Portacabin arrest:
Essentie
Volgens artikel 3:3 BW is een gebouw onroerend wanneer het naar zijn aard en inrichting bedoeld is
om duurzaam op een bepaalde plek te blijven staan.
Rechtsregel
Een gebouw is duurzaam met de grond verenigd als het bedoeld is om op een vaste locatie te blijven,
ongeacht of het technisch verplaatsbaar is. De intentie van de bouwer, zichtbaar voor derden, is
hierbij belangrijk. Verkeersopvattingen zijn geen zelfstandige maatstaf voor het onderscheid tussen
roerend en onroerend, maar kunnen relevant zijn bij de beoordeling of iets een bestanddeel van een
andere zaak is (artikel 3:4 BW).
Feiten
Buys had een portacabin van 10 bij 15 meter, aangesloten op nutsvoorzieningen, in gebruik als
kantoor. Rabobank verleende Buys een lening met hypotheekrecht op het terrein. Later verkocht Buys
de portacabin, maar Rabobank stelde dat deze als onroerend onder haar hypotheekrecht viel.
Oordeel
De Hoge Raad oordeelde dat de portacabin door haar bestemming en gebruik als duurzaam met de
grond verenigd moest worden beschouwd. De bedoeling van Buys om de portacabin blijvend te
gebruiken was kenbaar voor derden. De portacabin viel daardoor onder het hypotheekrecht van
Rabobank.
Conclusie
Een gebouw is onroerend als het bedoeld is om duurzaam op een plaats te blijven staan, ongeacht
technische verplaatsbaarheid. De intentie van de bouwer en de kenbaarheid daarvan voor derden
zijn bepalend.
, Depex/Curatoren
Essentie
Artikel 3:4 lid 1 BW bepaalt dat alles wat volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak,
een bestanddeel is. De Hoge Raad verduidelijkt in dit arrest de criteria hiervoor.
Rechtsregel
Apparatuur vormt een bestanddeel van een gebouw als:
1. Het gebouw en de apparatuur constructief specifiek op elkaar zijn afgestemd.
2. Het gebouw zonder de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd.
De rol van de apparatuur in het productieproces is hierbij niet relevant.
Feiten
Depex leverde een destillatie-installatie aan Bergel onder eigendomsvoorbehoud. Na plaatsing in de
fabriek ging Bergel failliet. Depex vorderde de installatie terug, maar de curatoren stelden dat de
installatie door natrekking eigendom van Bergel was geworden.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad stelde dat niet gekeken moet worden naar de functie van het gebouw in het
productieproces, maar naar de fysieke en functionele relatie tussen gebouw en installatie. Alleen als
het gebouw zonder de installatie onvoltooid is of beide specifiek op elkaar zijn afgestemd, vormt de
installatie een bestanddeel.
Conclusie
De Hoge Raad geeft hiermee een heldere maatstaf voor de toepassing van artikel 3:4 lid 1 BW bij de
beoordeling of iets een bestanddeel van een zaak is.
Essentie
Volgens artikel 3:3 BW is een gebouw onroerend wanneer het naar zijn aard en inrichting bedoeld is
om duurzaam op een bepaalde plek te blijven staan.
Rechtsregel
Een gebouw is duurzaam met de grond verenigd als het bedoeld is om op een vaste locatie te blijven,
ongeacht of het technisch verplaatsbaar is. De intentie van de bouwer, zichtbaar voor derden, is
hierbij belangrijk. Verkeersopvattingen zijn geen zelfstandige maatstaf voor het onderscheid tussen
roerend en onroerend, maar kunnen relevant zijn bij de beoordeling of iets een bestanddeel van een
andere zaak is (artikel 3:4 BW).
Feiten
Buys had een portacabin van 10 bij 15 meter, aangesloten op nutsvoorzieningen, in gebruik als
kantoor. Rabobank verleende Buys een lening met hypotheekrecht op het terrein. Later verkocht Buys
de portacabin, maar Rabobank stelde dat deze als onroerend onder haar hypotheekrecht viel.
Oordeel
De Hoge Raad oordeelde dat de portacabin door haar bestemming en gebruik als duurzaam met de
grond verenigd moest worden beschouwd. De bedoeling van Buys om de portacabin blijvend te
gebruiken was kenbaar voor derden. De portacabin viel daardoor onder het hypotheekrecht van
Rabobank.
Conclusie
Een gebouw is onroerend als het bedoeld is om duurzaam op een plaats te blijven staan, ongeacht
technische verplaatsbaarheid. De intentie van de bouwer en de kenbaarheid daarvan voor derden
zijn bepalend.
, Depex/Curatoren
Essentie
Artikel 3:4 lid 1 BW bepaalt dat alles wat volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak,
een bestanddeel is. De Hoge Raad verduidelijkt in dit arrest de criteria hiervoor.
Rechtsregel
Apparatuur vormt een bestanddeel van een gebouw als:
1. Het gebouw en de apparatuur constructief specifiek op elkaar zijn afgestemd.
2. Het gebouw zonder de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd.
De rol van de apparatuur in het productieproces is hierbij niet relevant.
Feiten
Depex leverde een destillatie-installatie aan Bergel onder eigendomsvoorbehoud. Na plaatsing in de
fabriek ging Bergel failliet. Depex vorderde de installatie terug, maar de curatoren stelden dat de
installatie door natrekking eigendom van Bergel was geworden.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad stelde dat niet gekeken moet worden naar de functie van het gebouw in het
productieproces, maar naar de fysieke en functionele relatie tussen gebouw en installatie. Alleen als
het gebouw zonder de installatie onvoltooid is of beide specifiek op elkaar zijn afgestemd, vormt de
installatie een bestanddeel.
Conclusie
De Hoge Raad geeft hiermee een heldere maatstaf voor de toepassing van artikel 3:4 lid 1 BW bij de
beoordeling of iets een bestanddeel van een zaak is.