Beperkte rechten en vorderingsrechten
Goederen (art. 3:1 BW)
Goed is het overkoepelende begrip voor zaken en vermogensrechten
Zaak is beperkt tot stoffelijke objecten (art. 3:2 BW)
Vermogensrechten gedefinieerd in art. 3:6 BW: ‘’Rechten die, hetzij afzonderlijk
hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de
rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor
verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten.’’
Vermogensrechten (art. 3:6 BW)
Voorbeelden van vermogensrechten:
- Intellectuele eigendomsrechten: auteursrecht, octrooi
- Beperkte rechten zoals erfpacht en pandrecht
- Vorderingsrechten: bijv. recht van een verkoper tot betaling van de koopprijs
Categorieën beperkte rechten
1. Gebruiksrechten
- Vruchtgebruik
- Erfdienstbaarheid
- Erfpacht
- Opstal
2. Zekerheidsrechten
- Pand
- Hypotheek
Zekerheidsrechten in art. 3:227 lid 1 BW
‘’Het recht van pand en het recht van hypotheek zijn beperkte rechten, strekkende om op de
daaraan onderworpen goederen een vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang
boven andere schuldeisers te verhalen. Is het recht op een registergoed gevestigd, dan is het
recht van hypotheek; is het recht op een ander goed gevestigd, dan is het een recht van
pand.’’
Kenmerken zekerheidsrechten
Gericht op verhaal: pandhouder/hypotheekhouder kan verhaal nemen op goed
debiteur, indien deze zijn schuld niet voldoet.
Bestaan van het beperkte recht afhankelijk van achterliggende vordering
Bedoeld om crediteur voorrang te geven boven andere schuldeisers
Parate executie (art. 3:248/268 BW)
Afhankelijke rechten: art. 3:7 BW
Recht van vruchtgebruik (art. 3:201 BW)
, ‘’Vruchtgebruik geeft het recht om goederen die aan een ander toebehoren, te gebruiken en
daarvan vruchten te genieten.’’
Belangrijke bevoegdheden raken uit de handen van de eigenaar. Vruchtgebruik is een
absoluut recht met een persoonlijk karakter. Gebonden aan het leven van de
vruchtgebruiken (zie art. 3:203 lid 2 BW).
Recht kan worden overgedragen (art. 3:223 BW), maar blijft verbonden aan leven (eerste)
vruchtgebruiker.
Toepassing in de praktijk
Recht wordt meestal gevestigd met het oogmerk om de vruchtgebruiker te bevoordelen.
Recht wordt vaak gebruikt in een testament: het hele vermogen of delen hiervan kunnen per
legaat in vruchtgebruik worden gegeven aan bijv. langstlevende partner.
Gevolg: de erfgenamen worden dan wel eigenaar, maar moeten gebruik van de zaken
overlaten aan de vruchtgebruiker.
Wijze van vestiging
Vruchtgebruik kan op alle onderdelen van een vermogen worden gevestigd:
- Onroerende zaken
- Roerende zaken
- Vorderingen
Vestiging steeds aan de hand van de schakelbepaling van art. 3:98 BW: ‘’Tenzij de wet
anders bepaalt, vindt al hetgeen in deze afdeling omtrent de overdracht van een goed is
bepaald, overeenkomstige toepassing op de vestiging, de overdracht en de afstand van een
beperkt recht op een zodanig goed.’’
Dezelfde regels als voor overdracht
Art. 3:98 jo. 84 BW: beschikkingsbevoegdheid/geldige titel/vestiging (levering)
Vestigingshandeling aan de hand van
- Art. 3:89 BW: notariële akte + inschrijving in de registers
- Art. 3:90 BW ‘bezitsverschaffing’ van het vruchtgebruik
- Art. 3:94 BW: lid 1 (akte + mededeling) of lid 3 (notariële of geregistreerde
onderhandse akte)
Erfdienstbaarheid
Artikel 5:70 lid 1
‘’Een erfdienstbaarheid is een last, waarmede een onroerende zaak – het dienende erf – ten
behoeve van een ander erf – het heersende erf – is bezwaard.’’
Altijd twee naburige erven betrokken: heersend en dienend erf.
