Hoofdstuk 1
Paragraaf 1.1) Inleiding
Elk team en ook elke leraar heeft idealen en een beeld van de ideale basisschool.
· Lea Dasberg: zij gaat ervan uit dat het onderwijs de taak heeft mensen te helpen bij
menswording, dat wil zeggen om zowel meeloper als dwarsligger te worden.
Meeloper in de betekenis van kennismaken en meelopen met de bestaande
ontwikkelingen, kennisnemen van nieuwe inzichten, vaardigheden leren om je in de
samenleving goed te kunnen redden en bij te kunnen dragen. Tegenwoordig zouden
we het eerder meedoen noemen. Dwarsliggen in de betekenis van kritisch leren
kijken naar de bestaande ontwikkelingen en nieuwe inzichten in de huidige
samenleving. Daarbij gaat het om het ontwikkelen van een eigen mening, het durven
anders te zijn en het nee durven zeggen. Dit vraagt om een zekere-mate van
eigenwijsheid. Dit vraagt voor ruimte voor verschillende opvattingen en individuele
keuzes. In het onderwijs moeten kinderen zich veilig voelen, zich durven te uiten en
waarden en normen moeten worden voorgeleefd.
· Micha de Winter: naast het gezin en de school heeft de gemeenschap waarin
kinderen opgroeien, ook een taak in de opvoeding. Hij pleit voor ‘beter
maatschappelijk opvoeden’. Het onderwijs moet zorgen voor sociale verbondenheid
(omgang met spanning tussen eigen belang en het belang van een ander) en dat
gemeenschappelijke doelen worden gehaald (grootbrengen van nieuwe generatie).
Opvoeden zorgt niet alleen voor de individuele ontwikkeling maar ook voor
verbondenheid en een sociaal of gemeenschapsbelang.
· Biesta: hij vraagt zich af of we in de 21e eeuw naar een andere onderwijscultuur
moeten. Het gaat er in het onderwijs niet om dat leerlingen leren, maar dat ze iets
leren, dat ze iets waardevols leren en dat ze het van iemand leren: inhoud + doel +
relatie.
De verbinding van mens en wereld moet verbeterd worden. Reflecteren met hoofd, hart en
handen is binnen de pedagogische opdracht van belang. We hebben de wereld niet zelf
gemaakt en zullen onze weerstand ertegen moeten overwinnen om te kunnen overleven.
Engageren (verbinden) is belangrijk. Onderwijs is een zoektocht naar evenwicht tussen leren
meelopen en dwarsliggen. Kinderen leren deel te nemen aan de samenleving met eigen
waarden en normen en zo gemeenschappelijke doelen na te streven, zodat sociale
verbondenheid tot stand komt.
Paragraaf 1.2) De pedagogische opdracht van de basisschool
De keuzes van een school zeggen iets over de pedagogische opdracht (pedagogische
kwaliteit) van de school: waartoe willen wij kinderen opvoeden? De pedagogische opdracht
houdt zich bezig met de vragen waartoe willen we kinderen opvoeden en in hoeverre is de
school verantwoordelijk voor de opvoeding van kinderen. Pedagogische opdracht: het
handelen waarbij de leraar doelbewust werkt aan maatschappelijke en
ontwikkelingsgerichte leerdoelen. Tegenwoordig wordt op scholen enerzijds de nadruk
gelegd op het leren van va inhouden en anderzijds is er veel aandacht voor het welbevinden
van leerlingen in de school en daarbuiten. Onderwijs is in de eerste plaats gericht op het
,leren leven, leren mens zijn! Rekenen, taal en andere vakken staan in dienst van dat doel.
Kinderen begeleiden bij menswording wil zeggen dat je helpt bij het leren meeloper en
dwarsligger worden en bij het leren betrokken, sociale volwassenen te worden. Ouders
dragen als eerste of natuurlijke opvoeders van het kind de eindverantwoordelijkheid voor
de opvoeding. School verzorgt het onderdeel van de opvoeding waarin ouders niet kunnen
voorzien, zoals rekenen en taal. Maar ook opvoedende elementen, zoals de manier waarop
de schoolkinderen leert om te gaan met regels, behoort bij de pedagogische opdracht van
school. De pedagogische opdracht vormt de kern van het onderwijs.
Paragraaf 1.3) Mensen op de weg
Opvoeding en onderwijs begeleiden kinderen op weg naar hun menswording.
