Kwalitatief onderzoek
= afkomstig uit de marketing
Definitie: Een interpretatieve benadering van wetenschappelijk onderzoek
gericht op het begrijpen en inzichtelijk maken van sociale fenomenen (in
een natuurlijke i.p.v. experimentele setting) en de betekenis die mensen
hieraan geven.
Vraagstelling: wat, hoe, waarom
= gericht op het begrijpen en verklaren van een verschijnsel,
perspectieven
Uitgangspunt zijn beweegredenen, ervaringen, belevingen.
Doel = werkelijkheid beschrijven en/of verklaren.
Paradigma = samenhangend stelsel van modellen en theorieën die een
denkkader vormen waarbinnen de werkelijkheid wordt geanalyseerd en
beschreven.
Positivisme -> 1 werkelijkheid, objectief, kwantitatief
Constructivisme -> meerdere werkelijkheden, subjectief, kwalitatief
Kwalitatief onderzoek gebruik je om:
- Verschijnselen te begrijpen en te verklaren
- Kennis verkrijgen voer lokale situaties en opvattingen
- Inzicht te krijgen in:
- aard en variatie van een schijnsel
- perspectief van doelgroepen
- processen van betekenisgeving
Kwalitatief en kwantitatief onderzoek:
wil beide antwoord op de onderzoeksvraag
onderscheid zich van journalistiek door systematische en navolgbare
uitvoering
Kwalitatief onderzoek
sterke punten: natuurlijke setting, flexibel, diepgaand, hoge
validiteit
zwakke punten: tijdsintensief, lage betrouwbaarheid &
generaliseerbaarheid
Onderzoeksonderwerp
- Ervaring -> de gebeurtenissen en situaties waarin een persoon betrokken
is/ geconfronteerd wordt.
- Beleving -> de interpretatie die hij/zij aan de gebeurtenis/situatie geeft.
- Betekenisgeving -> de betekenis die hij/zij eraan geeft.
Bracketing: zonder vooroordelen het onderzoek uitvoeren -> subjectieve
ervaring
,= bewust je eigen perspectieven, voorkennis van het onderwerp tussen
haakjes plaatsen. Aannames over het onderwerp aan de kant zetten
De introductie bevat
probleemstelling rationale van de studie
hiaat in kennis (need voor de studie)
vraagstelling (wordt tegenwoordig vaak als objective/aim
geformuleerd)
doelstelling -> wat beoog je te bereiken, waar dient de verkregen
kennis toe.
Vraagstelling, begint met: hoe, wat of waarom
= niet gericht op getalsmatige informatie
Bevat: wie (populatie), setting, wat (variabels), vanuit wiens perspectief
Design -> vloeit voort uit doel en vraagstelling
= methodologische verantwoording
Sampling = purposive sampling (doelgericht)
Criterion sampling (voeldoen aan bepaalde criteria)
-> wie kan de onderzoeksvraag het beste beantwoorden?
Maximum variation -> a.d.h.v. factoren waarvan je verwacht die van
invloed zijn op het geen wat je onderzoekt
Theoretical sampling -> selectie van respondenten t.a.v. analyse -> zo kan
je je resultaten uitbreiden
Diviant case sampling -> selectie van respondenten die afwijken van je
analyse resultaten
Selectie respondenten
inclusie criteria: wie komt in aanmerking
exclusie criteria: wie komt niet in aanmerking
rekrutering/werving -> waar vind je de respondenten, hoe kom je er mee
in contact.
Data-analyse:
Verkennen -> coderen -> thematiseren -> reviseren en verfijnen ->
vaststellen en structureren -> presenteren
Je gaat opzoek naar: innerperspective, context, omgeving, cultuur om
patronen te kunnen beschrijven of te kunnen verklaren.
De kwaliteit van de data wordt bepaald door:
sampling strategie
bereidheid van participanten om informatie te geven
vaardigheid onderzoeker
, diepte en focus (interview)
contrasten, maximale variatie
data triangulatie
Data kan je verzamelen door observaties, interviews.
Observaties (deelnemen aan en waarnemen van alledaagse
omgeving) -> inzicht krijgen in dagelijkse leven in natuurlijke
context.
-> wordt gebruikt bij veld onderzoek en etnografisch onderzoek
-> blijft beperkt tot ervaringen: wat mensen doen, wat mensen weten, wat
mensen gebruiken
Memo’s -> observational (snelle aantekeningen), theoretical (reflecties en
analytische inzichten), methodological (keuzes in design en
onderzoeksproces)
Interviews
Ongestructureerd/ semi gestructureerd
Ongestructureerd = open, uitdiepen van informatie, minimale sturing van
onderzoeker, participant is aan het woord, heeft een rivier structuur
Semi gestructureerd = meer gefocust, vooraf gedefinieerde hoofdvragen,
onderzoeker meer aan het woord, boom structuur
Probes -> doorvragen
Prompts -> ‘ hm hm’
Openingsvraag: uitnodigend en makkelijk te beantwoorde, geeft een brede
dekking
Criteria waaraan een interview moet voldoen:
Deskundig, gestructureerd, duidelijk, zacht, gevoelig, open, sturend,
kritisch, onthoudend, interpreterend
Analyseren = systematisch ontleden van een fenomeen in verschillende
elementen
Doel = data op een zinvolle manier te verzamelen of te reconstrueren.
