Geneesmiddelenwet: bestaat sinds 2007. Daarvoor was het de WOG, maar deze was verouderd. In
de geneesmiddelenwet zijn bepalingen opgenomen over het toezicht, de naleving en handhaving
van productie, registratie en distributie van geneesmiddelen.
Hoofdtaak (assistent) drogist: het leveren van verantwoorde zorg. Daarnaast is de drogist
verantwoordelijk voor de praktische zaken rondom de geneesmiddelen. De drogist kan ook
verantwoordelijk zijn voor een aantal assistent drogisten.
Geneesmiddel: middel waarin bepaalde stoffen (werkzame stoffen) zijn verwerkt die een menselijk
lichaam helpen te herstellen.
Medicijn: bestaat voor 5 mg uit werkzame stof, voor 20 mg uit hulpstof en voor 75 mg uit vulstof.
De hulpstoffen zorgen voor een verbeterde werking in combinatie met de werkzame stof. De vulstof
is ter opvulling van het medicijn, zodat het zijn omvang krijgt.
Homeopathische geneesmiddelen: geneesmiddelen met uitsluitend natuurlijke ingrediënten.
Kruidenpreparaat: een middel met ook alleen natuurlijke ingrediënten, maar deze is niet volgens de
regels van de homeopathie bereid.
CBG: college ter beoordeling geneesmiddelen. Deze bepaalt of een geneesmiddel de markt op mag.
Een geneesmiddel wordt beoordeeld op werkzaamheid, kwaliteit en veiligheid.
RVG: register verpakte geneesmiddelen
RVH: register homeopathische geneesmiddelen
Categorieën geneesmiddelen;
AV: algemeen verkrijgbaar
UAD: uitsluitend apotheek drogist
UA: uitsluitend apotheek
UR: uitsluitend recept
De categorie-indeling wordt gemaakt afhankelijk van de kans op risico’s voor bijwerking op de
gezondheid, concentratie werkzame stof en de grootte van de verpakking.
Afleverstatus: categorie waaronder een geneesmiddel valt (AV, UAD, UA of UR). Deze wordt bepaald
aan de hand van de werkzame stof, dosering, verpakkingsgrootte en inhoud. Zo heeft paracetamol
bijvoorbeeld meer aflever statussen.
Farmaceutische vorm: werkzame stof, vulstof én hulpstof samen. Verschillende farmaceutische
vormen:
1. Tabletten
2. Bruistabletten
3. Smelttabletten
4. Granules
5. Capsules
, 6. Dragees
7. Poeders
8. Zalven
9. Drankjes
10. Druppels
11. Zetpillen
12. Emulsies
13. Tincturen
14. Crèmes
Verpakkingsinformatie: op de verpakking van een geneesmiddel moet de volgende informatie
worden vermeld:
1. De naam van het geneesmiddel, ook in braille
2. De inhoud van de verpakking
3. De uiterste gebruiksdatum
4. De farmaceutische vorm
5. Waarvoor het middel gebruikt mag worden
6. De werkzame stof en hulpstoffen
7. Hoe het middel gebruikt moet worden
8. Een waarschuwing dat het product buiten het bereik van kinderen bewaard moet worden
9. Een verwijzing naar de bijsluiter
10. Naam en plaats van de handelsvergunninghouder, registratienummer en partijnummer
11. Afleverstatus
Bijsluiter: hierin staat dezelfde informatie als op de verpakking, maar dan uitgebreider. Hier vind je
ook informatie over de mogelijke bijwerkingen, houdbaarheid, ander land andere naam (hoe het
geneesmiddel in het buitenland heet) en informatie over overdosering.