Week 9 – Winsttoerekening vaste inrichtingen en transfer pricing (vervolg)
Literatuur
• Cursus Belastingrecht, deel Internationaal Belastingrecht 2017-2018, Hoofdstuk III, 3.4.2.A
• Besluit 15 januari 2011, nr. IFZ2010/457M (Winstallocatie vaste inrichtingen; zie
verdragenbundel)
Jurisprudentie
• HR 4 mei 1960, BNB 1960/165 (Rupiah)
• HR 10 maart 1993, BNB 1993/209 (valutaresultaat Amerikaanse v.i.)
• HR 5 december 2003, BNB 2004/139 (Cruzeiro)
Vraag 1
De heer Austin, geboren en getogen in Nederland, is erg succesvol in de academische sector. Na jaren
gewerkt te hebben bij Pfizer ten behoeve van de ontwikkeling van een medicijn tegen leukemie, besluit
Pfizer om dit onderzoek stop te zetten. De heer Austin zet dit ontwikkelingsproject voort. Samen met
twee andere partners besluit hij, na verdere ontwikkeling en registratie van het patent, te starten met het
testen van het medicijn tijdens patiënten onderzoeken. Deze patiënten onderzoeken zullen plaatsvinden in
Nederland en Rusland. De partners richten voor de Nederlandse en Russische activiteiten een
Nederlandse vennootschap op. Vanuit deze Nederlandse vennootschap worden de Nederlandse en
Russische patiënten onderzoeken aangestuurd. In Nederland worden zogenoemde clinical contractors
ingehuurd voor de uitvoering en registratie van de patiënten onderzoeken in Nederland. In Rusland vindt
het patiënten onderzoek plaats in het St Peterburgers ziekenhuis, waar de Nederlandse vennootschap een
ruimte huurt. Daarnaast huurt de Nederlandse vennootschap ook in Rusland clinical contractors in, die de
patiënten onderzoeken uitvoeren en registreren in Rusland. De verzamelde data wordt vervolgens
verwerkt in Nederland, wat bijdraagt tot verdere ontwikkeling en eindrealisatie van het medicijn.
In jaar 1 maakt de Nederlandse vennootschap een omzet van EUR 2 miljoen.
De kosten van de Nederlandse vennootschap bedragen EUR 500.000, bestaande uit de inhuur van de
Nederlandse clinical contractors ad EUR 200.000, en inhuur van de Russische clinical contractors plus
huur van het St Peterburgers ziekenhuis ad EUR 300.000.
Gevraagd
Ervanuitgaande dat Rusland het 2010 OECD rapport ‘attribution of profits to permanent establishments’,
overeenkomstig het Nederlandse besluit winstallocatie aan vaste inrichtingen, in haar nationale
wetgeving heeft opgenomen, hoe wordt in dit geval de winst bepaald, die toerekenbaar is aan de patiënten
onderzoeken in Rusland? Hoe verhoudt de vrijstellingswinst zich ten opzichte van de generale winst?
De Nederlandse vennootschap schaft in jaar 1 voor de patiënten onderzoeken in Nederland en Rusland
een zogenoemde prikmachine aan, welk apparaat 10 patiënten tegelijk kan prikken en tegelijkertijd de
onmiddellijke effecten kan opmeten. De aanschafprijs van de prikmachine is EUR 500.000, en de
prikmachine wordt in 5 jaar afschreven tot nihil. Na gebruik van dit apparaat ten behoeve van het
Nederlandse onderzoek, wordt dit apparaat in jaar 2 ter beschikking gesteld aan Rusland, tot dit patiënten
onderzoek zal worden afgerond. De werkelijke waarde van het apparaat bij overdracht bedraagt (in
aanmerking genomen de afschrijving) derhalve EUR 400.000. In jaar 4 wordt het apparaat terug
Literatuur
• Cursus Belastingrecht, deel Internationaal Belastingrecht 2017-2018, Hoofdstuk III, 3.4.2.A
• Besluit 15 januari 2011, nr. IFZ2010/457M (Winstallocatie vaste inrichtingen; zie
verdragenbundel)
Jurisprudentie
• HR 4 mei 1960, BNB 1960/165 (Rupiah)
• HR 10 maart 1993, BNB 1993/209 (valutaresultaat Amerikaanse v.i.)
• HR 5 december 2003, BNB 2004/139 (Cruzeiro)
Vraag 1
De heer Austin, geboren en getogen in Nederland, is erg succesvol in de academische sector. Na jaren
gewerkt te hebben bij Pfizer ten behoeve van de ontwikkeling van een medicijn tegen leukemie, besluit
Pfizer om dit onderzoek stop te zetten. De heer Austin zet dit ontwikkelingsproject voort. Samen met
twee andere partners besluit hij, na verdere ontwikkeling en registratie van het patent, te starten met het
testen van het medicijn tijdens patiënten onderzoeken. Deze patiënten onderzoeken zullen plaatsvinden in
Nederland en Rusland. De partners richten voor de Nederlandse en Russische activiteiten een
Nederlandse vennootschap op. Vanuit deze Nederlandse vennootschap worden de Nederlandse en
Russische patiënten onderzoeken aangestuurd. In Nederland worden zogenoemde clinical contractors
ingehuurd voor de uitvoering en registratie van de patiënten onderzoeken in Nederland. In Rusland vindt
het patiënten onderzoek plaats in het St Peterburgers ziekenhuis, waar de Nederlandse vennootschap een
ruimte huurt. Daarnaast huurt de Nederlandse vennootschap ook in Rusland clinical contractors in, die de
patiënten onderzoeken uitvoeren en registreren in Rusland. De verzamelde data wordt vervolgens
verwerkt in Nederland, wat bijdraagt tot verdere ontwikkeling en eindrealisatie van het medicijn.
In jaar 1 maakt de Nederlandse vennootschap een omzet van EUR 2 miljoen.
De kosten van de Nederlandse vennootschap bedragen EUR 500.000, bestaande uit de inhuur van de
Nederlandse clinical contractors ad EUR 200.000, en inhuur van de Russische clinical contractors plus
huur van het St Peterburgers ziekenhuis ad EUR 300.000.
Gevraagd
Ervanuitgaande dat Rusland het 2010 OECD rapport ‘attribution of profits to permanent establishments’,
overeenkomstig het Nederlandse besluit winstallocatie aan vaste inrichtingen, in haar nationale
wetgeving heeft opgenomen, hoe wordt in dit geval de winst bepaald, die toerekenbaar is aan de patiënten
onderzoeken in Rusland? Hoe verhoudt de vrijstellingswinst zich ten opzichte van de generale winst?
De Nederlandse vennootschap schaft in jaar 1 voor de patiënten onderzoeken in Nederland en Rusland
een zogenoemde prikmachine aan, welk apparaat 10 patiënten tegelijk kan prikken en tegelijkertijd de
onmiddellijke effecten kan opmeten. De aanschafprijs van de prikmachine is EUR 500.000, en de
prikmachine wordt in 5 jaar afschreven tot nihil. Na gebruik van dit apparaat ten behoeve van het
Nederlandse onderzoek, wordt dit apparaat in jaar 2 ter beschikking gesteld aan Rusland, tot dit patiënten
onderzoek zal worden afgerond. De werkelijke waarde van het apparaat bij overdracht bedraagt (in
aanmerking genomen de afschrijving) derhalve EUR 400.000. In jaar 4 wordt het apparaat terug