Handboek Gezondheidsrecht samenvatting
Tentamen: 26 maart 2024
Week 1:
HC 1: inleiding gezondheidsrecht en WGBO (6feb)
Hoofdstuk 1 Plaatsbepaling en uitgangspunten van het
gezondheidsrecht (70 blz.)
1.1 Plaatsbepaling
Gezondheidsrecht: het geheel van rechtsregels m.b.t. de zorg voor de gezondheid en de toepassing
van overig burgerlijk, bestuurs- en strafrecht in dat verband.
Rechten van de patiënt: hangt samen met het feit dat de patiënt die zich tot de gezondheidszorg
wendt met een vraag om hulp, daarbij soms ook tegen die zorg beschermd moet worden. Het recht
is een van de middelen om te zorgen dat de patiënt de positie heeft die hem toekomt. Daartoe strekt
onder meer de wettelijke regeling van de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wet op de
geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO)).
Erkenning van het recht op zorg voor de gezondheid: kan worden onderverdeeld in het recht op
gezondheidszorg en het recht op gezondheidsbescherming en -bevordering.
- Eenieder dient toegang te hebben tot voor de gezondheid noodzakelijke zorg
o Is o.a. beschikbaarheid (aanwezigheid van voorzieningen, eerlijke verdeling, geen
ontoelaatbare wachttijden) en financiële bereikbaarheid (m.n. gewaarborgd in de
Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz))
- De zorg moet aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen
Gezondheidsrecht en gezondheidsethiek: gezondheidsrecht is in belangrijke mate gebaseerd op
morele uitgangspunten. De beginselen die in de gezondheidsethiek als uitgangspunt worden
beschouwd (respect voor autonomie, rechtvaardigheid, niet-schaden en weldoen), zijn ook in het
recht geïncorporeerd, ook al zijn rechtsbeginselen niet in alle opzichten gelijk aan morele beginselen.
Verschillen:
- GR houdt zich ook bezig met wettelijke en andere juridische regelingen, met rechten en
plichten, contractuele verhoudingen, met rechtsprocedures, jurisprudentie, enzovoort.
- Ethische opvattingen verschillen. GR moet ethische verschillen een plaats geven in het
rechtssysteem
o Ethiek normeert weliswaar gedrag, maar die norm is niet direct juridisch bindend
Een ethische opvatting legitimeert niet zonder meer tot rechtens ongeoorloofd handelen.
Uitzondering: als een zodanig spanningsveld tussen wet en ethiek is ontstaan dat een wettelijke regel
dwingt of dringt tot gedrag dat strijdig is met fundamentele waarden of beginselen.
1.2 Bronnen van het recht in de gezondheidszorg
Belangrijke rechtsbronnen in GR:
- Internationale verdragen
o Twee belangrijkste: internationale mensenrechtenverdragen en supranationale recht
van de EU
Bijvoorbeeld EVRM, UVRM, IVBPR, IVESCR, IVRK
o Mensenrechten:
Zorg is een belangrijke bestaansvoorziening toegang tot noodzakelijke
zorg: mensenrecht.
