College 1 – Inleiding
Vragen
1. Onderwijswetenschappers kunnen in diverse rollen werkzaam zijn. Bij welke rol is sprake
van een ‘uitstapje’ naar een werkveld waarvoor de onderwijswetenschapper niet specifiek
opgeleid?
A. Ontwerper
B. Adviseur
C. Beleidsmaker
D. Lerarenopleider
2. Bij praktijkgericht onderwijsonderzoek hoeft de onderzoeker zich weinig zorgen te maken
over de generaliseerbaarheid. Dit komt doordat:
A. De resultaten meestal niet direct toepasbaar zijn in het onderwijs
B. De resultaten primair bedoeld zijn voor de school of klas waarin het onderzoek is
uitgevoerd
C. De resultaten primair bedoeld zijn om specifieke vragen van de overheid te
beantwoorden
D. De resultaten toch wel door andere scholen of leerkrachten worden gebruikt
3. Bij fundamenteel-wetenschappelijk onderwijsonderzoek kan de onderzoeker:
I. Een recente beleidsmaatregel als inspiratiebron gebruiken bij bepalen van een
onderzoeksvraag
II. Gegevens verzamelen terwijl kinderen In de klas aan een opdracht werken
III. Geen gegevens verzamelen terwijl kinderen in een onderzoekslaboratorium aan
een opdracht werken
A. Alleen uitspraak II is juist
B. Uitspraak I en II zijn juist
C. Uitspraak II en III zijn juist
D. Alle drie de uitspraken zijn juist
4. Welke van de volgende niveaus uit het ecologische systeem van Bronfenbrenner beschrijft
factoren die geen directe relatie met het kind hebben, maar wel invloed uitoefenen?
A. Microsysteem
B. Mesosysteem
C. Exosysteem
D. Macrosysteem
5. Wat is een kenmerkend verschil tussen onderwijs en instructie?
A. Onderwijs wordt niet gegeven door gediplomeerde leraren, terwijl instructie dat
wel vereist.
B. Onderwijs heeft een langere looptijd en omvat meerdere leerdoelen, terwijl
instructie kort en doelgericht is.
C. Onderwijs kan incidenteel plaatsvinden, terwijl instructie altijd intentioneel is.
, D. Instructie richt zich uitsluitend op volwassenen, terwijl onderwijs op alle leeftijd is
gericht.
6. Wat beschrijft intentioneel leren?
A. Het leren is een bijproduct van andere activiteiten.
B. Het leren gebeurt onbewust, zonder expliciete pogingen.
C. Het leren vereist bewuste inspanning en is het doel van de activiteit.
D. Het leren vindt alleen plaats in een institutionele setting.
7. Welke rol vervult een onderwijswetenschapper als hij/zij leerplanontwikkeling en
toetsontwikkeling ondersteunt?
A. Beleidsmaker
B. Onderwijsonderzoeker
C. Adviseur
D. Onderwijsontwerper
8. Bij welk aggregatieniveau in het model van onderwijswetenschappen hoort de relatie
tussen een ouder en een leraar?
A. Microsysteem
B. Mesosysteem
C. Exosysteem
D. Macrosysteem
9. Wat is een voorbeeld van praktijkgericht onderzoek binnen onderwijswetenschappen?
A. Hoe tekstuele informatie wordt gecodeerd in het werkgeheugen.
B. Of huisbezoeken bijdragen aan een positieve relatie tussen ouders en school.
C. Wat het effect is van een nationaal spreidingsbeleid op segregatie.
D. Of cultuurverschillen invloed hebben op het onderwijssysteem in Nederland.
10. Waarom wordt het Zweedse onderwijssysteem in Nederland soms als voorbeeld
genoemd?
A. Vanwege de flexibiliteit in het curriculum.
B. Vanwege de langere basisschoolperiode en de latere selectie van
onderwijsrichtingen.
