Naam: Esmé Haverkort studentnummer: 2339757
De effectiviteit van cognitieve gedragstherapie bij 65-plussers
De vergrijzing neemt toe en steeds meer ouderen van 65-plus krijgen te maken met een
angststoornis. Bij zo’n 17% van de ouderen komt een angststoornis voor (Andreas et al., 2017).
Daarnaast is er een puntprevalentie van 11% van angststoornissen onder ouderen (De Graaf et al.,
2012). Een angststoornis is ook wel de overkoepelende naam voor zeven verschillende stoornissen
met betrekking tot langdurige angst (Trimbos Instituut, 2014). Hierbij ervaart de persoon
belemmering in het dagelijks leven en lijdt deze persoon, volgens eigen zeggen, onder de
angststoornis. Er is weinig onderzoek gedaan naar behandeling van angststoornissen bij ouderen, met
name op het gebied van cognitieve gedragstherapie (CGT), waardoor er vragen ontstaan of met name
deze behandeling effectief is. In dit essay wordt antwoord gegeven op de vraag: Wat is de effectiviteit
van cognitieve gedragstherapie bij volwassenen van 65 jaar en ouder met een angststoornis?
In de Nederlandse behandelpraktijken wordt gebruik gemaakt van stoornis specifieke CGT-
protocollen. De praktijk wijst uit dat deze protocollen bij ouderen te gebruiken zijn, maar theoretisch
bewijs is minimaal (Oude Voshaar, 2013). Allereerst tonen verschillende reviews aan dat CGT-
behandeling effectief is voor behandeling van angststoornissen (Gould et al., 2012; Hall et al., 2016;
Jayasinghe et al., 2017; Wuthrich et al., 2021). Deze reviews includeerden meerdere onderzoeken
naar de effectiviteit van CGT in relatie tot verschillende angststoornissen en bij verschillende
leeftijdsgroepen. Voor alle subtypen angststoornissen werd aangetoond dat CGT effectief was voor de
verbetering van angstsymptomen. Daarnaast werd ook gevonden dat CGT goed aanslaat bij alle
verschillende leeftijdsgroepen. Hierbij moet wel enige voorzichtigheid geboden worden, omdat er
telkens andere subtypen angststoornissen getest zijn en de heterogeniteit tussen de onderzoeken
groot was, waardoor generalisatie niet één-op-één mogelijk is. Daarentegen is er slechts een enkel
onderzoek dat de effectiviteit van CGT bij 65-plussers weerlegt (Kishita & Laidlaw, 2017). Echter, de
groepsgrootte in deze studie is klein, waardoor de spreiding groter wordt en het effect kleiner.
Volgens Hendriks et al. (2021) zijn er specifieke aandachtspunten bij het behandelen van 65-
plussers met cognitieve gedragstherapie. Bij ouderen vermindert het executief vermogen, een
verzameling van processen die te maken hebben met gedragregulatie, inhibitie, adaptatie en
emotieregulatie. Uit recente onderzoeksbevindingen blijkt dat de mate van presteren op taken voor
executief functioneren samenhangt met het verwerven van CGT-vaardigheden bij mensen van 65 jaar
en ouder met angststoornissen (Johnco et al., 2013; 2014; 2015). Ook het onderzoek van Mohlman
(2013) vond een positieve correlatie tussen prestaties op testen voor executieve functies en het
toepassen van CGT-vaardigheden door ouderen in het dagelijks leven. Er kan worden aangenomen
dat een CGT behandeling minder effectief is, wanneer het executieve vermogen afneemt (Mohlman,
2013). Praktijkgericht zou het executief vermogen van mensen eerst getest moeten worden, voordat
er gestart wordt met de CGT. Een tweede aandachtspunt voor CGT bij volwassenen vanaf 65 jaar is
het gebruik van digitale ondersteuning en het online invullen van vragenlijsten. Onderzoek laat zien
dat ondanks veel individuele verschillen, de digitale vaardigheden na 55 jaar duidelijk afnemen (van
Deursen, 2019). Men kan er bij de leeftijdsgroep van 65-plus niet automatisch van uitgaan dat zij de
digitale omgeving van CGT begrijpen en zullen daarbij ondersteuning nodig hebben.
Concluderend is er, ondanks dat er weinig onderzoek is gedaan naar 65-plussers met een
angststoornis, veel bewijs voor de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie bij mensen met
angststoornissen. Het onderzoek dat naar deze behandeling is gedaan, laat zien dat CGT effectief is
voor verschillende subtypen angststoornissen bij verschillende leeftijdsgroepen. Wel is de
heterogeniteit tussen de onderzoeken te groot om een eenduidige conclusie te trekken over de
De effectiviteit van cognitieve gedragstherapie bij 65-plussers
De vergrijzing neemt toe en steeds meer ouderen van 65-plus krijgen te maken met een
angststoornis. Bij zo’n 17% van de ouderen komt een angststoornis voor (Andreas et al., 2017).
