Uitwerkingen oefententamen Civielrechtelijk ingrijpen
Vraag 1
1. Het afwegingskader uithuisplaatsing kent vijf afwegingen.
a. Zijn de opvoedcapaciteiten van de ouder(s) en de ontwikkelingsbehoeften van het kind in
balans? Uit de casus blijkt dat Chris 5 jaar oud was ten tijde van uithuisplaatsing en gelet
op zijn leeftijd heeft een kind heeft ontwikkelingsbehoeften. Ook blijkt uit de casus dat de
moeder psychische problematiek had en drugs gebruikte. Hierdoor kan betoogd worden
dat de opvoedcapaciteiten van de moeder niet in balans was voor de
ontwikkelingsbehoeften van Chris.
b. Hoe beïnvloedt de gezins- en omgevingsfactoren de balans tussen de opvoedcapaciteiten
en ontwikkelingsbehoeften? Psychische problematiek en drugsgebruik beïnvloedt de
balans negatief. De gezins- en omgevingsfactoren hebben niet de invloed om de balans
positief te beïnvloeden. Er was geen netwerk om moeder te ondersteunen, de vader van
Chris was niet in beeld en moeder was gebrouilleerd met haar familie.
c. Kan de balans versterkt worden door sociale netwerk? Nee, omdat moeder geen sociale
netwerk heeft en niet ontvankelijk was voor hulpverlening en pogingen om het netwerk
te versterken mislukten.
d. Kan de balans door professionele hulp binnen aanvaardbare termijn hersteld worden?
Nee, omdat de moeder geen sociale netwerk heeft en niet ontvankelijk is voor
hulpverlening.
e. Kan UHP worden voorkomen door gerichte interventie? Nee, omdat de moeder niet
ontvankelijk is voor hulpverlening en pogingen om het netwerk te versterken mislukten.
Als de moeder niet ontvankelijk is voor hulpverlening, kan ze niet ontvankelijk zijn tot een
specifieke vorm (interventie).
- Conclusie: de uithuisplaatsing van Chris was vijf jaar geleden de juiste beslissing, omdat alle
afwegingen goed zijn doorlopen.
2. Chris woont nu 5 jaar lang bij het pleeggezin, waardoor hij geworteld is aan het gezin.
Hierdoor is sprake van een gechtheidsrelatie tussen de pleegouder en Chris. Immers, er is
sprake van een dyadische geschiedenis tussen verzorger en kind, inclusief het gedrag van
Chris en de reactie daarop van de pleegouder. Ook kent Chris het pleeggezin nu vijf jaar, heeft
standvastigheid en weet nu bij wie Chris terecht kan om de nabijheid op te zoeken in geval
van angst, ziekte of vermoeidheid (gehechtheid). Als Chris teruggeplaatst zou worden, moet
hij weer alles verwerken en wennen aan de situatie, waardoor dit niet in het belang van het
kind is. Tot slot kan het scheiden van Chris bij de pleegouder, een trauma leiden bij de
pleegouder.
Vraag 2
- Argument voor: door het sociale netwerk van het gezin te betrekken in de hulpverlening,
waarbij de ex-partner positiever aangesproken wordt door het sociale netwerk, wordt de ex-
partner meer vergevingsgezind tegenover de andere ex-partner, waardoor er minder co-
ouderschapconflicten zijn.
- Argument tegen: er zijn nog geen aanwijzingen gevonden dat het sociale netwerk van het gezin
te betrekken in de hulpverlening, verandert.
, Vraag 3
Er zijn 3 mogelijkheden:
1. De leeftijdsgrens van het hoorrecht in Nederland is 12 jaar, en in internationale zaken 6 jaar.
De reden hiervoor is dat bij internationale zaken ook andere landen betrokken zijn, en deze
landen kunnen een lagere leeftijdsgrens hebben dan Nederland. Dit soort zaken zijn
gecentraliseerd bij de Rechtbank Den Haag en Gerechtshof Den Haag. De reden hiervoor is
dat de uitspraak hierover op gelijke voet staat.
2. Daarnaast krijgt een kind vanaf 3 jaar een bijzondere curator toegewezen krijgt. Deze
bijzondere curator spreekt en observeert het kind en houdt hiermee rekening met het kind.
3. Er wordt een standaard aanbod gedaan bij de ouders om mediation te starten. De ouders
moeten hiermee instemmen. Het kind kan vanaf 3 jaar, zijn stem inbrengen door een derde-
mediator waarvan een verslag wordt gemaakt.