Vestiging erfdienstbaarheid via art. 3:98 jo. 84 jo. 89 BW
Goederen (art. 3:1 BW)
Goed is het overkoepelende begrip voor zaken en vermogensrechten
Zaak is beperkt tot stoffelijke objecten (art. 3:2 BW)
Vermogensrechten gedefinieerd in art. 3:6 BW: ‘’Rechten die, hetzij afzonderlijk
hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de
rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor
verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten.’’
Vermogensrechten (art. 3:6 BW)
Voorbeelden van vermogensrechten:
- Intellectuele eigendomsrechten: auteursrecht, octrooi
- Beperkte rechten zoals erfpacht en pandrecht
- Vorderingsrechten: bijv. recht van een verkoper tot betaling van de koopprijs
Categorieën beperkte rechten
1. Gebruiksrechten
- Vruchtgebruik
- Erfdienstbaarheid
- Erfpacht
- Opstal
2. Zekerheidsrechten
- Pand
- Hypotheek
Zekerheidsrechten in art. 3:227 lid 1 BW
‘’Het recht van pand en het recht van hypotheek zijn beperkte rechten, strekkende om op de
daaraan onderworpen goederen een vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang
boven andere schuldeisers te verhalen. Is het recht op een registergoed gevestigd, dan is het
recht van hypotheek; is het recht op een ander goed gevestigd, dan is het een recht van
pand.’’
Kenmerken zekerheidsrechten
Gericht op verhaal: pandhouder/hypotheekhouder kan verhaal nemen op goed
debiteur, indien deze zijn schuld niet voldoet.
Bestaan van het beperkte recht afhankelijk van achterliggende vordering
Bedoeld om crediteur voorrang te geven boven andere schuldeisers
Parate executie (art. 3:248/268 BW)
Afhankelijke rechten: art. 3:7 BW
Recht van vruchtgebruik (art. 3:201 BW)
, ‘’Vruchtgebruik geeft het recht om goederen die aan een ander toebehoren, te gebruiken en
daarvan vruchten te genieten.’’
Belangrijke bevoegdheden raken uit de handen van de eigenaar. Vruchtgebruik is een
absoluut recht met een persoonlijk karakter. Gebonden aan het leven van de
vruchtgebruiken (zie art. 3:203 lid 2 BW).
Recht kan worden overgedragen (art. 3:223 BW), maar blijft verbonden aan leven (eerste)
vruchtgebruiker.
Toepassing in de praktijk
Recht wordt meestal gevestigd met het oogmerk om de vruchtgebruiker te bevoordelen.
Recht wordt vaak gebruikt in een testament: het hele vermogen of delen hiervan kunnen per
legaat in vruchtgebruik worden gegeven aan bijv. langstlevende partner.
Gevolg: de erfgenamen worden dan wel eigenaar, maar moeten gebruik van de zaken
overlaten aan de vruchtgebruiker.
Wijze van vestiging
Vruchtgebruik kan op alle onderdelen van een vermogen worden gevestigd:
- Onroerende zaken
- Roerende zaken
- Vorderingen
Vestiging steeds aan de hand van de schakelbepaling van art. 3:98 BW: ‘’Tenzij de wet
anders bepaalt, vindt al hetgeen in deze afdeling omtrent de overdracht van een goed is
bepaald, overeenkomstige toepassing op de vestiging, de overdracht en de afstand van een
beperkt recht op een zodanig goed.’’
Dezelfde regels als voor overdracht
Art. 3:98 jo. 84 BW: beschikkingsbevoegdheid/geldige titel/vestiging (levering)
Vestigingshandeling aan de hand van
- Art. 3:89 BW: notariële akte + inschrijving in de registers
- Art. 3:90 BW ‘bezitsverschaffing’ van het vruchtgebruik
- Art. 3:94 BW: lid 1 (akte + mededeling) of lid 3 (notariële of geregistreerde
onderhandse akte)
Erfdienstbaarheid
Artikel 5:70 lid 1
‘’Een erfdienstbaarheid is een last, waarmede een onroerende zaak – het dienende erf – ten
behoeve van een ander erf – het heersende erf – is bezwaard.’’
Altijd twee naburige erven betrokken: heersend en dienend erf.
Vestiging erfdienstbaarheid via art. 3:98 jo. 84 jo. 89 BW