, Artsen e.d. bemoeien zich met mens als patiënt mensenrechten mogelijk
in geding, zoals recht op bescherming privésfeer, lichamelijke en geestelijke
integriteit
- Wetgeving
o Rechtsstaat: ook de overheid is in haar optreden gebonden aan het recht
o Enerzijds waarborgt het recht dat op zorgvuldig met de belangen van individuen en
maatschappelijke organisaties wordt omgegaan, anderzijds is het een instrument
voor de overheid om haar beleid te realiseren
o Wetgever moet niet inhoud medisch handelen wettelijk regelen algemeen
aanvaard dat dat aan de medische professie is (tenzij bijzondere ingrepen met
maatschappelijk belang in geding, bijv. abortus of euthanasie)
- Rechtspraak
o Bovennationale rechtspraak:
EHRM en HvJ EU
o Nationale rechtspraak:
Gewone rechtspraak: civiel, strafrecht en bestuursrecht
Oordeel College voor de Rechten van de Mens (CRM) en Nationale
ombudsman belangrijk
Tuchtrecht: Regionale Tuchtcolleges (RTG’s) en Centraal Tuchtcollege voor
de Gezondheidszorg (CTG)
- Zelfregulering
o Personen, groepen of instellingen stellen regels vast om (nader) aan te geven welke
normen zij onderling of met derden (zoals cliënten of publiek) in acht zullen nemen
o Interne werking: ze binden betrokkenen. Pas externe werking als de betreffende
regels door derden worden aanvaard en toegepast als ook voor hen geldende regels
Zelfregulering gezaghebbend en extern werking: zal bij voorkeur moeten
plaatsvinden in samenspraak met derden wier belangen zij raakt, is zij meer
op het algemeen belang dan op het groepsbelang gericht, komt zij niet in
beslotenheid maar in openbaarheid tot stand, en wordt zij daadwerkelijk
nageleefd door degenen die zich daartoe verbonden hebben/gehandhaafd
als zij daarbij tekortschieten
1.3 Rechtsbeginselen en grondrechten in het algemeen
Rechtsbeginselen: Onder rechtsbeginselen worden verstaan normen die aan het positieve recht ten
grondslag liggen. Rechtsbeginselen als zodanig geven geen rechtstreekse juridische aanspraken. Door
opname in het rechtssysteem worden aspecten van het rechtsbeginsel harder gemaakt (voordeel),
maar daarbij treedt soms wel verlies van inhoud en flexibiliteit op (nadeel).
Grondrechten: Grondrechten (deel uitmakend van een nationale grondwet of constitutie) zijn een
juridische vormgeving van de fundamentele plaats van de mens in de samenleving. De erkenning van
de rechten van de mens weerspiegelt de gedachte dat aan iedere persoon onvervreemdbare rechten
en vrijheden toekomen, omdat hij mens is. Als er al een omvattend beginsel aan de mensenrechten
ten grondslag ligt, dan is het de menselijke waardigheid.
- Klassieke grondrechten: beogen bescherming van een individueel vrijheidsgebied tegenover
de overheid en anderen (horizontale werking)
- Sociale grondrechten: het bieden van ontplooiingskansen aan de mens en zijn deelhebben
aan de maatschappelijke verworvenheden (participatierechten)
- Soms een spanningsveld tussen klassieke vrijheidsrechten en sociale grondrechten
Zelfbeschikkingsrecht: verschaft een normatief kader voor de toetsing van de (rechts)positie van de
mens in de gezondheidszorg en voor medisch handelen buiten de gezondheidszorg. Niet absoluut:
,mens maakt deel uit van samenleving en zal rekening moeten houden met vrijheden en rechten van
anderen. Andere begrenzing: uitoefening zelfbeschikking mag niet leiden tot schade bij anderen.
Uit het zelfbeschikkingsrecht vloeit voort dat een wilsbekwame patiënt ten aanzien van
zijn eigen gezondheidssituatie beslissingen mag nemen die door anderen als ‘onjuist’ of
‘onverstandig’ worden ervaren. Maar dat behoeft hulpverleners er niet van te weerhouden
daarover met een patiënt in discussie te gaan.
Beschermingsbeginsel: betekent onder meer het nemen van verantwoordelijkheid voor diegenen die
zorg of hulp behoeven. Gaat meer over groepen patiënten die niet of minder goed in staat zijn voor
hun belangen op te komen. Strekt zich samen met beschermingstaak van de overheid ook uit over
bescherming van personen die hun eigen belangen niet kunnen behartigen (zoals kinderen,
wilsonbekwamen of personen met een geestelijke stoornis) en die dus zichzelf kunnen schaden. Zulk
ingrijpen ‘om bestwil’ soms onvermijdelijk; menselijke waardigheid en solidariteit eisen dat zulke
mensen niet aan hun lot worden overgelaten en dan zichzelf te gronde richten.
Gelijkheidsbeginsel: kan ook een grond opleveren voor beperking zelfbeschikking waar dat nodig is
ter voorkoming of opheffing van ongerechtvaardigde ongelijkheid tussen mensen.
Recht op gezondheid(szorg): verantwoordelijkheid van de overheid om enerzijds de gezondheid van
haar burgers te beschermen en te bevorderen (bijvoorbeeld door preventieve maatregelen) en
anderzijds erop toe te zien dat gezondheidszorg (in de zin van ‘care’ en ‘cure’) beschikbaar is voor
degenen die deze op een bepaald moment behoeven.