Extra opmerking: de eerste twee mogelijkheden gebeurt los van de instemming van de ouders.
Mediation gebeurt alleen met de toestemming van de ouders.
Vraag 4
- Meneer De Vries kan een aantal dwangmiddelen instellen om de nakoming van de
omgangsregeling af te dwingen. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen algemene
en andere dwangmiddelen.
- Algemene dwangmiddelen:
1. Dwangsom (art. 611a Rv): dit dwangmiddel wordt het meest door de rechters opgelegd. In
het kader van effectiviteit om de omgangsregeling af te dwingen, is dit niet affectief maar het
middel is wel het minst verregaand.
2. Inzet sterke arm (art. 812 Rv): dit wordt terughoudend getoetst omdat het tot een trauma
kan leiden bij het kind. Dit dwangmiddel is kansrijk, omdat het kind daadwerkelijk wordt
overgebracht aan de vader.
3. Lijfsdwang (art. 585 Rv): dit dwangmiddel wordt terughoudend getoetst en is niet effectief
voor de omgangsregeling.
- Andere dwangmiddelen:
1. Bijzondere curator (art. 1:250 BW): dit is niet kansrijk, omdat het te zwak is.
2. Wijziging hoofdverblijfplaats (art. 1:253a BW);
3. Opschorten/wijzigen partner- of kinderalimentatie (art. 1:401 BW): dit wordt terughoudend
getoetst.
4. Ondertoezichtstelling (art. 1:255 BW);
5. Wijziging gezag (art. 1:253n jo. 1:253o BW): dit wordt niet vaak toegepast door de rechter,
omdat het niet meer meedenken over een kind een verregaand dwangmiddel is.
6. Strafrechtelijk middel (art. 279 Sr): alleen ouders met gezag kunnen hierop een beroep doen.
Het OM beslist om al dan niet te vervolgen.
- Het meest kansrijke dwangmiddel dat door de rechter zal worden opgelegd is dwangsom. Het
dwangmiddel dat het meest effectief is om de omgangsregeling te effectueren is de inzet van de
sterke arm.
- Conclusie: dwangsom lijkt het meest kansrijk.
Vraag 1
1. Het afwegingskader uithuisplaatsing kent vijf afwegingen.
a. Zijn de opvoedcapaciteiten van de ouder(s) en de ontwikkelingsbehoeften van het kind in
balans? Uit de casus blijkt dat Chris 5 jaar oud was ten tijde van uithuisplaatsing en gelet
op zijn leeftijd heeft een kind heeft ontwikkelingsbehoeften. Ook blijkt uit de casus dat de
moeder psychische problematiek had en drugs gebruikte. Hierdoor kan betoogd worden
dat de opvoedcapaciteiten van de moeder niet in balans was voor de
ontwikkelingsbehoeften van Chris.
b. Hoe beïnvloedt de gezins- en omgevingsfactoren de balans tussen de opvoedcapaciteiten
en ontwikkelingsbehoeften? Psychische problematiek en drugsgebruik beïnvloedt de
balans negatief. De gezins- en omgevingsfactoren hebben niet de invloed om de balans
positief te beïnvloeden. Er was geen netwerk om moeder te ondersteunen, de vader van
Chris was niet in beeld en moeder was gebrouilleerd met haar familie.
c. Kan de balans versterkt worden door sociale netwerk? Nee, omdat moeder geen sociale
netwerk heeft en niet ontvankelijk was voor hulpverlening en pogingen om het netwerk
te versterken mislukten.
d. Kan de balans door professionele hulp binnen aanvaardbare termijn hersteld worden?
Nee, omdat de moeder geen sociale netwerk heeft en niet ontvankelijk is voor
hulpverlening.
e. Kan UHP worden voorkomen door gerichte interventie? Nee, omdat de moeder niet
ontvankelijk is voor hulpverlening en pogingen om het netwerk te versterken mislukten.
Als de moeder niet ontvankelijk is voor hulpverlening, kan ze niet ontvankelijk zijn tot een
specifieke vorm (interventie).
- Conclusie: de uithuisplaatsing van Chris was vijf jaar geleden de juiste beslissing, omdat alle
afwegingen goed zijn doorlopen.
