Samenvatting aardrijkskunde
De aarde.
In ons zonnestelsel draaien negen planeten, waaronder de aarde, om de
zon. De aardbaan wordt bijna in bijna één jaar voltooid. Elke jaar heeft de
aarde bovenop de 365 volle dagen nog 6 uur extra nodig om het rondje af
te maken. Om te voorkomen dat onze kalender zou verschuiven wordt er
daarom elke 4 jaar er een extra dag toegevoegd : schrikkeldag, zo’n jaar
noemen ze schrikkeljaar.
Een derde van het aardoppervlak bestaat uit land en twee derde uit water.
Het landoppervlakte bestaat uit 7 continenten: Europa, Azië, Afrika,
Noord- en Zuid-Amerika, Australië en Antarctica. Tussen de continenten
ligt water: grote oceaan, Atlantische oceaan, Indische oceaan en
Noordelijke ijszee. Elke oceaan bestaat uit zout water en heeft een
reliëfrijke bodem. Aan de randen van het continent liggen gebieden die
onder water staan, deze gebieden noemen we een zee.
Elke plek op aarde ligt op een specifiek punt, om precies te kunnen
zeggen waar dit ligt zijn er geografische coördinaten bedacht. De Evenaar
verdeelt de aarde in twee delen; het noordelijk halfrond en het zuidelijk
halfrond. De Evenaar is de nullijn. Dicht bij de polen spreek je van hoogte
breedte. Bij de Polen zit je op 90 graden Noorder- of zuiderbreedte. De
lijnen die van Pool tot Pool lopen heten meridianen. De 0-meridiaan ligt in
het plaatsje Greenwich in Londen en verdeelt de aarde in het westelijk en
oostelijk halfrond. Deze lijnen lopen van 180 graden westerlengte tot 180
graden oosterlengte. Om goede afspraken te maken over tijd zijn er
tijdzones gemaakt. De aarde is verdeelt in 24 tijdzones. De tijdzones
komen overeen met 15 lengtegraden, maar meestal vallen ze toch samen
met de grenzen van landen.
De denkbeeldige aardas, waar de aarde zelf in 24 uur omheen draait,
staat daarbij altijd schuin en dezelfde kant op. Dat veroorzaakt tijdens het
draaien om de zon het ontstaan van seizoenen. Als de aardas recht op de
zon zou staan, dan zouden er geen seizoenen zijn. Wanneer de aarde in
24 uur om haar eigen as draait, legt het noordelijk halfrond het grootste
deel af en zijn de dagen langer dan de nachten.
Het zeewater staat onder invloed van de aantrekkingskracht van de maan,
de zon en een kracht die ontstaat door de draaiing van de aarde. Het
gevolg van deze aantrekkingskracht is dat er twee soort van bulten
ontstaan waar het water wordt aangetrokken. Daar wordt het vloed
(hoogste waterstand), het gebied tussen die bulten wordt het eb gebied
genoemd (laagste waterstand).
,Samenvatting aardrijkskunde
Weer en klimaat op aarde
Een klimaat omschrijft het weertype over een langere tijd (minstens 30
jaar). De atmosfeer op aarde wordt sinds de laatste ijstijd langzaam
warmer. Dit wordt veroorzaakt door het broeikaseffect; zonnestralen
vallen door het glas en verwarmen de grond. De warmtestralen van de
grond verwarmen op haar beurt weer de lucht. De warme lucht wordt door
het glas voor een deel vastgehouden, hierdoor wordt het steeds warmer.
Klimaatgebieden:
Poolklimaat; gemiddelde temperatuur beneden vriespunt, weinig
neerslag, geen plantengroei
Toendraklimaat; gemiddelde temperaturen laag beneden het
vriespunt, alleen de bovenlaag ontdooit, weinig neerslag, lage
struiken en grassen.
Landklimaat; warme zomers en strenge winters, heel het jaar door
neerslag, loof en naaldbossen.
Zeeklimaat; koele zomers, zachte winters, heel het jaar door
neerslag, loofbossen.
