Weekindeling goederenrecht
Week Hoofdstukken Arresten
I H1 (m.u.v. § 1.5.3) § Portacabin #
H2 § 2.1 en § 2.2 Depex/ Curatoren #
II H3 § Teixeira de Mattos #
H5 § 5.1
III H4 (m.u.v. § 4.3) § Gielkens – Gielkens #
IV H5 § Uitslag – Wolterink #
H1 § 1.5.3. Centraal Beheer/ Gritter #
H6 § 6.1 t/m 6.4
V H2 § 2.3 t/m 2.5
H7
H8
VI H9 § Winters/ Kantoor van de
Toekomst #
1
,Praktisch goederenrecht samenvatting tentamen.
Hoofdstuk 1: Basisbegrippen van het goederenrecht
Het goederenrecht en het verbintenissenrecht vormen samen het vermogensrecht. Het
vermogensrecht is een van de twee hoofdonderdelen van het privaatrecht en regelt de
verhoudingen tussen burgers onderling die op geld waardeerbaar zijn.
Privaatrecht
Personen- en
Vermogensrecht
familierecht
Goederenrecht Verbintenissenrecht
(persoon/ goed) (persoon/ persoon)
1.1 Goederen, zaken en vermogensrechten
Goederen = Artikel 3:1 BW bepaalt dat goederen alle zaken en vermogensrechten zijn.
Hieruit kan worden afgeleid dat er twee soorten goederen bestaan; zaken en
vermogensrechten.
Zaken = Op grond van artikel 3:2 BW zijn zaken “de voor menselijke beheersing vatbare
stoffelijke objecten”. Zaken zijn bijvoorbeeld een huis, een stuk grond, een auto. Niet-zaken
zijn bijvoorbeeld de zee en de lucht. Artikel 3:2a lid 1 BW voegt hieraan toe dat dieren geen
zaken zijn, lid 2 vult aan dat de regels voor zaken wel gelden voor dieren.
Vermogensrechten = Artikel 3:6 BW stelt dat een vermogensrecht een recht met een
bepaalde waarde die in geld is uit te drukken is. Daarnaast zijn er drie verschillende
categorieën vermogensrechten: overdraagbaar (eigendomsrecht), stoffelijk voordeel (recht
op gebruik) en in ruil voor stoffelijk voordeel (man doet boodschappen voor een vrouw).
1.2 Roerende en onroerende zaken
Onroerende zaken = Volgens artikel 3:3 lid 1 BW zijn onroerende zaken, zaken die niet
verplaatsbaar zijn. Lid 1 geeft aan wat hieronder wordt verstaan.
Roerende zaken = Volgens artikel 3:3 lid 2 BW zijn roerende zaken, alle zaken die niet
onroerend zijn. Het komt erop neet dat dit verplaatsbare zaken zijn.
1. Portacabin arrest
2
, 1.3 Hoofdzaak en bestanddeel
Bestanddeel = Op grond van artikel 3:4 lid 1 BW is alles wat volgens verkeersopvattingen
deel uitmaakt van een zaak een bestanddeel. Dit maakt de andere zaak de hoofdzaak. Lid 2
geeft een tweede omschrijving van een bestanddeel, namelijk, er is sprake van een
bestanddeel indien deze niet kan worden afgescheiden van de hoofdzaak zonder
beschadiging te maken.
1. Depex/ curatoren arrest
1.4 Registergoederen en niet-registergoederen
Registergoederen = Een registergoed staat omschreven in artikel 3:10 BW. Hieronder vallen
alle goederen die geregistreerd moeten worden (voor overdracht) in de openbare registers
(artikel 3:16 BW) zoals onroerende zaken, vliegtuigen, grond en grote schepen.
Niet-registergoederen = Dit zijn alle goederen die geen registergoed zijn. Hier vallen ook alle
goederen onder die in een specifiek register moet worden opgenomen en niet het openbare
register. Zoals een scooter (specifiek register RDW).
1.5 Natuurlijke en burgerlijke vruchten, goede trouw
Natuurlijke vruchten = Artikel 3:9 lid 1 BW omschrijft natuurlijke vruchten als “zaken die
volgens verkeersopvatting als vruchten van andere zaken worden aangemerkt”.
Voorbeelden hiervan zijn een appel en een puppy.
Zelfstandige zaak = Een natuurlijke vrucht die wordt afgescheiden wordt een zelfstandige
zaak, volgens artikel 3:9 lid 4 BW. Voorbeelden hiervan zijn wanneer de appel van de boom
valt of wordt geplukt of op het moment de puppy wordt geboren.
Burgerlijke vruchten = Dit zijn rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van
goederen worden aangemerkt, volgens artikel 3:9 lid 2 BW. Met rechten wordt in dit geval
vermogensrechten bedoeld. Voorbeelden van burgerlijke vruchten zijn de rente over een
geldbedrag dat op een spaarrekening staat en de huuropbrengst van een woning.
Zelfstandig recht = Op grond van artikel 3:9 lid 4 BW wordt een burgerlijke vrucht een
zelfstandig recht wanneer deze opeisbaar wordt.
Goede trouw = De goede trouw van een persoon ontbreekt indien (1) iemand de feiten of
het recht waarop zijn goede trouw betrekking heeft kende (2) “ behoorde te kennen. Zie
hiervoor artikel 3:11 BW. Het gaat dus om niet-weten en ook niet hoeven weten.
