Kenmerkende aspecten per tijdvak H5 t/m 10
H5
- Het begin van de Europese overzeese expansie.
- Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe
wetenschappelijke belangstelling.
- De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid.
- De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg
had.
- Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.
H6
- Het streven van vorsten naar absolute macht.
- De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht
van de Nederlandse Republiek.
- Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
- De wetenschappelijke revolutie.
H7
- Rationeel optimisme en ‘Verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
- Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse
verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).
- Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de
daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.
- De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten,
grondrechten en staatsburgerschap.
H8
- De industriële revolutie die in de westerse landen de basis legde voor een industriële
samenleving.
- Discussie over de ‘sociale kwestie’.
- De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie.
- De opkomst van emancipatiebewegingen.
- Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan
het politieke proces.
- De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme,
confessionalisme en feminisme.
H5
- Het begin van de Europese overzeese expansie.
- Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe
wetenschappelijke belangstelling.
- De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid.
- De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg
had.
- Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.
H6
- Het streven van vorsten naar absolute macht.
- De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht
van de Nederlandse Republiek.
- Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
- De wetenschappelijke revolutie.
H7
- Rationeel optimisme en ‘Verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
- Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse
verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).
- Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de
daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.
- De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten,
grondrechten en staatsburgerschap.
H8
- De industriële revolutie die in de westerse landen de basis legde voor een industriële
samenleving.
- Discussie over de ‘sociale kwestie’.
- De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie.
- De opkomst van emancipatiebewegingen.
- Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan
het politieke proces.
- De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme,
confessionalisme en feminisme.