-> je gaat van diversiteit naar patronen
Stappen
0. vertrouwd worden met je data
1. opdelen, fragmenteren
2. categoriseren (beschrijvend)
3. verbanden leggen (verklarend)
Sensiting concepts -> concepten die worden gebruikt om onderzoekers
een referentie punt te geven.
Inductief analyseren -> patronen worden tijdens de analyse
geïdentificeerd op basis van de onderzoeksdata
Deductief -> bestaand kader, framework vormt de leidraad voor de
analyse
, Consant comparison = vergelijken van nieuwe gegevens met eerdere
gegevens op zoek naar overeenkomsten en verschillende patronen en het
ontwikkelen van een theoretisch begrip.
Saturatie = bereikt als er in de data-analyse geen nieuwe resultaten meer
bij komen
Onderzoek reflexiviteit
= reflecteren op en kritisch zijn op de eigen positie en invloed in het
onderzoek
Kwaliteit
= het recht doen aan het object van het onderzoek (niet vertekenen)
= het verslag geeft weer wat er werkelijk is gebeurd
Rigor
= de basis voor betrouwbaar en betekenisvol onderzoek
Kwaliteit van het gehele onderzoeksproces, draag bij aan de
validiteit en betrouwbaarheid van de resultaten
Evalueren van kwaliteit
Accuraatheid onderzoek zichtbaar maken
Inzicht in het onderzoeksproces en welke validering strategieën zijn
toegepast
Sprake van beredeneerde en te verantwoorden keuzes
Validiteit = afwezigheid van systematische fouten (intern, extern ->
generaliseerbaarheid = niet mogelijk bij kwalitatief onderzoek), analoge
generaliseerbaarheid -> op basis van de setting in hoeverre zijn ze
representatief voor een studie overeenkomstig met een andere groep)
Het verslag geeft echt weer wat er werkelijk is gebeurd
Betrouwbaarheid = afwezigheid van onsystematische fouten
De resultaten van het onderzoek zouden ook worden verkregen als
verschillende onderzoeker het onderzoek onder dezelfde
omstandigheden zouden herhalen
= afkomstig uit de marketing
Definitie: Een interpretatieve benadering van wetenschappelijk onderzoek
gericht op het begrijpen en inzichtelijk maken van sociale fenomenen (in
een natuurlijke i.p.v. experimentele setting) en de betekenis die mensen
hieraan geven.
Vraagstelling: wat, hoe, waarom
= gericht op het begrijpen en verklaren van een verschijnsel,
perspectieven
Uitgangspunt zijn beweegredenen, ervaringen, belevingen.
Doel = werkelijkheid beschrijven en/of verklaren.
Paradigma = samenhangend stelsel van modellen en theorieën die een
denkkader vormen waarbinnen de werkelijkheid wordt geanalyseerd en
beschreven.
Positivisme -> 1 werkelijkheid, objectief, kwantitatief
Constructivisme -> meerdere werkelijkheden, subjectief, kwalitatief
Kwalitatief onderzoek gebruik je om:
- Verschijnselen te begrijpen en te verklaren
- Kennis verkrijgen voer lokale situaties en opvattingen
- Inzicht te krijgen in:
- aard en variatie van een schijnsel
- perspectief van doelgroepen
- processen van betekenisgeving
Kwalitatief en kwantitatief onderzoek:
wil beide antwoord op de onderzoeksvraag
onderscheid zich van journalistiek door systematische en navolgbare
uitvoering
Kwalitatief onderzoek
sterke punten: natuurlijke setting, flexibel, diepgaand, hoge
validiteit
zwakke punten: tijdsintensief, lage betrouwbaarheid &
generaliseerbaarheid
Onderzoeksonderwerp
- Ervaring -> de gebeurtenissen en situaties waarin een persoon betrokken
is/ geconfronteerd wordt.
- Beleving -> de interpretatie die hij/zij aan de gebeurtenis/situatie geeft.
- Betekenisgeving -> de betekenis die hij/zij eraan geeft.
Bracketing: zonder vooroordelen het onderzoek uitvoeren -> subjectieve
ervaring
,= bewust je eigen perspectieven, voorkennis van het onderwerp tussen
haakjes plaatsen. Aannames over het onderwerp aan de kant zetten
De introductie bevat
probleemstelling rationale van de studie
hiaat in kennis (need voor de studie)
vraagstelling (wordt tegenwoordig vaak als objective/aim
geformuleerd)
doelstelling -> wat beoog je te bereiken, waar dient de verkregen
kennis toe.
