pedagogiek) – boek ‘’Levensfasen’’ (4e druk) -
9789024403660
50 multiple choice vragen + antwoorden
, 1. Wat omvat pedagogiek?
A. Het bestuderen en toepassen van theorieën en methoden gericht op de opvoeding en begeleiding van
jongeren.
B. Het analyseren van maatschappelijke structuren met aandacht voor opvoedkundige processen.
C. Het onderzoeken van cognitieve en emotionele ontwikkelingen binnen educatieve settings.
D. Het ontwikkelen van praktische benaderingen voor professionele leeromgevingen.
2. Welke dimensie binnen opvoeding legt de nadruk op kennisoverdracht en het aanleren van
vaardigheden?
A. Het stimuleren van praktische oefeningen ter ontwikkeling van vaardigheden.
B. Het overbrengen van instructieve kennis via gestructureerde uitleg.
C. Het bevorderen van zelfregulatie door het opbouwen van eigen methodes.
D. Het instellen van duidelijke richtlijnen ter ondersteuning van gedragsafstemming.
3. Op welke wijze ondersteunt een ouder het welzijn van een kind?
A. Door consequent aanwijzingen te geven die een stabiele leeromgeving scheppen.
B. Via het bieden van continue feedback die gericht is op betrokkenheid.
C. Met het tonen van warme en empathische reacties die zowel fysieke als emotionele noden
adresseren.
D. Middels het toepassen van vaste interventies die het leerproces bevorderen.
4. Wat is het voornaamste doel van het geven van instructie in een opvoedcontext?
A. Het bevorderen van creatieve expressie door open uitleg die ruimte laat voor interpretatie.
B. Het ondersteunen van het leerproces via begeleidende uitleg die inzichten biedt.
C. Het stimuleren van kennisontwikkeling door middel van voorbeeldgerichte uitleg.
D. Het overbrengen van concrete leerinhouden met een gestructureerde uitleg die gericht is op het
ontwikkelen van probleemoplossende vaardigheden.
5. Hoe onderscheidt een autoritaire opvoedingsstijl zich van een autoritatieve stijl?
A. Door een aanpak die sterk op regels vertrouwt en weinig ruimte laat voor dialoog.
B. Via een methode die nadrukkelijk orde en strikte richtlijnen hanteert zonder ruimte voor flexibiliteit.
C. Met een stijl waarin beheersing centraal staat door het hanteren van onbuigzame kaders.
D. Door een werkwijze die nadruk legt op centralisatie van besluitvorming met beperkte
onderhandelingsmogelijkheden.
6. Op welke manier draagt het stellen van grenzen bij aan de ontwikkeling van een kind?
A. Door een duidelijke structuur te creëren die helpt bij het internaliseren van maatschappelijke normen.
B. Via het aanbieden van consistente richtlijnen die het aanleren van gewenst gedrag ondersteunen.
C. Met het vaststellen van regelmatige verwachtingen die de ontwikkeling van zelfdiscipline stimuleren.
D. Door een harmonieuze omgeving te scheppen waarin afspraken bijdragen aan sociale integratie.
7. Wat betekent ‘pedagogisch besef’ in de opvoeding?
A. Het combineren van theoretische kennis met algemene opvoedprincipes zonder differentiatie.
B. Het doorgronden van de ontwikkelingsnoden van het kind en het afstemmen van passende
strategieën.
C. Het toepassen van standaardmethoden zonder rekening te houden met individuele kenmerken.
D. Het integreren van theoretische concepten met routinematige procedures.