C. Omdat Zweden betere rekenprestaties heeft dan Nederland.
D. Omdat het segregatieproblemen volledig heeft opgelost.
,Antwoorden
1. Onderwijswetenschappers kunnen in diverse rollen werkzaam zijn. Bij welke rol is sprake
van een ‘uitstapje’ naar een werkveld waarvoor de onderwijswetenschapper niet specifiek
opgeleid?
A. Ontwerper
B. Adviseur
C. Beleidsmaker
D. Lerarenopleider
Het juiste antwoord is D. Binnen de master bestaat er geen officiële mogelijkheid om je te
specialiseren voor de rol van lerarenopleider, maar het is wel mogelijk om een uitstapje te
maken naar dit werkveld.
2. Bij praktijkgericht onderwijsonderzoek hoeft de onderzoeker zich weinig zorgen te maken
over de generaliseerbaarheid. Dit komt doordat:
A. De resultaten meestal niet direct toepasbaar zijn in het onderwijs
B. De resultaten primair bedoeld zijn voor de school of klas waarin het onderzoek is
uitgevoerd
C. De resultaten primair bedoeld zijn om specifieke vragen van de overheid te
beantwoorden
D. De resultaten toch wel door andere scholen of leerkrachten worden gebruikt
Het juiste antwoord is B. Praktijkgericht onderzoek komt veel vaker voor. Het is de laatste
jaren belangrijk dat de vraag vanuit de praktijk zelf komt: het onderwijs. Vervolgens wordt
een onderzoek opgezet, dat gericht is op het verbeteren van de praktijk of het onderwijs
(toepassingsgericht). De resultaten zijn direct toepasbaar in de eigen school of klas. De
gegevens kunnen niet in andere situaties worden overgenomen, omdat ze toepasbaar zijn
op een specifieke situatie. Een voorbeeldvraag van dit soort onderzoek is: “Dragen
huisbezoeken en startgesprekken met ouders met een migratieachtergrond bij aan een
positieve relatie tussen ouders en school?”
3. Bij fundamenteel-wetenschappelijk onderwijsonderzoek kan de onderzoeker:
I. Een recente beleidsmaatregel als inspiratiebron gebruiken bij bepalen van een
onderzoeksvraag
II. Gegevens verzamelen terwijl kinderen in de klas aan een opdracht werken
III. Geen gegevens verzamelen terwijl kinderen in een onderzoekslaboratorium aan
een opdracht werken
A. Alleen uitspraak II is juist
B. Uitspraak I en II zijn juist
C. Uitspraak II en III zijn juist
D. Alle drie de uitspraken zijn juist
Het juiste antwoord is B. Onderwijswetenschappen is een toegepaste wetenschap.
Hierdoor is niet veel fundamenteel onderzoek beschikbaar. De vraag die men wil
beantwoorden, komt vanuit de nieuwsgierigheid van de onderzoeker zelf. Het gaat om
kennis om de kennis. De onderzoeker maakt zich geen zorgen om wat de praktijk eraan
heeft; het is niet primair gericht op de toepasbaarheid in het onderwijs. De onderzoeker
kan dit bedenken vanuit zijn werkkamer/laboratorium (dus geen onderwijssetting), maar
het kan wel worden uitgevoerd in een onderwijssetting. Een voorbeeldvraag van dit soort
, onderzoek is: “Hoe wordt tekstuele informatie geëncodeerd in het werkgeheugen: serieel
of spatieel?”
Dit soort fundamentele kennis kan in praktijken betekenis krijgen, maar dat gaat lastig,
aangezien het moeilijk te vertalen is naar de praktijk.
4. Welke van de volgende niveaus uit het ecologische systeem van Bronfenbrenner beschrijft
factoren die geen directe relatie met het kind hebben, maar wel invloed uitoefenen?