Daarnaast is er een puntprevalentie van 11% van angststoornissen onder ouderen (De Graaf et al.,
2012). Een angststoornis is ook wel de overkoepelende naam voor zeven verschillende stoornissen
met betrekking tot langdurige angst (Trimbos Instituut, 2014). Hierbij ervaart de persoon
belemmering in het dagelijks leven en lijdt deze persoon, volgens eigen zeggen, onder de
angststoornis. Er is weinig onderzoek gedaan naar behandeling van angststoornissen bij ouderen, met
name op het gebied van cognitieve gedragstherapie (CGT), waardoor er vragen ontstaan of met name
deze behandeling effectief is. In dit essay wordt antwoord gegeven op de vraag: Wat is de effectiviteit
van cognitieve gedragstherapie bij volwassenen van 65 jaar en ouder met een angststoornis?
In de Nederlandse behandelpraktijken wordt gebruik gemaakt van stoornis specifieke CGT-
protocollen. De praktijk wijst uit dat deze protocollen bij ouderen te gebruiken zijn, maar theoretisch
bewijs is minimaal (Oude Voshaar, 2013). Allereerst tonen verschillende reviews aan dat CGT-
behandeling effectief is voor behandeling van angststoornissen (Gould et al., 2012; Hall et al., 2016;
Jayasinghe et al., 2017; Wuthrich et al., 2021). Deze reviews includeerden meerdere onderzoeken
naar de effectiviteit van CGT in relatie tot verschillende angststoornissen en bij verschillende
leeftijdsgroepen. Voor alle subtypen angststoornissen werd aangetoond dat CGT effectief was voor de
verbetering van angstsymptomen. Daarnaast werd ook gevonden dat CGT goed aanslaat bij alle
verschillende leeftijdsgroepen. Hierbij moet wel enige voorzichtigheid geboden worden, omdat er
telkens andere subtypen angststoornissen getest zijn en de heterogeniteit tussen de onderzoeken
groot was, waardoor generalisatie niet één-op-één mogelijk is. Daarentegen is er slechts een enkel
onderzoek dat de effectiviteit van CGT bij 65-plussers weerlegt (Kishita & Laidlaw, 2017). Echter, de
groepsgrootte in deze studie is klein, waardoor de spreiding groter wordt en het effect kleiner.
Volgens Hendriks et al. (2021) zijn er specifieke aandachtspunten bij het behandelen van 65-
plussers met cognitieve gedragstherapie. Bij ouderen vermindert het executief vermogen, een
verzameling van processen die te maken hebben met gedragregulatie, inhibitie, adaptatie en
emotieregulatie. Uit recente onderzoeksbevindingen blijkt dat de mate van presteren op taken voor
executief functioneren samenhangt met het verwerven van CGT-vaardigheden bij mensen van 65 jaar
en ouder met angststoornissen (Johnco et al., 2013; 2014; 2015). Ook het onderzoek van Mohlman
(2013) vond een positieve correlatie tussen prestaties op testen voor executieve functies en het
toepassen van CGT-vaardigheden door ouderen in het dagelijks leven. Er kan worden aangenomen
dat een CGT behandeling minder effectief is, wanneer het executieve vermogen afneemt (Mohlman,
2013). Praktijkgericht zou het executief vermogen van mensen eerst getest moeten worden, voordat
er gestart wordt met de CGT. Een tweede aandachtspunt voor CGT bij volwassenen vanaf 65 jaar is
het gebruik van digitale ondersteuning en het online invullen van vragenlijsten. Onderzoek laat zien
dat ondanks veel individuele verschillen, de digitale vaardigheden na 55 jaar duidelijk afnemen (van
Deursen, 2019). Men kan er bij de leeftijdsgroep van 65-plus niet automatisch van uitgaan dat zij de
digitale omgeving van CGT begrijpen en zullen daarbij ondersteuning nodig hebben.
Concluderend is er, ondanks dat er weinig onderzoek is gedaan naar 65-plussers met een
angststoornis, veel bewijs voor de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie bij mensen met
angststoornissen. Het onderzoek dat naar deze behandeling is gedaan, laat zien dat CGT effectief is
voor verschillende subtypen angststoornissen bij verschillende leeftijdsgroepen. Wel is de
heterogeniteit tussen de onderzoeken te groot om een eenduidige conclusie te trekken over de