,samenvatting hoofdstukken sociaal recht editie 2025 34e editie 34e druk loonstra tu delft 9789001047429
, samenvatting hoofdstukken sociaal recht editie 2025 34e editie 34e druk loonstra tu delft 9789001047429
HOOFDSTUKKEN SOCIAAL RECHT, ARBEIDSRECHT
Sociaal recht = arbeidsrecht.
HOOFDSTUK 1: TERREINVERKENNING
Onzelfstandige beroepsbevolking: mensen die een betaalde baan hebben. Zij bevinden zich tijdens hun werk in een
afhankelijkheidspositie ten opzichte van een ander, namelijk de werkgever, die het recht heeft om instructies te geven aan
zijn ondergeschikten.
Zelfstandige beroepsbevolking: mensen met een eigen bedrijf, die eigen baas zijn.
zzp’er: zelfstandige zonder personeel. Een zzp’er werkt voor zichzelf en heeft geen personeel in dienst. Dit steeds groter
groeiende aantal baart de wetgever zorgen, omdat zij ook wel schijnzelfstandigen worden genoemd; zij zijn voor opdrachten
vaak afhankelijk van maar één opdrachtgever en dat maakt hen kwetsbaar (ze verdienen vaak niet eens het minimumloon en
hebben geen WW-uitkering als ze werkloos worden).
Publieke sector (± 10,6%): ambtenaren. Personeel dat in dienst is van de overheid als werkgever (bv. overheid, provincie of
gemeente).
Semipublieke sector (± 12,5%): werknemers die verbonden zijn aan organisaties en instellingen binnen de private sector die
financieel a)ankelijk zijn van de overheid (bv. ziekenhuizen, buurthuizen, onderwijs, omroep).
Private sector (± 53,9%): werknemers die werkzaam zijn in het bedrijfsleven.
Zelfstandige en onzelfstandige beroepsbevolking:
Beroepsbevolking 8.000.000 100%
Werklozen 440.000 5,5%
Werkzame beroepsbevolking 7.560.000 94,5%
Zelfstandige beroepsbevolking 1.400.000 17,5%
Onzelfstandige beroepsbevolking 6.160.000 77%
Publieke sector 850.000 10,6%
Semipublieke sector 1.000.000 12,5%
Private sector 4.310.000 53,9%
Sociaal recht gaat dus over de onzelfstandige
beroepsbevolking. Let goed op het verschil tussen werknemers
en ambtenaren!
Dit verschil wordt steeds kleiner en zal in 2020 worden opgeheven.
Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren moet ambtenaren gelijktrekken met “normale” werknemers. Deze wet moet
in 2020 in werking treden.
6 belangrijke rechtsbronnen werkgever en werknemer:
1. Het arbeidsovereenkomstenrecht
2. Het vermogensrecht in het algemeen
3. overige wetten met betrekking tot de private sector
4. de jurisprudentie (rechtersrecht)
5. de cao
6. het verdrag.
1. HET ARBEIDSOVEREENKOMSTENRECHT
, samenvatting hoofdstukken sociaal recht editie 2025 34e editie 34e druk loonstra tu delft 9789001047429
Met ingang van 1 januari 1999 is het Burgerlijk Wetboek Boek 7 titel 10 (omtrent arbeidsrecht) ingrijpend gewijzigd. Op die
datum is de Wet Flexibiliteit en Zekerheid in werking getreden.
Het doel van deze wet is enerzijds dat de werkgever flexibeler en slagvaardiger kan optreden als zich gewijzigde
marktomstandigheden voordoen. Ten gevolge van de mondialisering van de handel zijn werkgevers van mening dat zij met
hun personeelsbeleid sneller moeten kunnen reageren op veranderingen in de markt. Anderzijds stelde de werkgever zich
ten doel bepaalde kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt (oproepkrachten en uitzendkrachten) extra bescherming en dus
meer zekerheid te bieden.
Het is belangrijk te beseffen dat de Wet Flexibiliteit en Zekerheid niet als een opzichzelfstaande wet in bijvoorbeeld een
wettenbundel kan worden gevonden, maar dat deze wet in andere wetten (oa in Boek 7 titel 10 BW) verwerkt is.
