Samengevat
1. Identificeer en markeer:
A deelvragen:
a. Welke verschillende moet ik beantwoorden en welke begrippen moet ik uitleggen om
tot een volledige beantwoording van de stelling te komen.
b. Kernbegrippen
c. Signaalwoorden
2. Definieer de kernbegrippen
a. Wat betekent het vertrouwensbeginsel
i. Wat is een toezegging
b. Wat staat er in 3:4
i. Wat betekent evenredigheid
ii. Wat is beleidsruimte
3. Breng de kernbegrippen in verband met de relevante theorie
a. Aan welke voorwaarden moet worden voldaan om een geslaagd beroep op het
vertrouwensbeginsel te doen amsterdams dakterras volledig uitwerken
4. Breng de deel en hoofdvragen in verband met de theorie
a. Welke rol speelt de bevoegdheid van de ambtenaar
5. Maak de gevolgtrekking helemaal af, maak nog een conclusie waarin je kern herhaalt.
a. Verwijs daarbij expliciet naar de hoofdvraag die in de stelling verstopt zit en benoem
of stelling juist/ onjuist is
b. “OMDAT X OF Y, IS HET VOOR DE VRAAG OF EEN BEROEP OP HET
VERTROUWENSBEGINSEL KAN SLAGEN IRRELEVANT OF DE AMBTENAAR IN KWESTIE
BEVOEGD WAS EN DAAROM IS DE STELLING ONJUIST.”
Inhoudsopgave
1 - Inleiding tot het bestuursrecht en het boek..................................................................................2
2 - Awb (algemeen) en de relatie tot bijzonder bestuursrecht...........................................................3
3 – bestuur en bestuurden.................................................................................................................4
4 – bestuursbevoegdheid...................................................................................................................7
5 – (soorten) bestuurlijk handelen......................................................................................................9
6 – bijzondere rechtsvormen............................................................................................................11
7 – algemene rechtsnormen, materieel............................................................................................12
8 – algemene rechtsnormen, procedureel........................................................................................13
9 – openbaarheid en inspraak..........................................................................................................14
18 – bestuur en privaatrecht............................................................................................................14
, 1 - Inleiding tot het bestuursrecht en het boek
1.1 - Wat is bestuursrecht
Bestuursrecht heeft betrekking op relaties tussen de overheid (bo) en burgers (belanghebbenden).
Bijzonder aan bestuursbevoegdheden is dat het bestuur zonder instemming van de burger kan
bepalen wat de rechten en plichten van de burger zijn. Het zijn eenzijdige rechtshandelingen.
De bevoegdheid is toegekend in een wettelijk voorschrift door de wetgever.
Het bestuursrecht heeft 3 functies:
1. Instrumentele functie de overheid verkrijgt uit het recht de bevoegdheden/instrumenten
om het algemeen belang te behartigen en zijn publieke taak te vervullen.
2. Waarborgfunctie het bestuursrecht geeft burgers bescherming tegen de overheid en haar
besluiten.
3. Normerende functie het bestuursrecht geeft regels waaraan het bestuur zich bij
uitoefening van bevoegdheden moet houden.
Randvoorwaarden om de uitoefening van macht ook als gezag aan te merken zijn een onafhankelijke
rechter en democratische besluitvorming.
1.2 - Algemeen deel en bijzondere delen
Algemeen = Awb + rechtspraak
Bijzonder = regels die speciaal voor een bepaald bo of onderwerp zijn gemaakt, meer inhoudelijk met
rechten en plichten.
1.3 - Bestuursrecht en andere gebieden
Het staatsrecht bestaat uit regels die zien op de instelling, werkwijze en globale bevoegdheden van
de verschillende organen van de overheid. Bestuursorganen hebben de organisatie van het
staatsrecht nodig voor de uitvoering van hun bestuursrechtelijke publieke taak.
De Europese regels moeten vaak in Nederlandse bijzondere wetgeving worden omgezet,
Nederlandse wetgeving mag niet met Europese wetgeving in strijd komen en bestuursorganen
moeten zich met hun handelen ook aan de Europese regels houden.
Met het strafrecht en privaatrecht zijn veel raakvlakken en dwarsverbanden te leggen.
1.4 - Ontwikkeling van het bestuursrecht
Ontwikkelingen zijn divers: groei van bevolking, technische ontwikkelingen en de opkomst van het
ideaal van de verzorgingsstaat leidden tot een groeiende behoefte aan actief overheidsoptreden.