Werkt door in meerdere grondrechten in de Gw (maar in art. 22 Gw wordt recht op zorg wel tot
uitdrukking).
1.4 De professionele standaard
De hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en
daarbij handelen ‘in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend
uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard’ (art. 7:453 BW jo. WGBO).
Medisch-professionele standaard: zorgvuldig volgens de inzichten van de medische wetenschap en
ervaring handelen als een redelijk bekwaam arts van gelijke medische categorie in gelijke
omstandigheden met middelen die in redelijke verhouding staan tot het concrete behandelingsdoel.
Het medisch handelen van artsen wordt bepaald door normen uit verschillende bronnen. Twee
categorieën normen in het handelen van artsen, moeten goed van elkaar worden onderscheiden:
- Enerzijds vloeien normen voort uit de medisch-wetenschappelijke inzichten en de ervaring
die de beroepsgroep met medische handelingen heeft opgedaan: de medisch professionele
standaard.
- Anderzijds vloeien normen voor het medisch handelen voort uit de rechten van de patiënt en
andere maatschappelijke regelingen. Hier is het niet de beroepsgroep die normen en regels
vaststelt, dat gebeurt bijv. door wetgeving, andere vormen van regulering en rechtspraak.
Professioneel handelen moet medisch-inhoudelijk aan twee eisen voldoen:
- De handeling moet medisch zijn geïndiceerd met het oog op een concreet behandelingsdoel
- Zij moet volgens de regels van de kunst (lege artis) worden uitgevoerd
De medisch-professionele standaard omvat niet alleen strikt medische factoren; soms zijn die niet
goed los te maken van maatschappelijke aspecten, zoals bij de bejegening van patiënten.
Richtlijn: enigerlei handelingsinstructie voor zorgvuldig professioneel handelen in de zorg. Bindt de
beroepsbeoefenaar in beginsel. Hoe bindend een bepaalde richtlijn precies is, zal mede afhangen van
, de vraag in welke mate de betreffende richtlijn toepasselijk was in de gegeven situatie, hoe
dwingend de richtlijn ter zake was. Soms van richtlijn af te wijken voor verlenen betere zorg, behalve
bij veiligheidsnorm. Veiligheidsnorm strekt tot bescherming tegen een specifiek gevaar. Bij
verwezenlijken van gevaar: in beginsel aansprakelijkheid. Aan aansprakelijkheid valt slechts te
ontkomen als voor niet-inachtneming klemmende redenen bestonden en alle nodige
voorzorgsmaatregelen zijn genomen.
Civielrechtelijke aansprakelijkheid van de opstellers is niet uitgesloten, maar wordt niet snel
aangenomen. Ook aansprakelijkheid van de instelling waarbinnen de richtlijn wordt gehanteerd, is
denkbaar, maar zal tot evidente gevallen beperkt blijven (of er voor de instellingsleiding aanleiding
was om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de richtlijn en of de instellingsleiding
daartoe ook voldoende deskundig is).
De term professionele autonomie wordt vaak gebruikt om aan te geven dat de arts ten aanzien van
zijn beroepsplichten zelf verantwoordelijk is. Zo ruim gesteld gaat dit echter niet op. De arts is
uiteraard verantwoordelijk voor zijn handelen, zowel medisch-inhoudelijk als ten aanzien van de
rechten van de patiënt en andere maatschappelijke normen, maar zijn autonomie beperkt zich, zoals
in de voorgaande paragrafen naar voren kwam, tot de medisch-inhoudelijke kant. Met betrekking tot
de rechten van de patiënt en andere maatschappelijke plichten is de arts gebonden aan de daarvoor
geldende normen en regels, zoals de beroepenwetgeving, de wettelijke regeling van de
geneeskundige behandelingsovereenkomst, de normen van de tuchtrechter, de beperkingen op
grond van de Wet op bijzondere medische verrichtingen (Wbmv), de Wet medisch-wetenschappelijk
onderzoek met mensen (WMO), de WOD, enzovoort. Hij kan daarvan niet met een beroep op zijn
professionele autonomie afwijken. Het is dan ook beter om te spreken van de medisch-professionele
autonomie van de arts.
Naast medische handelingen die niet overeenkomen met de medisch-professionele standaard, is de
arts ook gerechtigd handelingen te weigeren waartegen hij ernstige gewetensbezwaren heeft, zoals
abortus provocatus en euthanasie.