Wezenskenmerken van het mens-zijn:
1) Creator zijn: zelf nieuwe dingen bedenken en maken, wat essentieel is voor de
ontwikkeling en verandering van hemzelf en de wereld. Hij is creator van de wereld
om zich heen
2) Keuzevrijheid hebben: je maakt een keuze uit de vele mogelijkheden die je na zou
kunnen streven. Door keuzes te maken kan een mens invloed uitoefenen op de
richting die hij in zijn leven op wil gaan
3) Verantwoordelijkheid kunnen dragen: de mogelijkheid van creator geeft de mens
ook verantwoordelijkheid voor zijn doen en laten. (Hoe gaat een mens om met de
omgeving, de natuur en zijn medemensen)
4) Betekenissen geven: we ordenen de wereld bijv. door onze taal en door dingen een
naam te geven. Mensen kunnen ook zelf betekenis geven aan de werkelijkheid en zo
nieuwe kennis doen ontstaan
5) Zin zoeken en zin geven: we vragen ons af waar we naartoe willen en waarom we
dat willen. We willen dingen doen die wij als zinvol ervaren
Mensen handelen vanuit een bedoeling. Je kunt de mens vanuit verschillende perspectieven
bekijken. In het boek ‘Wij zijn ons brein’ beschrijft Dick Swaab. Een groot aantal aspecten
van ons mens-zijn vanuit de neurowetenschappelijke kennis. Herman van Praag betoogt dat
we ‘meer dan ons brein’ zijn, wij zijn ook onze geest! Bij ‘wij zijn ons brein’ worden
mensenbeelden op natuurwetenschappen gebaseerd, en bij ‘meer dan ons brein’ zin ze
gebaseerd op sociale wetenschappen.
Paragraaf 1.4) Mens- en maatschappijbeelden
Mensbeelden zijn opvattingen over de mens waarbij antwoord gegeven wordt op de vraag
‘Wie of wat is de mens?’. Het meest kenmerkend is dat een mensbeeld wordt geleefd. Het
mensbeeld heeft te maken met identiteit; eenheid van zijn. Hoe je naar mensen kijkt wordt
bepaald door de waarden en normen die je belangrijk vindt. We bespreken een viertal
mensbeelden:
Naturalistisch mensbeeld; verhouding tussen mens en natuur. Meestal spreekt men
in dit verband van de biologische aanleg van de mens. De mens is zich bewust van
zijn plaats en rol in de wereld. Hij weet van zijn bestaan; hij heeft zelfbewustzijn,
eigenschappen zijn van nature aanwezig. Je gaat ervan uit dat kinderen van nature
een scheppend vermogen hebben; leerlingen leren zelf.
Cultuur-historisch mensbeeld; het wezen van de mens wordt in deze opvatting
vooral verklaard vanuit de dingen die hij schept. Het besef dat de mens een lerend
wezen is, is hierbij erg belangrijk. Zijn waarden ontleent hij aan dat wat in de
, culturele ontwikkeling tot stand is gekomen. Onder cultuur verstaan we alles wat
door mensen tot stand is gekomen. We gaan ervan uit dat de leraar invloed heeft op
de ontwikkeling.
Religieus mensbeeld; het gaat erom dat de mens vooral begrepen wordt vanuit zijn
schepsel-zijn: de mens kan nooit alleen uit zichzelf worden verstaan. Wil je de mens
begrijpen moet je iets weten over die God of goddelijke, daar is de mens uit
geschapen. Religie is essentieel voor de zelfverwerkelijking van de mens, het hoort
bij de mens.
Antropocentrisch mensbeeld; betekenis van de mens ligt hierbij in zijn eigen
bestaan. Het is een vrij individu, iemand die zelf invulling geeft aan de wijze waarop
het leven geleefd wordt. Zijn waarden ontleent hij aan zichzelf.
Pedagogisch pessimisme is wanneer een leraar ervan uitgaat dat hij de leerlingen weinig kan
leren. Pedagogische optimisme is wanneer een leraar verwacht dat hij via onderwijs
kinderen kan helpen zich verder te ontwikkelen. In de tijd van de Verlichting (18 e eeuw),
werd de tegenstelling tussen de naturalistische en de meer cultureel bepaalde opvattingen
benadrukt. Er is in Nederland sprake van toenemende secularisatie, individualisering en
emancipatie. Secularisatie betekend dat steeds minder mensen godsdienstig zijn en hun
opvattingen over zichzelf en de samenleving ontlenen aan de godsdienst. Nadruk op de
onafhankelijkheid van de mens leidt tot individualisering en emancipatie. Dit betekent dat
het belang van de gemeenschap en de solidariteit vaak op de tweede plaats komt. De groei
in communicatiemogelijkheden en de beschikbaarheid van informatie leiden ertoe dat de
wereld kleiner lijkt te worden en we mondialer denken en handelen, dit wordt ook wel
globalisering genoemd. In het liberalisme zien we een sterke nadruk op de vrijheid van het
individu, terwijl in het socialisme de nadruk meer ligt op de samenleving. Het gevaar van
liberalisme en dus individualisme is dat mensen geen gemeenschapszin of burgerzin meer
kennen. Je opvattingen over de maatschappij hebben invloed op de inhoud van je onderwijs
en de manier waarop je dat inricht. Het is belangrijk dat je je als leraar bewust bent van je
eigen mens- en maatschappijbeeld en weet welke waarden en normen ten grondslag liggen
aan de keuzes die je maakt. De basisbehoeften van de mens zijn volgens Stevens relatie,
competentie en autonomie.