1. Identificeer en markeer:
A deelvragen:
a. Welke verschillende moet ik beantwoorden en welke begrippen moet ik uitleggen om
tot een volledige beantwoording van de stelling te komen.
b. Kernbegrippen
c. Signaalwoorden
2. Definieer de kernbegrippen
a. Wat betekent het vertrouwensbeginsel
i. Wat is een toezegging
b. Wat staat er in 3:4
i. Wat betekent evenredigheid
ii. Wat is beleidsruimte
3. Breng de kernbegrippen in verband met de relevante theorie
a. Aan welke voorwaarden moet worden voldaan om een geslaagd beroep op het
vertrouwensbeginsel te doen amsterdams dakterras volledig uitwerken
4. Breng de deel en hoofdvragen in verband met de theorie
a. Welke rol speelt de bevoegdheid van de ambtenaar
5. Maak de gevolgtrekking helemaal af, maak nog een conclusie waarin je kern herhaalt.
a. Verwijs daarbij expliciet naar de hoofdvraag die in de stelling verstopt zit en benoem
of stelling juist/ onjuist is
b. “OMDAT X OF Y, IS HET VOOR DE VRAAG OF EEN BEROEP OP HET
VERTROUWENSBEGINSEL KAN SLAGEN IRRELEVANT OF DE AMBTENAAR IN KWESTIE
BEVOEGD WAS EN DAAROM IS DE STELLING ONJUIST.”
Inhoudsopgave
1 - Inleiding tot het bestuursrecht en het boek..................................................................................2
2 - Awb (algemeen) en de relatie tot bijzonder bestuursrecht...........................................................3
3 – bestuur en bestuurden.................................................................................................................4
4 – bestuursbevoegdheid...................................................................................................................7
5 – (soorten) bestuurlijk handelen......................................................................................................9
6 – bijzondere rechtsvormen............................................................................................................11
7 – algemene rechtsnormen, materieel............................................................................................12
8 – algemene rechtsnormen, procedureel........................................................................................13
9 – openbaarheid en inspraak..........................................................................................................14
18 – bestuur en privaatrecht............................................................................................................14
, 1 - Inleiding tot het bestuursrecht en het boek
1.1 - Wat is bestuursrecht
Bestuursrecht heeft betrekking op relaties tussen de overheid (bo) en burgers (belanghebbenden).
Bijzonder aan bestuursbevoegdheden is dat het bestuur zonder instemming van de burger kan
bepalen wat de rechten en plichten van de burger zijn. Het zijn eenzijdige rechtshandelingen.
De bevoegdheid is toegekend in een wettelijk voorschrift door de wetgever.
Het bestuursrecht heeft 3 functies:
1. Instrumentele functie de overheid verkrijgt uit het recht de bevoegdheden/instrumenten
om het algemeen belang te behartigen en zijn publieke taak te vervullen.
2. Waarborgfunctie het bestuursrecht geeft burgers bescherming tegen de overheid en haar
besluiten.
3. Normerende functie het bestuursrecht geeft regels waaraan het bestuur zich bij
uitoefening van bevoegdheden moet houden.
Randvoorwaarden om de uitoefening van macht ook als gezag aan te merken zijn een onafhankelijke
rechter en democratische besluitvorming.
1.2 - Algemeen deel en bijzondere delen
Algemeen = Awb + rechtspraak
Bijzonder = regels die speciaal voor een bepaald bo of onderwerp zijn gemaakt, meer inhoudelijk met
rechten en plichten.
1.3 - Bestuursrecht en andere gebieden
Het staatsrecht bestaat uit regels die zien op de instelling, werkwijze en globale bevoegdheden van
de verschillende organen van de overheid. Bestuursorganen hebben de organisatie van het
staatsrecht nodig voor de uitvoering van hun bestuursrechtelijke publieke taak.
De Europese regels moeten vaak in Nederlandse bijzondere wetgeving worden omgezet,
Nederlandse wetgeving mag niet met Europese wetgeving in strijd komen en bestuursorganen
moeten zich met hun handelen ook aan de Europese regels houden.
Met het strafrecht en privaatrecht zijn veel raakvlakken en dwarsverbanden te leggen.
1.4 - Ontwikkeling van het bestuursrecht
Ontwikkelingen zijn divers: groei van bevolking, technische ontwikkelingen en de opkomst van het
ideaal van de verzorgingsstaat leidden tot een groeiende behoefte aan actief overheidsoptreden.