A. Microsysteem
B. Mesosysteem
C. Exosysteem
D. Macrosysteem
Het juiste antwoord is C. Het exosysteem omvat omgevingsfactoren die indirect invloed
uitoefenen op het kind. Deze factoren hebben geen directe interactie met het kind, maar
beïnvloeden bijvoorbeeld ouders, leerkrachten of andere systemen rondom het kind.
Voorbeelden hiervan zijn het werk van ouders of lokale beleidsmaatregelen.
Dit verschilt van:
• A. Microsysteem, dat directe interacties omvat, zoals die tussen het kind en ouders of
leraren.
• B. Mesosysteem, dat verbindingen tussen microsystemen beschrijft, zoals de interactie
tussen ouders en leraren.
• D. Macrosysteem, dat bredere culturele, economische en politieke contexten omvat.
5. Wat is een kenmerkend verschil tussen onderwijs en instructie?
A. Onderwijs wordt niet gegeven door gediplomeerde leraren, terwijl instructie dat
wel vereist.
B. Onderwijs heeft een langere looptijd en omvat meerdere leerdoelen, terwijl
instructie kort en doelgericht is.
C. Onderwijs kan incidenteel plaatsvinden, terwijl instructie altijd intentioneel is.
D. Instructie richt zich uitsluitend op volwassenen, terwijl onderwijs op alle leeftijd is
gericht.
Het juiste antwoord is B. Onderwijs is een geïnstitutionaliseerde en langdurige vorm van
leren, waarbij meerdere leerdoelen worden nagestreefd binnen een gestructureerd
curriculum. Dit verschilt van instructie, die meer gericht is op een specifieke, kortdurende
activiteit om een specifiek doel te bereiken.
De andere antwoorden zijn onjuist omdat:
• A. Onderwijs vereist juist een gediplomeerde leraar, terwijl instructie ook door niet-
leraren (bijvoorbeeld ouders) kan worden gegeven.
• C. Beide processen zijn intentioneel en niet incidenteel.
• D. Zowel onderwijs als instructie zijn niet gebonden aan een bepaalde leeftijdsgroep.
Vragen
1. Onderwijswetenschappers kunnen in diverse rollen werkzaam zijn. Bij welke rol is sprake
van een ‘uitstapje’ naar een werkveld waarvoor de onderwijswetenschapper niet specifiek
opgeleid?
A. Ontwerper
B. Adviseur
C. Beleidsmaker
D. Lerarenopleider
2. Bij praktijkgericht onderwijsonderzoek hoeft de onderzoeker zich weinig zorgen te maken
over de generaliseerbaarheid. Dit komt doordat:
A. De resultaten meestal niet direct toepasbaar zijn in het onderwijs
B. De resultaten primair bedoeld zijn voor de school of klas waarin het onderzoek is
uitgevoerd
C. De resultaten primair bedoeld zijn om specifieke vragen van de overheid te
beantwoorden
D. De resultaten toch wel door andere scholen of leerkrachten worden gebruikt
3. Bij fundamenteel-wetenschappelijk onderwijsonderzoek kan de onderzoeker:
I. Een recente beleidsmaatregel als inspiratiebron gebruiken bij bepalen van een
onderzoeksvraag
II. Gegevens verzamelen terwijl kinderen In de klas aan een opdracht werken
III. Geen gegevens verzamelen terwijl kinderen in een onderzoekslaboratorium aan
een opdracht werken
A. Alleen uitspraak II is juist
B. Uitspraak I en II zijn juist
C. Uitspraak II en III zijn juist
D. Alle drie de uitspraken zijn juist
4. Welke van de volgende niveaus uit het ecologische systeem van Bronfenbrenner beschrijft
factoren die geen directe relatie met het kind hebben, maar wel invloed uitoefenen?
A. Microsysteem
B. Mesosysteem
C. Exosysteem
D. Macrosysteem
5. Wat is een kenmerkend verschil tussen onderwijs en instructie?
A. Onderwijs wordt niet gegeven door gediplomeerde leraren, terwijl instructie dat
wel vereist.