Middellandse zeeklimaat; zomer is warm en droog, periodes van
hevige regenval, olijf- en citroenbomen.
Woestijnklimaat; gen begroeiing, erg warm, meestal veel zand en
soms kale rotsen.
Savanneklimaat; tropisch warm, hoge temperaturen, minder
neerslag dan in het tropische bos.
Steppeklimaat; grenzen aan savanne gebieden en woestijnen,
tropisch warm, regent weinig, bestaat uit tropisch grasland en soms
wat struiken.
Tropisch regenwoudklimaat; regenwoud, geen seizoenen, hoge
temperaturen, grote hoeveelheid neerslag, veel dier- en
plantsoorten.
Hooggebergteklimaat; verschillende klimaten, op grote hoogte
hetzelfde klimaat als toendra- en poolklimaat, eeuwige sneeuw.
Het weer is voorspelbaar, de zon staat altijd boven de evenaar. In de
tropen is het weer bijna elke dag hetzelfde. Vijf factoren zijn voor een
belangrijk deel bepalend voor de temperatuurverschillen;
De breedteligging; hoe schuiner de zonnestralen invallen, hoe meer
aardoppervlak er verwarm moet worden door een gelijke
hoeveelheid zonnestralen.
De samenstelling van het aardoppervlak; het aardoppervlak is niet
overal gelijk, de grootste verschillen treden op tussen water- en
landoppervlakken. Land wordt snel opgewarmd, de zee wordt heel
langzaam opgewarmd.
, Samenvatting aardrijkskunde
De hoogte ligging; hoe hoger, hoe kouder.
Zeestromen en windrichtingen; de windrichtingen en zeestromingen
bepalen de temperatuur (lucht uit poolgebieden, oceanische lucht uit
de tropen etc.).
De ligging van de gebergten; luchtstromen worden onderbroken of
worden afgebogen. Een gebergte houdt dan de kou of warmte
tegen.
Kenmerken Nederlands landschap, grondgebruik in Nederland.
Nederland is te verdelen in hoog Nederland en in laag Nederland. In het
hoger gelegen gedeelte van Nederland vind je 3 verschillende
landschappen;
Heuvellandschap; in Limburg komen heuvels voor van ongeveer 200
m tot 300 m. De toppen van de heuvels zijn vlak. De dalen zijn
gevormd door erosie van beken en riviertjes. Een groot gedeelte van
het landschap is bedekt met löss. Dat is een vruchtbare grond met
een geelbruinachtige kleur die uit heel fijn zand bestaat.
Zandlandschap; dit ligt vooral in het oostelijk gedeelte van
Nederland. Het zandlandschap is veelal heuvelachtig, maar met
hoogteverschillen van maximaal 100 m. zand is een onvruchtbare
grond, omdat er te weinig voedsel in zit.
Hoogveen landschap; op plaatsen waar het grondwater niet kan
wegzakken ontstaan meertjes. De meertjes groeien op den duur
dicht met planten (midden-Limburg en drenthe).
In het lager gedeelte van Nederland vind je de volgende landschappen;
Duinlandschap; door de golven werden zeebanken en stranden
gevormd. Door het getij kon bijvoorbeeld de wind het wegblazen en
ontstonden er duinen (eb). Dit landschap is ook beschermd!
Laagveenlandschap; om het gebied liggen sloten , om het water uit
het veen te laten verdwijnen, ook vind je om de laagveen gebieden
dijken zodat de gebieden niet zouden overstromen. Met behulp van
molens wordt het water afgepompt. Laagveenlandschappen zijn te
herkennen aan lange smalle kavels en het grote aantal sloten, die
een regelmatig patroon met daarin wat krommingen.
Zeekleilandschap; gebieden die eigenlijk van de zee zijn, maar daar
staat een dijk om heen en een droogmakkerij.
Rivierlandschap; gebied waar een rivier stroomt, rondom de rivier
vind je dijken, kribben en uiterwaarden.
Hoog-Nederland= oud
Laag-Nederland = nieuw
Op geologische schaal:
De aarde.