De arts heeft het recht om te handelen conform ‘science et conscience’. Een beroep op
gewetensbezwaren kan de arts doen ongeacht een wettelijke voorziening, omdat het in strijd zou zijn
met fundamentele rechten indien iemand zou worden gedwongen handelingen te verrichten die
tegen zijn geweten indruisen. Zie ook art. 20 lid 1 Wafz.
de arts hoeft alleen de desbetreffende handeling niet te verrichten. De overige zorg aan de patiënt
moet hij blijven verlenen. Is het gewetensbezwaar voor de arts een gewichtige reden (in de zin van
art. 7:460 BW) om de behandelingsovereenkomst te beëindigen, dan zal hij totdat een nieuwe arts is
gevonden de patiënt in behandeling moeten blijven houden.
Verwacht mag worden dat hij de patiënt informeert over het feit dat andere artsen wel bereid zijn de
desbetreffende handeling te verrichten en zo nodig naar hen verwijst. Ook zal hij aan de andere arts
inlichtingen over de patiënt moeten verstrekken (zie ook art. 20 lid 3 Wafz). Ten aanzien van
euthanasie en hulp bij zelfdoding is er van begin af aan discussie geweest of de gewetensbezwaarde
arts de patiënt die om euthanasie verzoekt, zou moeten verwijzen naar een andere arts die wel
bereid is het verzoek te honoreren. Tot een wettelijke verwijsplicht is het tot nu toe niet gekomen.
1.5 De juridische positie van het lichaam
Het biologische ‘zijn’ is niet maatgevend voor het normatieve ‘behoren’.
Dat wil niet zeggen dat biologische feiten voor het recht geen betekenis hebben; behalve de basale
biologische gegevenheden als leven en dood is er bijvoorbeeld ook het in het recht erkende belang
zijn biologische herkomst te kennen.
Het gaat om waarden en normen op grond van opvattingen over menselijke waardigheid en oordelen
over recht en rechtvaardigheid, zoals die zich in de samenleving hebben ontwikkeld. Dat vormt het
uitgangspunt van het juridisch mensbeeld.
Tentamen: 26 maart 2024
Week 1:
HC 1: inleiding gezondheidsrecht en WGBO (6feb)
Hoofdstuk 1 Plaatsbepaling en uitgangspunten van het
gezondheidsrecht (70 blz.)
1.1 Plaatsbepaling
Gezondheidsrecht: het geheel van rechtsregels m.b.t. de zorg voor de gezondheid en de toepassing
van overig burgerlijk, bestuurs- en strafrecht in dat verband.
Rechten van de patiënt: hangt samen met het feit dat de patiënt die zich tot de gezondheidszorg
wendt met een vraag om hulp, daarbij soms ook tegen die zorg beschermd moet worden. Het recht
is een van de middelen om te zorgen dat de patiënt de positie heeft die hem toekomt. Daartoe strekt
onder meer de wettelijke regeling van de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wet op de
geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO)).
Erkenning van het recht op zorg voor de gezondheid: kan worden onderverdeeld in het recht op
gezondheidszorg en het recht op gezondheidsbescherming en -bevordering.
- Eenieder dient toegang te hebben tot voor de gezondheid noodzakelijke zorg
o Is o.a. beschikbaarheid (aanwezigheid van voorzieningen, eerlijke verdeling, geen
ontoelaatbare wachttijden) en financiële bereikbaarheid (m.n. gewaarborgd in de
Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz))
- De zorg moet aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen
Gezondheidsrecht en gezondheidsethiek: gezondheidsrecht is in belangrijke mate gebaseerd op
morele uitgangspunten. De beginselen die in de gezondheidsethiek als uitgangspunt worden
beschouwd (respect voor autonomie, rechtvaardigheid, niet-schaden en weldoen), zijn ook in het
recht geïncorporeerd, ook al zijn rechtsbeginselen niet in alle opzichten gelijk aan morele beginselen.
Verschillen:
- GR houdt zich ook bezig met wettelijke en andere juridische regelingen, met rechten en
plichten, contractuele verhoudingen, met rechtsprocedures, jurisprudentie, enzovoort.