B. Onderwijs heeft een langere looptijd en omvat meerdere leerdoelen, terwijl
instructie kort en doelgericht is.
C. Onderwijs kan incidenteel plaatsvinden, terwijl instructie altijd intentioneel is.
, D. Instructie richt zich uitsluitend op volwassenen, terwijl onderwijs op alle leeftijd is
gericht.
6. Wat beschrijft intentioneel leren?
A. Het leren is een bijproduct van andere activiteiten.
B. Het leren gebeurt onbewust, zonder expliciete pogingen.
C. Het leren vereist bewuste inspanning en is het doel van de activiteit.
D. Het leren vindt alleen plaats in een institutionele setting.
7. Welke rol vervult een onderwijswetenschapper als hij/zij leerplanontwikkeling en
toetsontwikkeling ondersteunt?
A. Beleidsmaker
B. Onderwijsonderzoeker
C. Adviseur
D. Onderwijsontwerper
8. Bij welk aggregatieniveau in het model van onderwijswetenschappen hoort de relatie
tussen een ouder en een leraar?
A. Microsysteem
B. Mesosysteem
C. Exosysteem
D. Macrosysteem
9. Wat is een voorbeeld van praktijkgericht onderzoek binnen onderwijswetenschappen?
A. Hoe tekstuele informatie wordt gecodeerd in het werkgeheugen.
B. Of huisbezoeken bijdragen aan een positieve relatie tussen ouders en school.
C. Wat het effect is van een nationaal spreidingsbeleid op segregatie.
D. Of cultuurverschillen invloed hebben op het onderwijssysteem in Nederland.
10. Waarom wordt het Zweedse onderwijssysteem in Nederland soms als voorbeeld
genoemd?
A. Vanwege de flexibiliteit in het curriculum.
B. Vanwege de langere basisschoolperiode en de latere selectie van
onderwijsrichtingen.
C. Omdat Zweden betere rekenprestaties heeft dan Nederland.
D. Omdat het segregatieproblemen volledig heeft opgelost.
,Antwoorden
1. Onderwijswetenschappers kunnen in diverse rollen werkzaam zijn. Bij welke rol is sprake
van een ‘uitstapje’ naar een werkveld waarvoor de onderwijswetenschapper niet specifiek
opgeleid?
A. Ontwerper
B. Adviseur
C. Beleidsmaker
D. Lerarenopleider
Het juiste antwoord is D. Binnen de master bestaat er geen officiële mogelijkheid om je te
specialiseren voor de rol van lerarenopleider, maar het is wel mogelijk om een uitstapje te
maken naar dit werkveld.
2. Bij praktijkgericht onderwijsonderzoek hoeft de onderzoeker zich weinig zorgen te maken
over de generaliseerbaarheid. Dit komt doordat:
A. De resultaten meestal niet direct toepasbaar zijn in het onderwijs
B. De resultaten primair bedoeld zijn voor de school of klas waarin het onderzoek is
uitgevoerd
C. De resultaten primair bedoeld zijn om specifieke vragen van de overheid te
beantwoorden
D. De resultaten toch wel door andere scholen of leerkrachten worden gebruikt
Het juiste antwoord is B. Praktijkgericht onderzoek komt veel vaker voor. Het is de laatste
jaren belangrijk dat de vraag vanuit de praktijk zelf komt: het onderwijs. Vervolgens wordt
een onderzoek opgezet, dat gericht is op het verbeteren van de praktijk of het onderwijs
(toepassingsgericht). De resultaten zijn direct toepasbaar in de eigen school of klas. De
gegevens kunnen niet in andere situaties worden overgenomen, omdat ze toepasbaar zijn
op een specifieke situatie. Een voorbeeldvraag van dit soort onderzoek is: “Dragen
huisbezoeken en startgesprekken met ouders met een migratieachtergrond bij aan een
positieve relatie tussen ouders en school?”