In ons zonnestelsel draaien negen planeten, waaronder de aarde, om de
zon. De aardbaan wordt bijna in bijna één jaar voltooid. Elke jaar heeft de
aarde bovenop de 365 volle dagen nog 6 uur extra nodig om het rondje af
te maken. Om te voorkomen dat onze kalender zou verschuiven wordt er
daarom elke 4 jaar er een extra dag toegevoegd : schrikkeldag, zo’n jaar
noemen ze schrikkeljaar.
Een derde van het aardoppervlak bestaat uit land en twee derde uit water.
Het landoppervlakte bestaat uit 7 continenten: Europa, Azië, Afrika,
Noord- en Zuid-Amerika, Australië en Antarctica. Tussen de continenten
ligt water: grote oceaan, Atlantische oceaan, Indische oceaan en
Noordelijke ijszee. Elke oceaan bestaat uit zout water en heeft een
reliëfrijke bodem. Aan de randen van het continent liggen gebieden die
onder water staan, deze gebieden noemen we een zee.
Elke plek op aarde ligt op een specifiek punt, om precies te kunnen
zeggen waar dit ligt zijn er geografische coördinaten bedacht. De Evenaar
verdeelt de aarde in twee delen; het noordelijk halfrond en het zuidelijk
halfrond. De Evenaar is de nullijn. Dicht bij de polen spreek je van hoogte
breedte. Bij de Polen zit je op 90 graden Noorder- of zuiderbreedte. De
lijnen die van Pool tot Pool lopen heten meridianen. De 0-meridiaan ligt in
het plaatsje Greenwich in Londen en verdeelt de aarde in het westelijk en
oostelijk halfrond. Deze lijnen lopen van 180 graden westerlengte tot 180
graden oosterlengte. Om goede afspraken te maken over tijd zijn er
tijdzones gemaakt. De aarde is verdeelt in 24 tijdzones. De tijdzones
komen overeen met 15 lengtegraden, maar meestal vallen ze toch samen
met de grenzen van landen.
De denkbeeldige aardas, waar de aarde zelf in 24 uur omheen draait,
staat daarbij altijd schuin en dezelfde kant op. Dat veroorzaakt tijdens het
draaien om de zon het ontstaan van seizoenen. Als de aardas recht op de
zon zou staan, dan zouden er geen seizoenen zijn. Wanneer de aarde in
24 uur om haar eigen as draait, legt het noordelijk halfrond het grootste
deel af en zijn de dagen langer dan de nachten.
Het zeewater staat onder invloed van de aantrekkingskracht van de maan,
de zon en een kracht die ontstaat door de draaiing van de aarde. Het
gevolg van deze aantrekkingskracht is dat er twee soort van bulten
ontstaan waar het water wordt aangetrokken. Daar wordt het vloed
(hoogste waterstand), het gebied tussen die bulten wordt het eb gebied
genoemd (laagste waterstand).
,Samenvatting aardrijkskunde
Weer en klimaat op aarde
Een klimaat omschrijft het weertype over een langere tijd (minstens 30
jaar). De atmosfeer op aarde wordt sinds de laatste ijstijd langzaam
warmer. Dit wordt veroorzaakt door het broeikaseffect; zonnestralen
vallen door het glas en verwarmen de grond. De warmtestralen van de
grond verwarmen op haar beurt weer de lucht. De warme lucht wordt door
het glas voor een deel vastgehouden, hierdoor wordt het steeds warmer.
Klimaatgebieden:
Poolklimaat; gemiddelde temperatuur beneden vriespunt, weinig
neerslag, geen plantengroei
Toendraklimaat; gemiddelde temperaturen laag beneden het
vriespunt, alleen de bovenlaag ontdooit, weinig neerslag, lage
struiken en grassen.
Landklimaat; warme zomers en strenge winters, heel het jaar door
neerslag, loof en naaldbossen.
Zeeklimaat; koele zomers, zachte winters, heel het jaar door
neerslag, loofbossen.
