PROBLEEM 7
Leerdoelen:
1. Wat is de reikwijdte van de vrijheid van betoging?
2. Kan de burgemeester deze beperken en hoe?
3. Hoe moet de burgemeester omgaan met ‘hostile audience’?
Bronnen:
- Van der Pot, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht: H17 (p. 367-371)
- Berend Roorda, Het recht om te demonstreren: p. 34-37, 107-145, 191-198
- Beëindiging niet-aangemelde manifestatie
- Platform Ärtze für das Leben
- Pegida Amsterdam
- Tegendemonstratie Den Haag
- Extreemrechtse demonstratie Kerkrade
- Extreemrechtse demonstratie Rotterdam
LEERDOEL 1 WAT IS DE REIKWIJDTE VAN DE VRIJHEID VAN
BETOGING?
Het recht tot vergadering wordt beschermd in art. 9 Gw, art. 11 EVRM en art. 21 IVBPR.
Het recht tot betoging komt wel in art. 9 Gw, maar niet in de internationale mensenrechtenverdragen
voor.
→ Wordt wel ingelezen in art. 11 EVRM.
De beperkingsclausules verschillen van die van vrijheid van meningsuiting. Meer dan bij andere
grondrechten doet zich hier in de praktijk de hostile audience-problematiek voor (zie leerdoel 3).
Afweging tussen het recht tot vergadering en betoging enerzijds, andere grondrechten anderzijds,
dienen veelal gemaakt te worden in het kader van de uitoefening van bevoegdheden tot handhaving
van de openbare orde.
• Plaatselijke overheden komt een grote rol toe bij de beperkingen aan de uitoefening van dit
recht.
(ARTIKEL)
Het is moeilijk om een scherp onderscheid te maken tussen vergaderingen en betogingen. Het
‘groepskarakter’ is een gemeenschappelijk kenmerk.
Bij de betoging gaat het om het in het openbaar uitdragen van gemeenschappelijk beleefde
gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied (volgens de MvT van zowel de Gw als de
WOM).
Bij de betogingsvrijheid staan 3 elementen centraal: collectiviteit, openbaarheid en meningsuiting.
1. Collectiviteit
Indien minimaal 2 personen aan een manifestatie deelnemen. Eenmansprotesten vallen dus niet onder
de reikwijdte van art. 9 Gw en het Wom.
1
, 2. Openbaarheid
Bij betogingen staat het uitdragen van een mening centraal. Dat kan openbare plaatsen en op andere
dan openbare plaatsen. Dit onderscheid wordt gemaakt, omdat de bevoegdheden van de
burgemeester bij openbare plaatsen verder strekken dan bij andere dan openbare plaatsen.
2a. Openbare plaatsen
Art. 1 lid 1 Wom: verstaan een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het
publiek. D.w.z. dat iedereen er in beginsel vrij is om te komen en te gaan.
Dus wel: plaatsen waar men komt en gaat zoals stationshallen, wegen en parken.
Maar niet: plekken waar men met een doel is of waar bijv. entree voor is betaald zoals musea,
postkantoren en ziekenhuizen.
Dat openstaan voor publiek moet gebaseerd zijn op bestemming of vast gebruik. Het openstaan is
gebaseerd op bestemming als aan de plaats een openbaar karakter is toegekend bijv. door een
besluit of door de inrichting van de plaats. Het openstaan is gebaseerd op vast gebruik als de plek
gedurende een zekere tijd als openbare bestemming wordt gebruikt.
2b. Andere dan openbare plaatsen
In art. 8 Wom worden de niet-openbare plaatsen aangeduid als andere dan openbare plaatsen.
Hierbinnen worden 3 soorten plaatsen onderscheiden: voor het publiek toegankelijke plaatsen, niet
voor het publieke toegankelijke plaatsen en woningen als in art. 12 Gw.
Voor het publiek toegankelijke plaatsen zijn voor iedereen toegankelijk, maar niet als openbaar
bestemd. Het verblijf is doelverbonden bijv. winkels, postkantoren, ziekenhuizen, musea etc.
Niet voor het publiek toegankelijke plaatsen zijn alleen toegankelijk voor leden van een vereniging of
bepaald gezelschap.
Een woning is ‘een ruimte die tot exclusief verblijf voor een persoon of voor een beperkt aantal in een
gemeenschappelijke huishouding levende personen ingericht en bestemd is’. Dit hoeft niet per sé in
een woonhuis te zijn. Het kan ook een woonwagen of een (woon)schip zijn.
Betogingen op andere dan openbare plaatsen kunnen zich in beginsel alleen voordoen op voor het
publiek toegankelijke plaatsen. Betogingen kunnen zich in feite niet voordoen op plaatsen die niet voor
publiek toegankelijk zijn of in woningen, omdat dan het element ‘openbaarheid’ ontbreekt.
3. Meningsuiting
Bij de betoging dient er sprake te zijn van het uiten van gedachten of gevoelens. Het onderwerp van
die uiting kan zeer divers zijn en hoeft niet beperkt te zijn tot maatschappelijk of politiek gebied. Dat
gebeurt doorgaans wel, maar dan hoeft niet duidelijk te zijn of ‘voor’ of ‘tegen’ wordt betoogd, het
kan ook zijn om aandacht te vragen voor een kwestie.
• Dit volgt ook al uit de Wom, waarin de wetgever bepaalt dat er geen gegevens verlangd
worden over de inhoud van de te openbaren gedachten en gevoelens (art. 4 lid 3 Wom) en
dat een beperking van een betoging geen betrekking kan hebben op de inhoud van de te
openbaren gedachten of gevoelens (art. 5 lid 3 Wom).
