2024
, Casus ‘Ruisstrategie’
Luitzen staat terecht wegens het medeplegen van afpersing.
Ter zitting betoogt zijn raadsman dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet
worden verklaard in de vervolging. Hiertoe voert hij aan dat sprake was van een
tactisch plan van de politie, in overleg met de officier van justitie, waarbij Luitzen
doelbewust tijdens de verhoren is misleid, door hem in strijd met de waarheid te
vertellen dat medeverdachte Karin inmiddels had bekend en had verklaard dat zij de
afpersing samen met Luitzen had gepleegd. Vervolgens zijn gesprekken, die na hun
heenzending plaatsvonden tussen Luitzen en Karin in een taxi, heimelijk opgenomen.
Met dit tactisch plan is gehandeld in strijd met de beginselen van een goede
procesorde. De keuzevrijheid van de verdachte om al dan niet te verklaren is teniet
gedaan en daarmee is sprake van een schending van artikel 6 EVRM, aldus de
raadsman. Subsidiair voert de raadsman aan dat op dezelfde gronden moet worden
gekomen tot bewijsuitsluiting van de opgenomen gesprekken, indien de rechtbank
het OM toch ontvankelijk acht.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het OM ontvankelijk is in de
vervolging en geen reden tot bewijsuitsluiting bestaat. Ze legt uit dat in onderhavige
zaak een zogenoemde ‘ruisstrategie’ is ingezet. Tijdens een verhoor is aan de
verdachte een mededeling gedaan over een fictieve bekentenis van de
medeverdachte. Vervolgens heeft er een Opname Vertrouwelijke Communicatie
plaatsgevonden in de taxi die de verdachte en de medeverdachte wegbracht. Volgens
de officier van justitie biedt de algemene bevoegdheid van art. 3 Politiewet voor het
inzetten van een dergelijke strategie de basis. “De zaaksofficier heeft hiertoe
machtiging verleend en heeft daarbij de proportionaliteit en subsidiariteit op een
juiste wijze afgewogen. Er is geen sprake van schending van de beginselen van
behoorlijke procesorde, noch van een vormverzuim, zoals dit door de raadsman is
aangevoerd,” zo sluit de officier van justitie af.
Vraag 1a:
De Hoge Raad wijst doorgaans twee criteria aan die bepalend zijn voor de vraag of
art. 3 Politiewet de bevoegdheid geeft voor de inzet van een niet specifiek in de wet
geregelde wijze van opsporing, zoals in deze zaak aan de orde is. Welke criteria zijn
dit?
Antwoordindicatie
(Casus ontleend aan https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?
id=ECLI:NL:HR:2018:18)
Art. 3 Polw biedt voldoende grondslag ingeval de ingezette opsporingsmethode
(a) geen disproportionele (of: niet meer dan een beperkte) inbreuk maakt op
grondrechten van burgers (2pt) en
(b) de handelwijze niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de
opsporing (2pt).