De tenlastelegging, grondslag- en interpretatiekwesties
2019 - Week 7
Data colleges:
Zie Osiris en MyTimeTable voor nadere informatie omtrent de tijd en plaats van het
hoorcollege en de werkcolleges.
Onderwerpen:
- De tenlastelegging, grondslagleer & interpretatiekwesties
- Beslissingsschema’s artt. 348 & 350 Sv
Verplichte literatuur:
- G.J.M. Corstens, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands
strafprocesrecht, 9e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018
hoofdstuk XIV
hoofdstuk XVI, par. 1 t/m 6 en par. 11, met uitzondering van alle kleine lettertjes
- G. Knigge (red.), Leerstukken van Strafprocesrecht, Groningen 2001, hoofdstuk 4 (te
vinden via Blackboard>documents)
Aanbevolen literatuur:
- G.J.M. Corstens, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands
strafprocesrecht, 9e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018
hoofdstuk XVI, par. 7 t/m 10
Verplichte jurisprudentie:
(o.a. te vinden via WoltersKluwer Navigator)
1. HR 14 oktober 1975 NJ 1976, 149 (Medeplichtigheid aan afpersing)
2. HR 20 februari 1962 NJ 1962, 157 (Brasserskade) (m.nt. Van Berckel)
3. HR 25 juni 1996 NJ 1997, 106 (Boom te Echt)
4. HR 10 juni 2003 NJ 2003, 633 (Kwekerij)
5. HR 30 september 2008 NJ 2009, 494 (Misslag)
6. HR 14 februari 2017 NJ 2017, 137 (Diefstal of verduistering?)
(m.nt. T. Kooijmans)
1
, De tenlastelegging, grondslag- en interpretatiekwesties
Leerdoelen:
De deelnemers kunnen na bestudering van de literatuur en de jurisprudentie en na actieve
deelname aan de colleges:
a. de betekenis en achterliggende gedachte van de grondslagleer verwoorden;
b. juridisch criterium I en II binnen de grondslagleer duiden en toepassen;
c. feitelijk criterium I en II binnen de grondslagleer duiden en toepassen;
d. uitleggen welke correctiemechanismen op de strenge grondslagleer bestaan;
e. met toepassing van de juridische en feitelijke criteria in een casus bepalen of een
einduitspraak een grondslagverlating oplevert;
f. in een bewezenverklaring analyseren op welke punten er sprake is van
grondslagverlating en tot welke consequenties dit leidt;
g. de voor- en nadelen van de huidige en de minder strenge grondslagleer uitleggen;
h. de consequenties kennen van een grondslagverlating.
De onderwerpen die in het eerste studiejaar aan de orde zijn gesteld, worden bekend
verondersteld. Hieronder vallen in elk geval het beslissingsmodel van art. 348 en 350 Sv
alsmede de motiveringseisen die gelden voor het vonnis.
2
2019 - Week 7
Data colleges:
Zie Osiris en MyTimeTable voor nadere informatie omtrent de tijd en plaats van het
hoorcollege en de werkcolleges.
Onderwerpen:
- De tenlastelegging, grondslagleer & interpretatiekwesties
- Beslissingsschema’s artt. 348 & 350 Sv
Verplichte literatuur:
- G.J.M. Corstens, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands
strafprocesrecht, 9e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018
hoofdstuk XIV
hoofdstuk XVI, par. 1 t/m 6 en par. 11, met uitzondering van alle kleine lettertjes
- G. Knigge (red.), Leerstukken van Strafprocesrecht, Groningen 2001, hoofdstuk 4 (te
vinden via Blackboard>documents)
Aanbevolen literatuur:
- G.J.M. Corstens, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands
strafprocesrecht, 9e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018
hoofdstuk XVI, par. 7 t/m 10
Verplichte jurisprudentie:
(o.a. te vinden via WoltersKluwer Navigator)
1. HR 14 oktober 1975 NJ 1976, 149 (Medeplichtigheid aan afpersing)
2. HR 20 februari 1962 NJ 1962, 157 (Brasserskade) (m.nt. Van Berckel)
3. HR 25 juni 1996 NJ 1997, 106 (Boom te Echt)
4. HR 10 juni 2003 NJ 2003, 633 (Kwekerij)
5. HR 30 september 2008 NJ 2009, 494 (Misslag)
6. HR 14 februari 2017 NJ 2017, 137 (Diefstal of verduistering?)
(m.nt. T. Kooijmans)
1
, De tenlastelegging, grondslag- en interpretatiekwesties
Leerdoelen:
De deelnemers kunnen na bestudering van de literatuur en de jurisprudentie en na actieve
deelname aan de colleges:
a. de betekenis en achterliggende gedachte van de grondslagleer verwoorden;
b. juridisch criterium I en II binnen de grondslagleer duiden en toepassen;
c. feitelijk criterium I en II binnen de grondslagleer duiden en toepassen;
d. uitleggen welke correctiemechanismen op de strenge grondslagleer bestaan;
e. met toepassing van de juridische en feitelijke criteria in een casus bepalen of een
einduitspraak een grondslagverlating oplevert;
f. in een bewezenverklaring analyseren op welke punten er sprake is van
grondslagverlating en tot welke consequenties dit leidt;
g. de voor- en nadelen van de huidige en de minder strenge grondslagleer uitleggen;
h. de consequenties kennen van een grondslagverlating.
De onderwerpen die in het eerste studiejaar aan de orde zijn gesteld, worden bekend
verondersteld. Hieronder vallen in elk geval het beslissingsmodel van art. 348 en 350 Sv
alsmede de motiveringseisen die gelden voor het vonnis.
2