Nederlands 4 vwo + voorbeeld argumentatieschema
Argumentatiestructuur
Inleiding (1 alinea)
- Het onderwerp introduceren
- Standpunt
Middenstuk (2-5 alinea’s)
- Argumenten, tegenargumenten en weerleggingen. Maak daarbij gebruik van
signaalwoorden.
Slot (1 alinea)
- Herhaling belangrijkste argument(en)
- Herhaling standpunt/conclusie.
Argumentatieschema voorbeeld
Standpunt
↓ ↓ ↓
Argument 1 Argument 2 Argument 3
↓ ↓ ↓ ↓
Argument 1.1 Argument 2.1 Argument 2.2 Tegenargument
↓ ↓ ↓
Argument 1.1.1 Argument 2.1.1 Weerlegging
Standpunten en argumenten H1.1
Standpunten
Als je een standpunt over iets inneemt, dan geef je je mening over die zaak.
Je kunt een standpunt meestal aan de volgende signaalwoorden herkennen: ik vind, volgens
mij, ik denk dat, mijn conclusie is dat, dus, daarom, kortom.
Er zijn drie soorten standpunten:
- Een positief standpunt: Ik vind dat leerlingen in de tweede fase zelf mogen bepalen
of ze naar de les komen.
- Een negatief standpunt: Volgens mij kunnen leerlingen in de tweede fase beter niet
zelf bepalen of ze lessen bijwonen.