3. Bij fundamenteel-wetenschappelijk onderwijsonderzoek kan de onderzoeker:
I. Een recente beleidsmaatregel als inspiratiebron gebruiken bij bepalen van een
onderzoeksvraag
II. Gegevens verzamelen terwijl kinderen in de klas aan een opdracht werken
III. Geen gegevens verzamelen terwijl kinderen in een onderzoekslaboratorium aan
een opdracht werken
A. Alleen uitspraak II is juist
B. Uitspraak I en II zijn juist
C. Uitspraak II en III zijn juist
D. Alle drie de uitspraken zijn juist
Het juiste antwoord is B. Onderwijswetenschappen is een toegepaste wetenschap.
Hierdoor is niet veel fundamenteel onderzoek beschikbaar. De vraag die men wil
beantwoorden, komt vanuit de nieuwsgierigheid van de onderzoeker zelf. Het gaat om
kennis om de kennis. De onderzoeker maakt zich geen zorgen om wat de praktijk eraan
heeft; het is niet primair gericht op de toepasbaarheid in het onderwijs. De onderzoeker
kan dit bedenken vanuit zijn werkkamer/laboratorium (dus geen onderwijssetting), maar
het kan wel worden uitgevoerd in een onderwijssetting. Een voorbeeldvraag van dit soort
, onderzoek is: “Hoe wordt tekstuele informatie geëncodeerd in het werkgeheugen: serieel
of spatieel?”
Dit soort fundamentele kennis kan in praktijken betekenis krijgen, maar dat gaat lastig,
aangezien het moeilijk te vertalen is naar de praktijk.
4. Welke van de volgende niveaus uit het ecologische systeem van Bronfenbrenner beschrijft
factoren die geen directe relatie met het kind hebben, maar wel invloed uitoefenen?
A. Microsysteem
B. Mesosysteem
C. Exosysteem
D. Macrosysteem
Het juiste antwoord is C. Het exosysteem omvat omgevingsfactoren die indirect invloed
uitoefenen op het kind. Deze factoren hebben geen directe interactie met het kind, maar
beïnvloeden bijvoorbeeld ouders, leerkrachten of andere systemen rondom het kind.
Voorbeelden hiervan zijn het werk van ouders of lokale beleidsmaatregelen.
Dit verschilt van:
• A. Microsysteem, dat directe interacties omvat, zoals die tussen het kind en ouders of
leraren.
• B. Mesosysteem, dat verbindingen tussen microsystemen beschrijft, zoals de interactie
tussen ouders en leraren.
• D. Macrosysteem, dat bredere culturele, economische en politieke contexten omvat.
5. Wat is een kenmerkend verschil tussen onderwijs en instructie?
A. Onderwijs wordt niet gegeven door gediplomeerde leraren, terwijl instructie dat
wel vereist.
B. Onderwijs heeft een langere looptijd en omvat meerdere leerdoelen, terwijl
instructie kort en doelgericht is.
C. Onderwijs kan incidenteel plaatsvinden, terwijl instructie altijd intentioneel is.
D. Instructie richt zich uitsluitend op volwassenen, terwijl onderwijs op alle leeftijd is
gericht.
Het juiste antwoord is B. Onderwijs is een geïnstitutionaliseerde en langdurige vorm van
leren, waarbij meerdere leerdoelen worden nagestreefd binnen een gestructureerd
curriculum. Dit verschilt van instructie, die meer gericht is op een specifieke, kortdurende
activiteit om een specifiek doel te bereiken.
De andere antwoorden zijn onjuist omdat:
• A. Onderwijs vereist juist een gediplomeerde leraar, terwijl instructie ook door niet-
leraren (bijvoorbeeld ouders) kan worden gegeven.
• C. Beide processen zijn intentioneel en niet incidenteel.
• D. Zowel onderwijs als instructie zijn niet gebonden aan een bepaalde leeftijdsgroep.