- Ethische opvattingen verschillen. GR moet ethische verschillen een plaats geven in het
rechtssysteem
o Ethiek normeert weliswaar gedrag, maar die norm is niet direct juridisch bindend
Een ethische opvatting legitimeert niet zonder meer tot rechtens ongeoorloofd handelen.
Uitzondering: als een zodanig spanningsveld tussen wet en ethiek is ontstaan dat een wettelijke regel
dwingt of dringt tot gedrag dat strijdig is met fundamentele waarden of beginselen.
1.2 Bronnen van het recht in de gezondheidszorg
Belangrijke rechtsbronnen in GR:
- Internationale verdragen
o Twee belangrijkste: internationale mensenrechtenverdragen en supranationale recht
van de EU
Bijvoorbeeld EVRM, UVRM, IVBPR, IVESCR, IVRK
o Mensenrechten:
Zorg is een belangrijke bestaansvoorziening toegang tot noodzakelijke
zorg: mensenrecht.
, Artsen e.d. bemoeien zich met mens als patiënt mensenrechten mogelijk
in geding, zoals recht op bescherming privésfeer, lichamelijke en geestelijke
integriteit
- Wetgeving
o Rechtsstaat: ook de overheid is in haar optreden gebonden aan het recht
o Enerzijds waarborgt het recht dat op zorgvuldig met de belangen van individuen en
maatschappelijke organisaties wordt omgegaan, anderzijds is het een instrument
voor de overheid om haar beleid te realiseren
o Wetgever moet niet inhoud medisch handelen wettelijk regelen algemeen
aanvaard dat dat aan de medische professie is (tenzij bijzondere ingrepen met
maatschappelijk belang in geding, bijv. abortus of euthanasie)
- Rechtspraak
o Bovennationale rechtspraak:
EHRM en HvJ EU
o Nationale rechtspraak:
Gewone rechtspraak: civiel, strafrecht en bestuursrecht
Oordeel College voor de Rechten van de Mens (CRM) en Nationale
ombudsman belangrijk
Tuchtrecht: Regionale Tuchtcolleges (RTG’s) en Centraal Tuchtcollege voor
de Gezondheidszorg (CTG)
- Zelfregulering
o Personen, groepen of instellingen stellen regels vast om (nader) aan te geven welke
normen zij onderling of met derden (zoals cliënten of publiek) in acht zullen nemen
o Interne werking: ze binden betrokkenen. Pas externe werking als de betreffende
regels door derden worden aanvaard en toegepast als ook voor hen geldende regels
Zelfregulering gezaghebbend en extern werking: zal bij voorkeur moeten
plaatsvinden in samenspraak met derden wier belangen zij raakt, is zij meer
op het algemeen belang dan op het groepsbelang gericht, komt zij niet in
beslotenheid maar in openbaarheid tot stand, en wordt zij daadwerkelijk
nageleefd door degenen die zich daartoe verbonden hebben/gehandhaafd
als zij daarbij tekortschieten
1.3 Rechtsbeginselen en grondrechten in het algemeen
Rechtsbeginselen: Onder rechtsbeginselen worden verstaan normen die aan het positieve recht ten
grondslag liggen. Rechtsbeginselen als zodanig geven geen rechtstreekse juridische aanspraken. Door
opname in het rechtssysteem worden aspecten van het rechtsbeginsel harder gemaakt (voordeel),
maar daarbij treedt soms wel verlies van inhoud en flexibiliteit op (nadeel).
Grondrechten: Grondrechten (deel uitmakend van een nationale grondwet of constitutie) zijn een
juridische vormgeving van de fundamentele plaats van de mens in de samenleving. De erkenning van
de rechten van de mens weerspiegelt de gedachte dat aan iedere persoon onvervreemdbare rechten
en vrijheden toekomen, omdat hij mens is. Als er al een omvattend beginsel aan de mensenrechten
ten grondslag ligt, dan is het de menselijke waardigheid.
- Klassieke grondrechten: beogen bescherming van een individueel vrijheidsgebied tegenover
de overheid en anderen (horizontale werking)
- Sociale grondrechten: het bieden van ontplooiingskansen aan de mens en zijn deelhebben
aan de maatschappelijke verworvenheden (participatierechten)
- Soms een spanningsveld tussen klassieke vrijheidsrechten en sociale grondrechten
Zelfbeschikkingsrecht: verschaft een normatief kader voor de toetsing van de (rechts)positie van de
mens in de gezondheidszorg en voor medisch handelen buiten de gezondheidszorg. Niet absoluut:
,mens maakt deel uit van samenleving en zal rekening moeten houden met vrijheden en rechten van
anderen. Andere begrenzing: uitoefening zelfbeschikking mag niet leiden tot schade bij anderen.