Vraagstelling, begint met: hoe, wat of waarom
= niet gericht op getalsmatige informatie
Bevat: wie (populatie), setting, wat (variabels), vanuit wiens perspectief
Design -> vloeit voort uit doel en vraagstelling
= methodologische verantwoording
Sampling = purposive sampling (doelgericht)
Criterion sampling (voeldoen aan bepaalde criteria)
-> wie kan de onderzoeksvraag het beste beantwoorden?
Maximum variation -> a.d.h.v. factoren waarvan je verwacht die van
invloed zijn op het geen wat je onderzoekt
Theoretical sampling -> selectie van respondenten t.a.v. analyse -> zo kan
je je resultaten uitbreiden
Diviant case sampling -> selectie van respondenten die afwijken van je
analyse resultaten
Selectie respondenten
inclusie criteria: wie komt in aanmerking
exclusie criteria: wie komt niet in aanmerking
rekrutering/werving -> waar vind je de respondenten, hoe kom je er mee
in contact.
Data-analyse:
Verkennen -> coderen -> thematiseren -> reviseren en verfijnen ->
vaststellen en structureren -> presenteren
Je gaat opzoek naar: innerperspective, context, omgeving, cultuur om
patronen te kunnen beschrijven of te kunnen verklaren.
De kwaliteit van de data wordt bepaald door:
sampling strategie
bereidheid van participanten om informatie te geven
vaardigheid onderzoeker
, diepte en focus (interview)
contrasten, maximale variatie
data triangulatie
Data kan je verzamelen door observaties, interviews.
Observaties (deelnemen aan en waarnemen van alledaagse
omgeving) -> inzicht krijgen in dagelijkse leven in natuurlijke
context.
-> wordt gebruikt bij veld onderzoek en etnografisch onderzoek
-> blijft beperkt tot ervaringen: wat mensen doen, wat mensen weten, wat
mensen gebruiken
Memo’s -> observational (snelle aantekeningen), theoretical (reflecties en
analytische inzichten), methodological (keuzes in design en
onderzoeksproces)
Interviews
Ongestructureerd/ semi gestructureerd
Ongestructureerd = open, uitdiepen van informatie, minimale sturing van
onderzoeker, participant is aan het woord, heeft een rivier structuur
Semi gestructureerd = meer gefocust, vooraf gedefinieerde hoofdvragen,
onderzoeker meer aan het woord, boom structuur
Probes -> doorvragen
Prompts -> ‘ hm hm’
Openingsvraag: uitnodigend en makkelijk te beantwoorde, geeft een brede
dekking
Criteria waaraan een interview moet voldoen:
Deskundig, gestructureerd, duidelijk, zacht, gevoelig, open, sturend,
kritisch, onthoudend, interpreterend
Analyseren = systematisch ontleden van een fenomeen in verschillende
elementen
Doel = data op een zinvolle manier te verzamelen of te reconstrueren.
-> je gaat van diversiteit naar patronen
Stappen
0. vertrouwd worden met je data
1. opdelen, fragmenteren
2. categoriseren (beschrijvend)
3. verbanden leggen (verklarend)
Sensiting concepts -> concepten die worden gebruikt om onderzoekers
een referentie punt te geven.
Inductief analyseren -> patronen worden tijdens de analyse
geïdentificeerd op basis van de onderzoeksdata
Deductief -> bestaand kader, framework vormt de leidraad voor de
analyse
, Consant comparison = vergelijken van nieuwe gegevens met eerdere
gegevens op zoek naar overeenkomsten en verschillende patronen en het
ontwikkelen van een theoretisch begrip.
Saturatie = bereikt als er in de data-analyse geen nieuwe resultaten meer
bij komen
Onderzoek reflexiviteit
= reflecteren op en kritisch zijn op de eigen positie en invloed in het
onderzoek
Kwaliteit
= het recht doen aan het object van het onderzoek (niet vertekenen)
= het verslag geeft weer wat er werkelijk is gebeurd
Rigor
= de basis voor betrouwbaar en betekenisvol onderzoek
Kwaliteit van het gehele onderzoeksproces, draag bij aan de
validiteit en betrouwbaarheid van de resultaten
Evalueren van kwaliteit
Accuraatheid onderzoek zichtbaar maken
Inzicht in het onderzoeksproces en welke validering strategieën zijn
toegepast
Sprake van beredeneerde en te verantwoorden keuzes
Validiteit = afwezigheid van systematische fouten (intern, extern ->
generaliseerbaarheid = niet mogelijk bij kwalitatief onderzoek), analoge
generaliseerbaarheid -> op basis van de setting in hoeverre zijn ze
representatief voor een studie overeenkomstig met een andere groep)
Het verslag geeft echt weer wat er werkelijk is gebeurd
Betrouwbaarheid = afwezigheid van onsystematische fouten
De resultaten van het onderzoek zouden ook worden verkregen als
verschillende onderzoeker het onderzoek onder dezelfde
omstandigheden zouden herhalen