1.1 Inleiding
Systeemtheoretische uitgangspunten:
- Communicatie
- Interacties
- Wederkerigheid
- Circulair proces
- (gezins)functies
- Regels
- Rollen
- Taken
- Intergenerationele patronen
- Het narratief
- De context
Boeckhorst (2003): ‘Een systemische benadering legt de nadruk op patronen in de
tussenruimte’.
- In het systeemgericht werken wordt er van uit gegaan dat de mens enkel gezien en
begrepen kan worden in de context van zijn relaties.
1.2 Wat is een systeem?
Systeem -> Grieks woord ‘sustèma’ = samenstellen of bijeenplaatsen
Systeem (definitie volgens Van Dale) = doelmatig geordend samenhangend geheel van bij
elkaar horende dingen en hun onderdelen; = stelsel
Systeem (definitie volgens Weijenberg (2004)) = een eenheid, opgebouwd uit
deelverhoudingen; het gaat niet alleen om de delen op zich, ook niet om het geheel, maar om de
betrekkingen tussen dit alles.
Systeem (definitie zoals aangehouden in het boek) = een eenheid, opgebouwd uit
deelverhoudingen; het gaat niet alleen om de delen op zich, ook niet om het geheel, maar om de
doelgerichte circulaire betrekkingen tussen dit alles.
➔ Bij een systeem gaat het om geordende delen die elkaar beïnvloeden in meer of mindere
mate van complexiteit
➔ Systeem is gericht op het bereiken van een bepaald doel of bepaalde doelen
1.2.1 Verschillende betekenissen van systeemgericht werken
Er zijn verschillende manieren om systeemgericht werken op te vatten:
1. Therapiervorm waarbij personen uit de directe omgeving (met wie de cliënt een
duurzame relatie heeft) ook aanwezig zijn bij de behandeling of een deel ervan.
, 2. Betrekking op de inhoud of het doel van de behandeling. In de inhoud zijn onderlinge
relaties belangrijkste aandachtspunt. Doel = functioneren van het (gezins)systeem te
verbeteren en niet enkel individuele vraag oplossen + het in beeld brengen van
wederzijdse invloed cliënt en omgeving + doorbreken negatieve interactiepatronen.
3. Betrekking op circulariteit en niet op het ‘oorzaak en gevolg’ gedachtengoed (lineair
denken). Circulariteit = wederzijdse beïnvloeding.
1.3 Het individuele systeem
De mens is een systeem opgebouwd uit cellen, bijvoorbeeld het orgaanstelsel is een
subsysteem van het individu mens. De verschillende stelstel en psyche van de mens vormen
samen een eenheid.
Binnen de eenheid is er sprake van innerlijke boodschappen: input, throughput en output.
Voorbeeld met betrekking tot zuurstofarm bloed:
Open systemen = Continu in interactie met hun omgeving (mens is een open systeem).
Interacties tussen individuele systeem en omgeving zijn circulair van aard –> de omgeving
beïnvloedt het systeem, maar het systeem beïnvloedt ook de omgeving (wederkerigheid).
Wholeness = Begrip van Von Bertalanffy. Duidt op ‘het totaal’/ de totale mensen. Mens als
systeem staat in open verbinding met de omgeving en er vindt voortdurende uitwisseling van
materie, energie en informatie plaats.
Gesloten systemen = geen (of beperkte) interactie met de omgeving.
De mate van interactie die een systeem heeft met de omgeving kan veranderen:
Entropie = Open systeem raakt meer gesloten wanneer interactie met omgeving afneemt. Er is
meer energie nodig dan beschikbaar en het systeem beweegt zich richting afnemende
gezondheid of ziekte.
Negentropie = Er is energie beschikbaar, waardoor het systeem zich beweegt in de richting van
(toenemende) gezondheid.
Zelfstabilisatie = mechanisme waarbij een mens zich aanpast aan zijn omgeving of
aanpassingen in zijn omgeving bewerkstelligt
Zelforganisatie = Systeem wijzigt zich structureel
1.4 Het subsysteem
Dyadisch subsysteem = kleinste sociale subsysteem en betstaat uit twee personen.
- Om tot een bepaald subsysteem te behoren moet je deelnemen aan de communicatie
en interacties
Verschillende subsystemen binnen het gezin:
- Het partner/echtpaar subsysteem
- Het opvoeder subsysteem
- Het kind-subsysteem
, - Subsysteem naar geslacht (moeder + dochter en vader + zoon)
1.5 Het suprafamiliaire systeem
Familie = bloedverwanten tot in de vierde lijn. Familie kan opgebouwd zijn uit verschillende
gezinssystemen en individuele systemen. Bij familie gaat het om de doelgerichte betrekkingen
tussen die systemen.
1.6 De omgeving als systeem
Omgeving = Bestaat uit alle interne en externe factoren of invloeden die het gezinssysteem
omgeven. De relatie tussen het gezinssysteem en de omgeving is wederkerig. Het gezinssysteem
kan de omgeving beïnvloeden en omgekeerd kan de omgeving het gezinssysteem beïnvloeden.
De uitwisseling russen het gezinssysteem en de omgeving in de vorm van input, output en
feedback is dan ook circulair van aard.
1.7 Het systeempentagram
De verschillende systemen waar een social worker mee te maken heeft kunnen schematisch
weergegeven worden in de systeempentagram. De systemen zijn:
- Het individuele systeem/ cliënt
- Het subsysteem/ ouders/opvoeders
- Het gezinssysteem
- Het suprafamiliare systeem
- De omgeving als systeem (school, peers, werk, gezagsinstanties, nutsvoorzieningen
enz.)
Er is geen hiërarchisch onderscheid tussen deze systemen.
1.8 De plek van de social worker binnen de systemen
De eerste fase voor de social worker is het opbouwen van een goede werkalliantie, bestaande
uit drie componenten:
1. Het doel van de behandeling
2. De taak
3. De relatie tussen cliënt en therapeut
Er zijn twee soorten interactiepatronen te onderscheiden (Bateson et al., 1956):
- Symmetrische interactie = gedrag van de een wordt gevolg door eenzelfde soort gedrag
van de ander. Er is bij deze vorm sprake van concurrentie en het verkrijgen van de macht.
- Complementaire interactie = Tegengesteld gedrag dat bij elkaar past, op elkaar ingrijpt.
Interactie gebaseerd op ongelijkheid. (bv. De ene partner gaat steeds meer zorgen voor
de ander, waardoor de ander nog neerslachtiger wordt).
Kernprincipes van Eigen kracht conferenties:
- De client is eigenaar van zijn probleem
- De client is eigenaar van de conferentie en het plan
- De client houdt de regie over de uitvoering van het plan