2. Chris woont nu 5 jaar lang bij het pleeggezin, waardoor hij geworteld is aan het gezin.
Hierdoor is sprake van een gechtheidsrelatie tussen de pleegouder en Chris. Immers, er is
sprake van een dyadische geschiedenis tussen verzorger en kind, inclusief het gedrag van
Chris en de reactie daarop van de pleegouder. Ook kent Chris het pleeggezin nu vijf jaar, heeft
standvastigheid en weet nu bij wie Chris terecht kan om de nabijheid op te zoeken in geval
van angst, ziekte of vermoeidheid (gehechtheid). Als Chris teruggeplaatst zou worden, moet
hij weer alles verwerken en wennen aan de situatie, waardoor dit niet in het belang van het
kind is. Tot slot kan het scheiden van Chris bij de pleegouder, een trauma leiden bij de
pleegouder.
Vraag 2
- Argument voor: door het sociale netwerk van het gezin te betrekken in de hulpverlening,
waarbij de ex-partner positiever aangesproken wordt door het sociale netwerk, wordt de ex-
partner meer vergevingsgezind tegenover de andere ex-partner, waardoor er minder co-
ouderschapconflicten zijn.
- Argument tegen: er zijn nog geen aanwijzingen gevonden dat het sociale netwerk van het gezin
te betrekken in de hulpverlening, verandert.
, Vraag 3
Er zijn 3 mogelijkheden:
1. De leeftijdsgrens van het hoorrecht in Nederland is 12 jaar, en in internationale zaken 6 jaar.
De reden hiervoor is dat bij internationale zaken ook andere landen betrokken zijn, en deze
landen kunnen een lagere leeftijdsgrens hebben dan Nederland. Dit soort zaken zijn
gecentraliseerd bij de Rechtbank Den Haag en Gerechtshof Den Haag. De reden hiervoor is
dat de uitspraak hierover op gelijke voet staat.
2. Daarnaast krijgt een kind vanaf 3 jaar een bijzondere curator toegewezen krijgt. Deze
bijzondere curator spreekt en observeert het kind en houdt hiermee rekening met het kind.
3. Er wordt een standaard aanbod gedaan bij de ouders om mediation te starten. De ouders
moeten hiermee instemmen. Het kind kan vanaf 3 jaar, zijn stem inbrengen door een derde-
mediator waarvan een verslag wordt gemaakt.
Extra opmerking: de eerste twee mogelijkheden gebeurt los van de instemming van de ouders.
Mediation gebeurt alleen met de toestemming van de ouders.
Vraag 4
- Meneer De Vries kan een aantal dwangmiddelen instellen om de nakoming van de
omgangsregeling af te dwingen. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen algemene
en andere dwangmiddelen.
- Algemene dwangmiddelen:
1. Dwangsom (art. 611a Rv): dit dwangmiddel wordt het meest door de rechters opgelegd. In
het kader van effectiviteit om de omgangsregeling af te dwingen, is dit niet affectief maar het
middel is wel het minst verregaand.
2. Inzet sterke arm (art. 812 Rv): dit wordt terughoudend getoetst omdat het tot een trauma
kan leiden bij het kind. Dit dwangmiddel is kansrijk, omdat het kind daadwerkelijk wordt
overgebracht aan de vader.
3. Lijfsdwang (art. 585 Rv): dit dwangmiddel wordt terughoudend getoetst en is niet effectief
voor de omgangsregeling.
- Andere dwangmiddelen:
1. Bijzondere curator (art. 1:250 BW): dit is niet kansrijk, omdat het te zwak is.
2. Wijziging hoofdverblijfplaats (art. 1:253a BW);
3. Opschorten/wijzigen partner- of kinderalimentatie (art. 1:401 BW): dit wordt terughoudend
getoetst.
4. Ondertoezichtstelling (art. 1:255 BW);
5. Wijziging gezag (art. 1:253n jo. 1:253o BW): dit wordt niet vaak toegepast door de rechter,
omdat het niet meer meedenken over een kind een verregaand dwangmiddel is.
6. Strafrechtelijk middel (art. 279 Sr): alleen ouders met gezag kunnen hierop een beroep doen.
Het OM beslist om al dan niet te vervolgen.
- Het meest kansrijke dwangmiddel dat door de rechter zal worden opgelegd is dwangsom. Het
dwangmiddel dat het meest effectief is om de omgangsregeling te effectueren is de inzet van de
sterke arm.
- Conclusie: dwangsom lijkt het meest kansrijk.