2
Leerdoelen:
1. Wat is de reikwijdte van de vrijheid van betoging?
2. Kan de burgemeester deze beperken en hoe?
3. Hoe moet de burgemeester omgaan met ‘hostile audience’?
Bronnen:
- Van der Pot, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht: H17 (p. 367-371)
- Berend Roorda, Het recht om te demonstreren: p. 34-37, 107-145, 191-198
- Beëindiging niet-aangemelde manifestatie
- Platform Ärtze für das Leben
- Pegida Amsterdam
- Tegendemonstratie Den Haag
- Extreemrechtse demonstratie Kerkrade
- Extreemrechtse demonstratie Rotterdam
LEERDOEL 1 WAT IS DE REIKWIJDTE VAN DE VRIJHEID VAN
BETOGING?
Het recht tot vergadering wordt beschermd in art. 9 Gw, art. 11 EVRM en art. 21 IVBPR.
Het recht tot betoging komt wel in art. 9 Gw, maar niet in de internationale mensenrechtenverdragen
voor.
→ Wordt wel ingelezen in art. 11 EVRM.
De beperkingsclausules verschillen van die van vrijheid van meningsuiting. Meer dan bij andere
grondrechten doet zich hier in de praktijk de hostile audience-problematiek voor (zie leerdoel 3).
Afweging tussen het recht tot vergadering en betoging enerzijds, andere grondrechten anderzijds,
dienen veelal gemaakt te worden in het kader van de uitoefening van bevoegdheden tot handhaving
van de openbare orde.
• Plaatselijke overheden komt een grote rol toe bij de beperkingen aan de uitoefening van dit
recht.
(ARTIKEL)
Het is moeilijk om een scherp onderscheid te maken tussen vergaderingen en betogingen. Het
‘groepskarakter’ is een gemeenschappelijk kenmerk.
Bij de betoging gaat het om het in het openbaar uitdragen van gemeenschappelijk beleefde
gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied (volgens de MvT van zowel de Gw als de
WOM).
Bij de betogingsvrijheid staan 3 elementen centraal: collectiviteit, openbaarheid en meningsuiting.
1. Collectiviteit
Indien minimaal 2 personen aan een manifestatie deelnemen. Eenmansprotesten vallen dus niet onder
de reikwijdte van art. 9 Gw en het Wom.
1
, 2. Openbaarheid
Bij betogingen staat het uitdragen van een mening centraal. Dat kan openbare plaatsen en op andere
dan openbare plaatsen. Dit onderscheid wordt gemaakt, omdat de bevoegdheden van de
burgemeester bij openbare plaatsen verder strekken dan bij andere dan openbare plaatsen.
2a. Openbare plaatsen
Art. 1 lid 1 Wom: verstaan een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het
publiek. D.w.z. dat iedereen er in beginsel vrij is om te komen en te gaan.
Dus wel: plaatsen waar men komt en gaat zoals stationshallen, wegen en parken.
Maar niet: plekken waar men met een doel is of waar bijv. entree voor is betaald zoals musea,
postkantoren en ziekenhuizen.
Dat openstaan voor publiek moet gebaseerd zijn op bestemming of vast gebruik. Het openstaan is
gebaseerd op bestemming als aan de plaats een openbaar karakter is toegekend bijv. door een
besluit of door de inrichting van de plaats. Het openstaan is gebaseerd op vast gebruik als de plek
gedurende een zekere tijd als openbare bestemming wordt gebruikt.
2b. Andere dan openbare plaatsen
In art. 8 Wom worden de niet-openbare plaatsen aangeduid als andere dan openbare plaatsen.
Hierbinnen worden 3 soorten plaatsen onderscheiden: voor het publiek toegankelijke plaatsen, niet
voor het publieke toegankelijke plaatsen en woningen als in art. 12 Gw.
Voor het publiek toegankelijke plaatsen zijn voor iedereen toegankelijk, maar niet als openbaar
bestemd. Het verblijf is doelverbonden bijv. winkels, postkantoren, ziekenhuizen, musea etc.
Niet voor het publiek toegankelijke plaatsen zijn alleen toegankelijk voor leden van een vereniging of
bepaald gezelschap.
Een woning is ‘een ruimte die tot exclusief verblijf voor een persoon of voor een beperkt aantal in een
gemeenschappelijke huishouding levende personen ingericht en bestemd is’. Dit hoeft niet per sé in
een woonhuis te zijn. Het kan ook een woonwagen of een (woon)schip zijn.
Betogingen op andere dan openbare plaatsen kunnen zich in beginsel alleen voordoen op voor het
publiek toegankelijke plaatsen. Betogingen kunnen zich in feite niet voordoen op plaatsen die niet voor
publiek toegankelijk zijn of in woningen, omdat dan het element ‘openbaarheid’ ontbreekt.
3. Meningsuiting
Bij de betoging dient er sprake te zijn van het uiten van gedachten of gevoelens. Het onderwerp van
die uiting kan zeer divers zijn en hoeft niet beperkt te zijn tot maatschappelijk of politiek gebied. Dat
gebeurt doorgaans wel, maar dan hoeft niet duidelijk te zijn of ‘voor’ of ‘tegen’ wordt betoogd, het
kan ook zijn om aandacht te vragen voor een kwestie.
• Dit volgt ook al uit de Wom, waarin de wetgever bepaalt dat er geen gegevens verlangd
worden over de inhoud van de te openbaren gedachten en gevoelens (art. 4 lid 3 Wom) en
dat een beperking van een betoging geen betrekking kan hebben op de inhoud van de te
openbaren gedachten of gevoelens (art. 5 lid 3 Wom).
2