Middellandse zeeklimaat; zomer is warm en droog, periodes van
hevige regenval, olijf- en citroenbomen.
Woestijnklimaat; gen begroeiing, erg warm, meestal veel zand en
soms kale rotsen.
Savanneklimaat; tropisch warm, hoge temperaturen, minder
neerslag dan in het tropische bos.
Steppeklimaat; grenzen aan savanne gebieden en woestijnen,
tropisch warm, regent weinig, bestaat uit tropisch grasland en soms
wat struiken.
Tropisch regenwoudklimaat; regenwoud, geen seizoenen, hoge
temperaturen, grote hoeveelheid neerslag, veel dier- en
plantsoorten.
Hooggebergteklimaat; verschillende klimaten, op grote hoogte
hetzelfde klimaat als toendra- en poolklimaat, eeuwige sneeuw.
Het weer is voorspelbaar, de zon staat altijd boven de evenaar. In de
tropen is het weer bijna elke dag hetzelfde. Vijf factoren zijn voor een
belangrijk deel bepalend voor de temperatuurverschillen;
De breedteligging; hoe schuiner de zonnestralen invallen, hoe meer
aardoppervlak er verwarm moet worden door een gelijke
hoeveelheid zonnestralen.
De samenstelling van het aardoppervlak; het aardoppervlak is niet
overal gelijk, de grootste verschillen treden op tussen water- en
landoppervlakken. Land wordt snel opgewarmd, de zee wordt heel
langzaam opgewarmd.
, Samenvatting aardrijkskunde
De hoogte ligging; hoe hoger, hoe kouder.
Zeestromen en windrichtingen; de windrichtingen en zeestromingen
bepalen de temperatuur (lucht uit poolgebieden, oceanische lucht uit
de tropen etc.).
De ligging van de gebergten; luchtstromen worden onderbroken of
worden afgebogen. Een gebergte houdt dan de kou of warmte
tegen.
Kenmerken Nederlands landschap, grondgebruik in Nederland.
Nederland is te verdelen in hoog Nederland en in laag Nederland. In het
hoger gelegen gedeelte van Nederland vind je 3 verschillende
landschappen;
Heuvellandschap; in Limburg komen heuvels voor van ongeveer 200
m tot 300 m. De toppen van de heuvels zijn vlak. De dalen zijn
gevormd door erosie van beken en riviertjes. Een groot gedeelte van
het landschap is bedekt met löss. Dat is een vruchtbare grond met
een geelbruinachtige kleur die uit heel fijn zand bestaat.
Zandlandschap; dit ligt vooral in het oostelijk gedeelte van
Nederland. Het zandlandschap is veelal heuvelachtig, maar met
hoogteverschillen van maximaal 100 m. zand is een onvruchtbare
grond, omdat er te weinig voedsel in zit.
Hoogveen landschap; op plaatsen waar het grondwater niet kan
wegzakken ontstaan meertjes. De meertjes groeien op den duur
dicht met planten (midden-Limburg en drenthe).
In het lager gedeelte van Nederland vind je de volgende landschappen;
Duinlandschap; door de golven werden zeebanken en stranden
gevormd. Door het getij kon bijvoorbeeld de wind het wegblazen en
ontstonden er duinen (eb). Dit landschap is ook beschermd!
Laagveenlandschap; om het gebied liggen sloten , om het water uit
het veen te laten verdwijnen, ook vind je om de laagveen gebieden
dijken zodat de gebieden niet zouden overstromen. Met behulp van
molens wordt het water afgepompt. Laagveenlandschappen zijn te
herkennen aan lange smalle kavels en het grote aantal sloten, die
een regelmatig patroon met daarin wat krommingen.
Zeekleilandschap; gebieden die eigenlijk van de zee zijn, maar daar
staat een dijk om heen en een droogmakkerij.
Rivierlandschap; gebied waar een rivier stroomt, rondom de rivier
vind je dijken, kribben en uiterwaarden.
Hoog-Nederland= oud
Laag-Nederland = nieuw
Op geologische schaal: