspopulatie en
interventie/metingen kiezen
5. Systematische waarnemingen
6. Generalisatie: hypothesen vanuit data-
analyse -> wat ik heb gevonden voor 10
mensen, geldt dat ook voor de hele
populatie?
7. Conclusie en rapportage vanuit bepaalde resultaten
8. Inductie = van concrete waarnemingen naar abstract beeld (en opnieuw); terug naar
theorie(vorming)/theoretische verklaring
2. Wat is inductie en deductie?
Het deductieproces = beste manier van onderzoek, syllogisme van Socrates, het vertalen van
een globaal onderzoeksidee in een of meer onderzoeksvraagstellingen. Het proces van een
abstracte theorie naar een of meer te toetsen hypothesen is dus deductie, van de theorie af.
Het inductieproces = het proces waarbij concrete waarnemingen naar een meer abstract,
algemeen geldend beeld van de werkelijkheid wordt vertaald; een theorie opstellen op basis
van waarnemingen, naar de theorie toe.
- Het inductief redeneren stelt dat een nieuwe theorie niet alleen opgaat voor de
waargenomen gevallen, maar ook opgaat in alle vergelijkbare gevallen. Om erachter
te komen of dat zo is, voert men nieuwe, systematische waarnemingen uit. Als die
kloppen met de verwachtingen, is dat een verificatie dat men met de theorie op het
juiste spoor zit of juist een falsificatie.
3. Wat zijn HIV en AIDS?
HIV (te bestrijden via ART; virus dat aids veroorzaakt) gebruikt CD4-T-cellen om zich te
vermenigvuldigen.
4. (gezondheidsstatistieken) Welke indicatoren/frequentiematen kunnen bij welk doel
gebruikt worden?
,De epidemiologie is de leer of wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van
verschijnselen (=plagen, ziekten) die als het ware op een volk geworpen zijn.
In de epidemiologie vormt ziekte de centrale variabele.
In de epidemiologie gaat het om het voorkomen van ziekte in menselijke populaties. Het
voorkomen van ziekte wordt veelal beschouwt in relatie tot het voorkomen van andere
verschijnselen. Het gaat daarbij om factoren waarvan men vermoedt dat ze van invloed zijn
op het ontstaan van de desbetreffende ziekte (etiologische factoren), een indicatie geven
van de aanwezigheid van de ziekte in kwestie (diagnostische factoren), of samenhangen met
het verloop van de ziekte (prognostische factoren). Een epidemioloog is geïnteresseerd in de
mate van voorkomen (frequentie van ziekten onder de bevolking).
- Het in kaart brengen van
het distributiepatroon van
een ziekte behoort tot het
domein van de
beschrijvende
epidemiologie. De tak van
de epidemiologie die de
oorzakelijke factoren tracht te identificeren die aan de frequentie van ziekte ten
grondslag liggen, wordt de verklarende/analytische epidemiologie genoemd.
- Vaak kwaliteit van leven gebruikt
5. Wat zijn de frequentiematen/risicomaten (vb. incidentie, prevalentie etc. en hoe zijn
die opgebouwd)?
Incidentie = het aantal nieuwe gevallen van ziekte per tijdseenheid per aantal van
de bevolking/ het aantal mensen dat in die periode in die populatie leefde zonder
die ziekte wanneer men nieuwe ziektegevallen telt in een groep die kans loopt de
betreffende ziekte te krijgen (de populatie ‘at risk’).
- Cumulatieve incidentie = aantal nieuwe ziektegevallen in periode/ totale populatie
at risk in beginperiode*100%. Dit geldt voor gesloten (cohort)populatie; liever geen
loss to follow-up, geen prevalente gevallen erbij tellen.
- Incidentiedichtheid (ID) = aantal nieuwe ziektegevallen in periode/personen x tijd
(=persoonstijd). Dit geldt voor open, dynamische populatie; gemiddelde snelheid
waarmee ziekte zich ontwikkelt per tijdseenheid. De dimensie is daarmee 1/ jaar
(jaar-1).
Prevalentie = Aantal ziektegevallen/het aantal patiënten dat de ziekte kan krijgen
heeft betrekking op het aantal bestaande ziektegevallen.