Met ingang van 1 januari 2015 en 1 juli 2015 is boek 7 titel 10 opnieuw belangrijk gewijzigd. Op deze data treedt de Wet
Werk en Zekerheid (WWZ) in twee fasen in werking. De wetgever heeft daarvoor diverse redenen. In de eerste plaats wil hij
een halt toeroepen aan de ontwikkeling dat steeds minder mensen een vast arbeidscontract krijgen; werkgevers maken
namelijk steeds vaker gebruik van tijdelijke arbeidskrachten, oproepkrachten en zzp’ers. In de tweede plaats wil hij een einde
maken aan ongewenste ontwikkelingen op het terrein van het ontslagrecht. In de derde plaats moeten de overheidsuitgaven
worden teruggedrongen, wat heeft geleid tot minder lange uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet (WW).
2. VERMOGENSRECHT IN HET ALGEMEEN
De arbeidsovereenkomst is een obligatoire overeenkomst, dwz. een overeenkomst waaruit verbintenissen voortvloeien.
Een verbintenis kan omschreven worden als een rechtsbetrekking tussen ten minste twee partijen, die ertoe leidt dat de
ene partij één of meer rechten verkrijgt en de andere partij één of meer plichten op zich neemt. Voor de
arbeidsovereenkomst betekent dit onder meer dat de werkgever de plicht heeft loon door te betalen (waar de wn. recht
op heeft) en dat de wn. de plicht heeft arbeid te verrichten (waar de wg. op zijn beurt weer recht op heeft).
Een speciale regeling gaat vóór de algemene regeling. Geeft echter de speciale regeling geen antwoord op een bepaalde
problematiek, dan moet vervolgens de algemene regeling uit het vermogensrecht worden toegepast.
3. OVERIGE WETTEN (m.b.t. private sector)
Zoals bv. de Wet Minimumloon en Minimumvakantietoeslag, wetten op het terrein van de gelijke behandeling in de
werkrelatie, de Wet Arbeid Vreemdelingen, de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst, de Wet op
Ondernemingsraden, de Wet Melding Collectief Ontslag en de verschillende wetten op het terrein van de sociale zekerheid
(Werkloosheidswet, Ziektewet e.d.).
Als hun inhoud in strijd zou komen met de regels van het vermogensrecht, dan moeten de algemene bepalingen wijken. De
vele sociaalrechtelijke wetten gaan dan dus vóór de regels van boek 3 en 6 BW.
4. JURISPRUDENTIE (rechtersrecht)
Rechten hebben betrekking op door de wetgever gemaakt recht. Naast de wetgever kan ook de rechter als rechtsvormer
optreden. Regelmatig moet hij namelijk een oordeel geven over een geschil rondom een arbeidsovereenkomst, terwijl er
geen toepasselijk wetsartikel voorhanden is. De interpretatie/’oplossing” die de rechter in deze gevallen geeft, wordt als
jurisprudentie weergegeven.
Het geheel van gepubliceerde uitspraken, gedaan door rechterlijke colleges, noemen we jurisprudentie.
De arresten van de Hoge Raad – ons hoogste rechtscollege – spelen in dit verband een centrale rol. Zij worden namelijk
veelvuldig gebruikt door lagere rechters als leidraad voor hun beslissingen.
5. DE CAO
Cao-afspraken kunnen soms regels uit het arbeidsovereenkomstenrecht terzijde schuiven of bepalingen bevatten die voor de
werknemer gunstiger zijn dan hetgeen boek 7 titel 10 daarover inhoudt. Ook kunnen er in cao’s kwesties aan de orde
worden gesteld die niet in een wet of wetsartikel geregeld zijn. Voorbeelden van onderwerpen die veelvuldig in cao’s
worden geregeld zijn: de hoogte van lonen, het aantal vakantie- en verlofdagen en de toepasselijke opzegtermijnen bij
ontslag. Ook over arbeidstijden en pensioenen worden vaak afspraken gemaakt.
6. HET VERDRAG
Ook op het internationale vlak kunnen sociaalrechtelijke regels tot stand komen, die doorwerken in onze nationale
rechtsorde. Een veelvoorkomende vorm is het verdrag: een overeenkomst gesloten tussen twee of meer landen. In een
aantal gevallen kunnen burgers zich rechtstreeks op zo’n verdrag beroepen. De laatste jaren is het regelmatig voorgekomen
dat de rechter een door de Nederlandse wetgever uitgevaardigde rechtsregel niet toepaste, omdat deze in strijd was met