Uit het zelfbeschikkingsrecht vloeit voort dat een wilsbekwame patiënt ten aanzien van
zijn eigen gezondheidssituatie beslissingen mag nemen die door anderen als ‘onjuist’ of
‘onverstandig’ worden ervaren. Maar dat behoeft hulpverleners er niet van te weerhouden
daarover met een patiënt in discussie te gaan.
Beschermingsbeginsel: betekent onder meer het nemen van verantwoordelijkheid voor diegenen die
zorg of hulp behoeven. Gaat meer over groepen patiënten die niet of minder goed in staat zijn voor
hun belangen op te komen. Strekt zich samen met beschermingstaak van de overheid ook uit over
bescherming van personen die hun eigen belangen niet kunnen behartigen (zoals kinderen,
wilsonbekwamen of personen met een geestelijke stoornis) en die dus zichzelf kunnen schaden. Zulk
ingrijpen ‘om bestwil’ soms onvermijdelijk; menselijke waardigheid en solidariteit eisen dat zulke
mensen niet aan hun lot worden overgelaten en dan zichzelf te gronde richten.
Gelijkheidsbeginsel: kan ook een grond opleveren voor beperking zelfbeschikking waar dat nodig is
ter voorkoming of opheffing van ongerechtvaardigde ongelijkheid tussen mensen.
Recht op gezondheid(szorg): verantwoordelijkheid van de overheid om enerzijds de gezondheid van
haar burgers te beschermen en te bevorderen (bijvoorbeeld door preventieve maatregelen) en
anderzijds erop toe te zien dat gezondheidszorg (in de zin van ‘care’ en ‘cure’) beschikbaar is voor
degenen die deze op een bepaald moment behoeven.
Werkt door in meerdere grondrechten in de Gw (maar in art. 22 Gw wordt recht op zorg wel tot
uitdrukking).
1.4 De professionele standaard
De hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en
daarbij handelen ‘in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend
uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard’ (art. 7:453 BW jo. WGBO).
Medisch-professionele standaard: zorgvuldig volgens de inzichten van de medische wetenschap en
ervaring handelen als een redelijk bekwaam arts van gelijke medische categorie in gelijke
omstandigheden met middelen die in redelijke verhouding staan tot het concrete behandelingsdoel.
Het medisch handelen van artsen wordt bepaald door normen uit verschillende bronnen. Twee
categorieën normen in het handelen van artsen, moeten goed van elkaar worden onderscheiden:
- Enerzijds vloeien normen voort uit de medisch-wetenschappelijke inzichten en de ervaring
die de beroepsgroep met medische handelingen heeft opgedaan: de medisch professionele
standaard.
- Anderzijds vloeien normen voor het medisch handelen voort uit de rechten van de patiënt en
andere maatschappelijke regelingen. Hier is het niet de beroepsgroep die normen en regels
vaststelt, dat gebeurt bijv. door wetgeving, andere vormen van regulering en rechtspraak.
Professioneel handelen moet medisch-inhoudelijk aan twee eisen voldoen:
- De handeling moet medisch zijn geïndiceerd met het oog op een concreet behandelingsdoel
- Zij moet volgens de regels van de kunst (lege artis) worden uitgevoerd
De medisch-professionele standaard omvat niet alleen strikt medische factoren; soms zijn die niet
goed los te maken van maatschappelijke aspecten, zoals bij de bejegening van patiënten.
Richtlijn: enigerlei handelingsinstructie voor zorgvuldig professioneel handelen in de zorg. Bindt de
beroepsbeoefenaar in beginsel. Hoe bindend een bepaalde richtlijn precies is, zal mede afhangen van
, de vraag in welke mate de betreffende richtlijn toepasselijk was in de gegeven situatie, hoe
dwingend de richtlijn ter zake was. Soms van richtlijn af te wijken voor verlenen betere zorg, behalve
bij veiligheidsnorm. Veiligheidsnorm strekt tot bescherming tegen een specifiek gevaar. Bij
verwezenlijken van gevaar: in beginsel aansprakelijkheid. Aan aansprakelijkheid valt slechts te
ontkomen als voor niet-inachtneming klemmende redenen bestonden en alle nodige
voorzorgsmaatregelen zijn genomen.
