Les 1:
Leerdoelen:
-Begrippen overgevoeligheid en allergie van elkaar onderscheiden en kent het begrip
allergeen
-Verschillen beschrijven tussen een allergische reactie van het immediate type (snelle type,
type I) en van het delayed type (vertraagd type, type IV) en kent begrippen atopie en
anafylaxie
-Onder 2 genoemde soorten allergische reacties en aantal voorbeelden geven
-Kent het begrip hemorragische diathese, welke verschijnselen duiden op het bestaan ervan
en heeft inzicht in de achtergronden van het ontstaan ervan
Afweer:
-Ontsteking/inflammatie→
• Nuttige reactie van een weefsel dat beschadigd is door:
o Wond
o Kneuzing
o Verbranding
o UV-straling
o Infectie
-Aspecifieke afweer en aangeboren afweer→
• De verdediging tegen alle typen pathogenen
• Bij brandwonden valt de eerste afweerlinie weg
• Functie van trilhaarepitheel → het opvangen van slijm met vuil
1. Eerste afweerlinie: aspecifiek
• Zweet- en talgklieren
• Speeksel en slijm
• Maagzuur
• Urine in de urinewegen
• Darmflora
• De intacte huid
2. Tweede afweerlinie: aspecifiek
• Leukocyten
• Macrofagen
• NK-cellen (natural-killer cellen)
• Dendritische cellen
• Mestcellen
▪ Bevat histamine → lokt een allergische reactie uit
• Complementsysteem
• Ontstekingsmediatoren
1
, • Fagocytose:
o Tweede afweerlinie
o Afbraak met behulp van lysosomen, met als doel iets af te breken
o Kleine fragmenten worden uiteindelijk weer uitgestoten → exocytose
Ontstekingsmediatoren:
-Histamine
o Afgegeven door met name mestcellen
o Vasodilatatie en verhoogde permeabiliteit van de vaten
o Veroorzaakt: jeuk, tranende ogen
-CRP
o C-reactief proteïne
o Overal aanwezig waar actieve ontsteking is en aanwezig in het bloed
o Wanneer het CRP verhoogd is→ meestal een bacteriële infectie
o Afgegeven door lever bij weefselschade van het lichaam
o Activeert complementsysteem en fagocyterende cellen
-Interferon
o Eiwit
o Afgegeven door geïnfecteerde cellen met een bacterie/virus
o Activeert macrofagen en is een alarmsignaal voor gezonde cellen en
fagocyterende cellen
Specifieke afweer:
3.Derde afweerlinie: specifiek voor m.o.
-Immuunsysteem
-Functie:
-Het lichaam onvatbaar maken voor eerder doorgemaakte infecties → immuniteit
-Na de tweede keer contact een snellere afweerreactie door geheugencellen
Onderdelen van het immuunsysteem:
-Lymfocyten
1. T-lymfocyt: cellulaire immuniteit
-Doden van andere cellen
2. B-lymfocyt: humorale immuniteit
-Productie antistoffen (antilichamen) door plasmacellen (actieve B-
lymfocyten)
-Antigenen
-Moleculen die een afweerreactie oproepen
-Antistoffen
-Past als sleutel-slot op antigeen
-Immunoglobulines
-Geheugencellen
-Afweer komt de tweede keer sneller op gang
2
, Cellulaire immuniteit:
-De cellulaire immuniteit is belangrijk bij:
-Tumorcellen
-Afstoting bij transplantatie
-Intracellulaire pathogenen
-Virussen en bacteriën in de lichaamseigen cel
-Cellulaire immuniteit is zonder antistoffen
-T-lymfocyten
1. T-helper cel → geheugencel
2. Cytotoxische T-cel → geheugencel
-MHC: major histocompatibility complex
-De antigeenpresentatie van een cel (antigeen presenterend complex)
-Zonder MHC kunnen andere cellen niet geactiveerd worden
-Het MHC zit aan het membraan van de cel
-MHC = APC (antigeen presenterende cel)
Humorale immuniteit:
-De humorale immuniteit is voornamelijk tegen bacteriën gericht
-B-lymfocyten
1. Plasmacel → productie antistoffen (immuunglobulines)
2. B-geheugencel
Locatie van immuunreacties:
-Lymfocyten worden gemaakt in primaire lymfoïde organen
→Beenmerg en thymus
-Lymfocyten werken in secundaire lymfoïde organen
→ Milt (via bloed), lymfeklieren (via lymfevaten), slijmvliezen (MALT) → lymfoïd
weefsel ingebouwd in darmepitheel (door epitheel heen presentatie van antigenen)
Stoornissen in de afweer:
-Auto-immuunziekten
-Aanvallen van de eigen cellen
-DM / MS
-Immuundeficiëntie
-Premature baby’s
-Leukemie
3