- Puntprevalentie: aantal ziektegevallen op één bepaald tijdstip
, - Periodeprevalentie: deel van populatie dat in een bepaalde periode de ziekte had
NB. Maakt gebruik van de ‘mid-term population’ door ‘loss to follow-up’ door uitval
van populatie door bijv. sterfte: (Nbegin+ Neinde)/2
- Lifetimeprevalentie: deel van populatie dat de ziekte ooit had gedurende hun leven.
Prevalentie = incidentie*ziekteduur
Epidemiologische functie = Z = f (Di); het model dat
relatie tussen ziekte en determinanten beschrijft.
Vóórkomen van ziekte = Z
Functie van k determinanten = (i = 1, ..., k);
onafhankelijke variabelen zijn oorzaken!
Vb. kanker = functie van (leeftijd + genetica + beroep +
geslacht + leefstijl + ...)
Operationalisatie van een dimensie is een gezondheidsindicator
Epidemiologische breuk = aantal zieke individuen/totaal aantal personen in de
groep waaruit deze zieke individuen afkomstig zijn. Wanneer ziekten of
verschijnselen gedurende langere tijd op een constant hoog frequentieniveau in de
populatie aanwezig zijn, spreekt men van een endemie.
De DALY is opgebouwd uit twee componenten: de jaren verloren door vroegtijdige
sterfte (verloren levensjaren: YLL) + de jaren geleefd met ziekte
(ziektejaarequivalenten: YLD).
Bruto sterftecijfer = incidentie van overlijden in bepaalde periode
Specifiek sterftecijfer = oorzaak- of leeftijdsspecifieke incidentie van overlijden
(verkeersongeval, HVZ); sterfgevallen in bepaalde subcohort/totale populatie in
subcohort
Proportioneel sterftecijfer = deel van alle sterfgevallen t.g.v. bepaalde aandoening;
sterfgevallen door oorzaak/sterftecijfers van deze populatie
Letaliteitspercentage (‘case-fatality rate’) = % sterfte aan aandoening binnen
bepaalde periode; totaal sterfgevallen aan ziekte/ incidente patiënten met ziekte
Voorbeelden van centrale maten zijn:
het gemiddelde, de som van alle meetuitkomsten, gedeeld door het aantal metingen;
de mediaan, de waarde waar 50% van de meetuitkomsten boven en eveneens 50% van de
meetuitkomsten onder ligt;
de modus, de meetwaarde die het vaakst voorkomt.
Voorbeelden van spreidingsmaten zijn:
de standaarddeviatie (SD) van de gemiddelde meetwaarde, dit is bij benadering de absolute
waarde van het gemiddelde verschil tussen de individuele meetuitkomsten en de
gemiddelde waarde van alle meetuitkomsten;
, de interpercentielspreiding, een zone gemarkeerd door twee meetuitkomsten, waarbinnen
een bepaald percentage van de waarnemingen valt;
de range, de afstand tussen de hoogste en de laagste meetwaarde.
6. Hoe passen we de empirische cyclus toe aan hiv en aids?
1980 niet-systematische waarneming
1981 opstellen van vraagstelling/hypothese (zit deductie in)
1982 hele cyclus (zit met name inductie in)
1983 aanbevelingen – deze zijn missend in de cyclus
1984 resultaten, conclusie, inductie
De empirische cyclus bij aids:
Waarneming: meerdere homoseksuelen komen met een longontsteking bij de
dokter, er blijken geen T-cellen meer aanwezig, etc.
Theorie: aids is een homoziekte.
Onderzoeksvraag: komt het alleen bij homoseksuelen voor?
Sociologisch onderzoek doen.
Conclusie: het komt ook bij heteroseksuelen (en vrouwen) voor.
Theorie bijstellen: aids is geen homoziekte, GRID is een beperkte term door het in te
wisselen voor aids.
Andere cyclus bij aids:
Waarneming: aids wordt veroorzaakt door een bepaald virus.
Theorie: aids is een virale ziekte en AZT helpt het virus te behandelen.
Onderzoeksvraag: kan een antiviraal middel (dat normaal gesproken tegen kanker wordt
gebruikt) ook bij aids werken?
Randomised controle onderzoek (placebogecontroleerd) doen.
Conclusie: het antivirale middel AZT helpt tegen retrovirus.
Theorie: het bepaalde antivirale middel remt aids.