Bouw en werking
Bij de stofwisseling in cellen worden stoffen opgebouwd en afgebroken. De
stofwisselingsprocessen verlopen niet vanzelf of traag. Om de
stofwisselingsprocessen te laten verlopen bevat een cel enzymen → Eiwitten die
chemische omzettingen katalyseren → Mogelijk maken / Versnellen. Bij het
katalyseren worden de enzymen zelf niet verbruikt.
Een substraatmolecuul past precies in een enzymmolecuul. Het substraat is de stof
waarop een enzym inwerkt. In een enzymmolecuul past één type substraat,
vanwege de ruimtelijke vorm van het enzymmolecuul. Substraatmolecuul bindt aan
een enzymmolecuul → Enzym-substraatcomplex → Reactie. Actieve centrum → De
plaats op het enzym waar het substraat aan bindt.
In een substraatmolecuul worden bindingen tussen atomen verbroken en komen
bindingen tussen andere atomen tot stand. De stoffen die bij een reactie
ontstaan → Reactieproducten. Na de reactie laten de reactieproducten los van het
enzymmolecuul → Volgende reactie.
Het enzymmolecuul verandert niet en bindt zich aan het volgende
substraatmolecuul. Één enzymmolecuul maakt dezelfde reactie mogelijk → Kleine
hoeveelheid enzymen is genoeg om substraat om te zetten.
De naam van een enzym is samengesteld uit de naam van het substraat + ase.
Enzymatische reacties kunnen in twee richtingen verlopen → Dubbele pijl = ⇄. De
naam van het enzym staat boven de pijl.