Casus I (10 punten)
Op 2 februari 2007 heeft Willem Tel bij de politie Midden en West Brabant aangifte gedaan van
diefstal van de auto. De verzekeraar, De Nijmeegsche, heeft een onderzoek laten instellen door CED
Forensic, welk bureau op 26 februari 2007 een rapport heeft uitgebracht. Naar aanleiding van dit
rapport heeft De Nijmeegsche aan Willem Tel bij brief d.d. 21 maart 2007 het volgende bericht:
Bij het aangaan van de verzekering zijn er omstandigheden verzwegen, die voor een goede
beoordeling van het risico essentieel waren om te weten. Deze had u bij ons moeten melden. Had u
ons juist en volledig geïnformeerd, dan hadden wij uw verzekeringsaanvraag niet geaccepteerd.
Concreet spreken we dan over:
- het niet noemen van eerdere geclaimde schadegevallen,
- het niet melden van een intrekking rijbewijs uit 2003,
- het niet melden dat u autohandelaar bent,
- het niet melden van een strafrechtelijk verleden de laatste 8 jaar.
We zullen de tussen u als verzekeringnemer en ons als verzekeraar gesloten motorrijtuigverzekering
per 16.04.2007 stopzetten gezien bovengenoemde. De schade zullen wij niet vergoeden omdat wij
van mening zijn dat wij opzettelijk zijn misleid bij de aanvraag.”
Beoordeel gemotiveerd dit verweer, waarbij aangetekend moet worden dat De Nijmeegsche heeft bij
het aangaan van de verzekering een vragenlijst gehanteerd.
(Leerstuk totstandkoming verzekering + mededelingsplicht en opzet tot misleiden)
1. Vooropgesteld dient te worden dat hier doorslaggevend is dat bij de totstandkoming van de
verzekeringsovereenkomst door de verzekeraar gebruik is gemaakt van een vragenlijst (7:928 lid
6). De vragen dienen in dat geval duidelijk/helder te zijn en op het punt van het strafrechtelijk
verleden geldt dat omtrent dat verleden een ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ vraag
gesteld moeten zijn (7:928 lid 5). Indien de verzekeraar een vragenlijst heeft gehanteerd kan,
behoudens bij opzet, alleen een beroep worden gedaan op het niet mededelen van genoemde
omstandigheden, indien nadrukkelijk naar de thans door de verzekeraar aan zijn opzegging ten
grondslag liggende feiten geïnformeerd is.
2. Bepalend is derhalve verder nog of van ‘opzet tot misleiding’ sprake is. Als dat (bewijsbaar) het
geval is, is de casus snel uitgeëxerceerd: dan geen recht op uitkering en bevoegdheid om op te
zeggen voor verzekeraar. De bewijslast in deze is op grond van art. 150 Rv aan de verzekeraar. In
de onderhavige zaak zijn evenwel onvoldoende aanwijzingen om van opzet uit te (kunnen) gaan.
3. Indien wij aannemen dat de verzekeraar naar de genoemde feiten heeft geïnformeerd, dan is de
stelling van De Nijmeegsche dat, wanneer zij van de vier genoemde aspecten op de hoogte was
geweest, ‘wij uw verzekeringsaanvraag niet geaccepteerd zouden hebben’, niet doorslaggevend.
Doorslaggevend voor de vraag of van verzwijging sprake is, is of ‘de redelijk handelend
verzekeraar’ de in concreto gesloten overeenkomst al dan niet zou zijn aangegaan. HR 19 mei
1978, NJ 1978, 607 (Hotel Wilhelmina).