3
Week Hoofdstukken Arresten
I H1 (m.u.v. § 1.5.3) § Portacabin #
H2 § 2.1 en § 2.2 Depex/ Curatoren #
II H3 § Teixeira de Mattos #
H5 § 5.1
III H4 (m.u.v. § 4.3) § Gielkens – Gielkens #
IV H5 § Uitslag – Wolterink #
H1 § 1.5.3. Centraal Beheer/ Gritter #
H6 § 6.1 t/m 6.4
V H2 § 2.3 t/m 2.5
H7
H8
VI H9 § Winters/ Kantoor van de
Toekomst #
1
,Praktisch goederenrecht samenvatting tentamen.
Hoofdstuk 1: Basisbegrippen van het goederenrecht
Het goederenrecht en het verbintenissenrecht vormen samen het vermogensrecht. Het
vermogensrecht is een van de twee hoofdonderdelen van het privaatrecht en regelt de
verhoudingen tussen burgers onderling die op geld waardeerbaar zijn.
Privaatrecht
Personen- en
Vermogensrecht
familierecht
Goederenrecht Verbintenissenrecht
(persoon/ goed) (persoon/ persoon)
1.1 Goederen, zaken en vermogensrechten
Goederen = Artikel 3:1 BW bepaalt dat goederen alle zaken en vermogensrechten zijn.
Hieruit kan worden afgeleid dat er twee soorten goederen bestaan; zaken en
vermogensrechten.
Zaken = Op grond van artikel 3:2 BW zijn zaken “de voor menselijke beheersing vatbare
stoffelijke objecten”. Zaken zijn bijvoorbeeld een huis, een stuk grond, een auto. Niet-zaken
zijn bijvoorbeeld de zee en de lucht. Artikel 3:2a lid 1 BW voegt hieraan toe dat dieren geen
zaken zijn, lid 2 vult aan dat de regels voor zaken wel gelden voor dieren.
Vermogensrechten = Artikel 3:6 BW stelt dat een vermogensrecht een recht met een
bepaalde waarde die in geld is uit te drukken is. Daarnaast zijn er drie verschillende
categorieën vermogensrechten: overdraagbaar (eigendomsrecht), stoffelijk voordeel (recht
op gebruik) en in ruil voor stoffelijk voordeel (man doet boodschappen voor een vrouw).
1.2 Roerende en onroerende zaken
Onroerende zaken = Volgens artikel 3:3 lid 1 BW zijn onroerende zaken, zaken die niet
verplaatsbaar zijn. Lid 1 geeft aan wat hieronder wordt verstaan.
Roerende zaken = Volgens artikel 3:3 lid 2 BW zijn roerende zaken, alle zaken die niet
onroerend zijn. Het komt erop neet dat dit verplaatsbare zaken zijn.
1. Portacabin arrest
2
, 1.3 Hoofdzaak en bestanddeel
Bestanddeel = Op grond van artikel 3:4 lid 1 BW is alles wat volgens verkeersopvattingen
deel uitmaakt van een zaak een bestanddeel. Dit maakt de andere zaak de hoofdzaak. Lid 2
geeft een tweede omschrijving van een bestanddeel, namelijk, er is sprake van een
bestanddeel indien deze niet kan worden afgescheiden van de hoofdzaak zonder
beschadiging te maken.
1. Depex/ curatoren arrest
1.4 Registergoederen en niet-registergoederen
Registergoederen = Een registergoed staat omschreven in artikel 3:10 BW. Hieronder vallen
alle goederen die geregistreerd moeten worden (voor overdracht) in de openbare registers
(artikel 3:16 BW) zoals onroerende zaken, vliegtuigen, grond en grote schepen.
Niet-registergoederen = Dit zijn alle goederen die geen registergoed zijn. Hier vallen ook alle
goederen onder die in een specifiek register moet worden opgenomen en niet het openbare
register. Zoals een scooter (specifiek register RDW).
1.5 Natuurlijke en burgerlijke vruchten, goede trouw
Natuurlijke vruchten = Artikel 3:9 lid 1 BW omschrijft natuurlijke vruchten als “zaken die
volgens verkeersopvatting als vruchten van andere zaken worden aangemerkt”.
Voorbeelden hiervan zijn een appel en een puppy.
Zelfstandige zaak = Een natuurlijke vrucht die wordt afgescheiden wordt een zelfstandige
zaak, volgens artikel 3:9 lid 4 BW. Voorbeelden hiervan zijn wanneer de appel van de boom
valt of wordt geplukt of op het moment de puppy wordt geboren.
Burgerlijke vruchten = Dit zijn rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van
goederen worden aangemerkt, volgens artikel 3:9 lid 2 BW. Met rechten wordt in dit geval
vermogensrechten bedoeld. Voorbeelden van burgerlijke vruchten zijn de rente over een
geldbedrag dat op een spaarrekening staat en de huuropbrengst van een woning.
Zelfstandig recht = Op grond van artikel 3:9 lid 4 BW wordt een burgerlijke vrucht een
zelfstandig recht wanneer deze opeisbaar wordt.
Goede trouw = De goede trouw van een persoon ontbreekt indien (1) iemand de feiten of
het recht waarop zijn goede trouw betrekking heeft kende (2) “ behoorde te kennen. Zie
hiervoor artikel 3:11 BW. Het gaat dus om niet-weten en ook niet hoeven weten.
3