Paragraaf 1.5) Het aspect ‘mens’: drie ontwikkelingsgebieden
Om de relatie tussen mens en wereld te kunnen bespreken, brengen we een aantal
theoretische onderscheidingen aan. We onderscheiden:
- De wereld, verdeeld in vier oriëntatievelden (gaat om gebieden waarop mensen zich
richten om de wereld te leren kennen en waarbinnen zij keuzes maken om hun
plaats in de wereld te kunnen bepalen: de ander, de natuur, de cultuur en de
bovennatuur (zijn verbonden en beïnvloeden elkaar)
- De mens met zijn ontwikkelingsmogelijkheden: de psychomotoriek, de cognitie en
de affectie
- De vormsystemen als intermediair tussen de mens en de wereld: taal, klank, beeld
en beweging.
De verschillende oriëntatievelden bij ‘de wereld’:
De ander: kinderen hebben medemensen nodig om optimaal te kunnen leren en zich
te kunnen ontwikkelen
De natuur: we zijn als mensen gebonden aan de natuur als bron van energie en
voedingsmiddelen, maar ook als eigenschap van het mens-zijn
, De cultuur: alles aan wat de mens vroeger en nu tot stand heeft gebracht. Cultuur is
in onze opvatting: door de mens veranderde de natuur. Je kunt dingen plaatsen
onder een ander oriëntatieveld, het hangt ervan af waar je het accent op wil leggen
De bovennatuur: de een zal hieronder God verstaan, de ander denkt aan Allah of
juist aan een ideologie. Kenmerkend is dat we het steeds zien of ervaren achter de
overige drie velden.
Het aspect mens heeft drie ontwikkelingsgebieden:
- Psychomotroeiek: we kunnen onszelf en de wereld leren kennen door middel van
ons lichaam. De term duidt aan dat we hierbij uitgaan van een nauwe
verbondenheid tussen lichaam en geest (bijv. stampvoeten van woede).
Psychomotoriek, cognitie en affectie zijn onderling met elkaar verbonden
- Cognitie: de mogelijkheid om tot kennis te komen. Je selecteer bepaalde
waarnemingen, geeft er betekenis aan en reageert erop. Hierbij spelen het denken
en de taal een belangrijke rol. Als waarnemingen, voorstellingen, fantasie en
geheugeninhouden worden gecombineerd, spreken we van denken.
- Affectie: gevoelens begeleiden de andere processen permanent, onze gevoelens
drukken overal een stempel op, daardoor worden alle processen uniek. In de sociale
sfeer is de invloed van affectie bijzonder groot
In de relatie met zichzelf en de omringende wereld wordt de mens persoon (unieke van
ieder mens). Men spreekt ook wel van het zelf. Om de wereld waarin we ons bevinden, in
ons op te nemen en om de wereld van gedachten, voorstellingen etc. te kunnen ordenen en
bespreken met anderen hebben we middelen nodig. Die middelen noemen we culturele
middelen (bemiddelaars tussen mens en wereld). Er zijn drie functies van taal:
Ordening: door het woord ‘stoel’ uit te spreken vormt zich bij de ander een
voorstelling van een stoel of andersom.
Uiting: we spreken een woord uit met de bedoeling dat een ander hierop reageert
Communicatie: het woord ‘stoel’ hoort bij een systeem van symbolen, dat ook
anderen kennen. Door middel van taal kunnen we dingen duidelijk maken.
We noemen een middel als taal een vormsysteem, omdat we met behulp van de taalvorm
kunnen geven aan door ons opgedane indrukken en aan gedachten die we hebben. Ook
beelden, klanken en bewegingen vallen onder vormsystemen. Wanneer kinderen de
vormsystemen goed hanteren, krijgen ze een beter zicht op hun eigen mogelijkheden
(zelfbeeld), begrijpen ze de wereld beter (wereldbeeld) en communiceren ze beter met
anderen (communicatieve functie). Een mens is meer dan een optelsom van zijn relaties
met ouders, vermogens (ontwikkelingsgebieden), de wereld om zich heen (oriëntatievelden)
en de mogelijkheden tot de wereld te verhouden (ontwikkelingsgebieden). Elk kind heeft
een eigen identiteit en is uniek. Kinderen hebben recht op hun eigen leven, ze zijn zichzelf
en niet een kleine volwassene of het bezit van ouders. Janusz Korczak werd kinderarts en
schreef kinderboeken en ontwikkelde een pedagogiek waarin respect voor het kind centraal
staat.
Paragraaf 1.6) Over opvoeding gesproken
Het gaat erom dat een kind leer zichzelf als het centrum van de wereld te zien
(zelfontplooiing), maar ook om zichzelf in de wereld te zien. Opvoeden is het begeleiden van
kinderen op weg naar hun menswording. Bij opvoeden maak je onderscheid tussen het kind