Civielrechtelijke aansprakelijkheid van de opstellers is niet uitgesloten, maar wordt niet snel
aangenomen. Ook aansprakelijkheid van de instelling waarbinnen de richtlijn wordt gehanteerd, is
denkbaar, maar zal tot evidente gevallen beperkt blijven (of er voor de instellingsleiding aanleiding
was om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de richtlijn en of de instellingsleiding
daartoe ook voldoende deskundig is).
De term professionele autonomie wordt vaak gebruikt om aan te geven dat de arts ten aanzien van
zijn beroepsplichten zelf verantwoordelijk is. Zo ruim gesteld gaat dit echter niet op. De arts is
uiteraard verantwoordelijk voor zijn handelen, zowel medisch-inhoudelijk als ten aanzien van de
rechten van de patiënt en andere maatschappelijke normen, maar zijn autonomie beperkt zich, zoals
in de voorgaande paragrafen naar voren kwam, tot de medisch-inhoudelijke kant. Met betrekking tot
de rechten van de patiënt en andere maatschappelijke plichten is de arts gebonden aan de daarvoor
geldende normen en regels, zoals de beroepenwetgeving, de wettelijke regeling van de
geneeskundige behandelingsovereenkomst, de normen van de tuchtrechter, de beperkingen op
grond van de Wet op bijzondere medische verrichtingen (Wbmv), de Wet medisch-wetenschappelijk
onderzoek met mensen (WMO), de WOD, enzovoort. Hij kan daarvan niet met een beroep op zijn
professionele autonomie afwijken. Het is dan ook beter om te spreken van de medisch-professionele
autonomie van de arts.
Naast medische handelingen die niet overeenkomen met de medisch-professionele standaard, is de
arts ook gerechtigd handelingen te weigeren waartegen hij ernstige gewetensbezwaren heeft, zoals
abortus provocatus en euthanasie.
De arts heeft het recht om te handelen conform ‘science et conscience’. Een beroep op
gewetensbezwaren kan de arts doen ongeacht een wettelijke voorziening, omdat het in strijd zou zijn
met fundamentele rechten indien iemand zou worden gedwongen handelingen te verrichten die
tegen zijn geweten indruisen. Zie ook art. 20 lid 1 Wafz.
de arts hoeft alleen de desbetreffende handeling niet te verrichten. De overige zorg aan de patiënt
moet hij blijven verlenen. Is het gewetensbezwaar voor de arts een gewichtige reden (in de zin van
art. 7:460 BW) om de behandelingsovereenkomst te beëindigen, dan zal hij totdat een nieuwe arts is
gevonden de patiënt in behandeling moeten blijven houden.
Verwacht mag worden dat hij de patiënt informeert over het feit dat andere artsen wel bereid zijn de
desbetreffende handeling te verrichten en zo nodig naar hen verwijst. Ook zal hij aan de andere arts
inlichtingen over de patiënt moeten verstrekken (zie ook art. 20 lid 3 Wafz). Ten aanzien van
euthanasie en hulp bij zelfdoding is er van begin af aan discussie geweest of de gewetensbezwaarde
arts de patiënt die om euthanasie verzoekt, zou moeten verwijzen naar een andere arts die wel
bereid is het verzoek te honoreren. Tot een wettelijke verwijsplicht is het tot nu toe niet gekomen.
1.5 De juridische positie van het lichaam
Het biologische ‘zijn’ is niet maatgevend voor het normatieve ‘behoren’.
Dat wil niet zeggen dat biologische feiten voor het recht geen betekenis hebben; behalve de basale
biologische gegevenheden als leven en dood is er bijvoorbeeld ook het in het recht erkende belang
zijn biologische herkomst te kennen.
Het gaat om waarden en normen op grond van opvattingen over menselijke waardigheid en oordelen
over recht en rechtvaardigheid, zoals die zich in de samenleving hebben ontwikkeld. Dat vormt het
uitgangspunt van het juridisch mensbeeld.