WEEK 7
Gevolgen niet nakoming van een verbintenis
[363] De termen tekortkoming en tekortschieten in de nakoming van een verbintenis hebben
een ruime betekenis; zij omvatten alle gevallen waarin hetgeen de schuldenaar verricht in
enig opzicht ten achter blijft bij hetgeen de verbintenis vergt, dus zowel het in het geheel niet
presteren, als het niet tijdig of ondeugdelijk presteren.
Indien de niet-nakoming bestaat uit het uitblijven van een nog mogelijke prestatie die niet
bevoegdelijk wordt opgeschort, en dit uitblijven aan de schuldenaar kan worden
toegerekend, is in beginsel pas sprake van een tekortkoming indien de schuldenaar in
verzuim is.
Voor dit tijdstip is er wel sprake van ‘niet-nakoming’, hetgeen de wederpartij bijv. de
bevoegdheid tot opschorting geeft (6:52 en 262 BW).
In beginsel kan alleen sprake zijn van een tekortschieten in de nakoming wanneer de
verbintenis opeisbaar is. Art. 6:80 BW geeft hierop uitzonderingen.
[364] De voornaamste rechten van de schuldeiser in geval van niet-nakoming zijn:
Recht op nakoming, dit gaat teniet wanneer de schuldeiser de verbintenis omzet in
een vervangende schadevergoeding of de overeenkomst ontbonden wordt;
Recht op schadevergoeding, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden
toegerekend;
Recht op ontbinding bij wederkerige overeenkomsten, ongeacht of de tekortkoming al
dan niet toerekenbaar is (art. 6:265 e.v. BW).
[365] Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend indien zij niet te wijten
is aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende
opvattingen voor zijn rekening komt (art. 6:75 BW). Dit levert overmacht op.
Het is van belang te kijken naar de inhoud van de verbintenis, om te zien of er sprake is van
tekortkoming. Hierbij speelt het onderscheid tussen resultaats- en inspanningsverbintenis. Bij
resultaatsverbintenis is de schuldenaar gehouden een bepaald resultaat te verwezenlijken.
Bij een inspanningsverbintenis is de schuldenaar gehouden een zekere mate van inspanning
te leveren.
[366] De schuldenaar kan zich op overmacht beroepen in geval van een buiten zijn schuld
ontstane en niet voor zijn risico komende tekortkoming in de nakoming.
De schuldenaar kan zich niet op overmacht beroepen indien de belemmering het gevolg is
van een gedraging of omstandigheid waarvoor hij aansprakelijk is.
[367] Een tekortkoming is aan de schuld van de schuldenaar te wijten, wanneer hij niet
voldoende zorg heeft betracht om de tekortkoming te voorkomen. Vereist is dus
‘verwijtbaarheid’.
Denk voor een niet aan schuld te wijten tekortkoming die krachtens rechtshandeling voor
rekening van de schuldenaar komt aan het uitblijven van een in de overeenkomst
gegarandeerd resultaat.
Denk voor een tekortkoming die krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor
rekening van de schuldenaar komt aan belemmeringen die de debiteur heeft voorzien of had
moeten voorzien.
[368] Maakt de schuldenaar bij de uitvoering van een verbintenis gebruik van de hulp van
andere personen, dan is hij voor hun gedragingen op gelijke wijze als voor eigen
gedragingen aansprakelijk (art. 6:76 BW).
1
,Is de aansprakelijkheid van de schuldenaar tot een bepaalde schuldgraad beperkt, dan geldt
een gelijke beperking voor zijn aansprakelijkheid voor de fouten van zijn hulppersonen.
De aansprakelijkheid op grond van art. 6:76 BW bestaat alleen voor personen wier hulp
wordt gebruikt bij de uitvoering van de verbintenis ten aanzien waarvan de aansprakelijkheid
in het geding is.
[369] Art. 6:76 BW sluit niet uit dat tekortkomingen veroorzaakt door andere dan de daarin
genoemde personen aan de schuldenaar worden toegerekend, maar deze toerekening moet
dan op grond van art. 6:75 BW geschieden.
[370] Art. 6:77 BW bevat een regel voor zaken met een ruime ontsnappingsclausule,
namelijk voor het geval de toerekening ‘gelet op inhoud en strekking van de rechtshandeling
waaruit de verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de overige
omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn’.
Ook hier geldt de regel uit het vorige nummer (369).
De gevolgschade: schade die door gebreken in de op grond van de verbintenis aan de
schuldeiser verschafte zaak aan de persoon of het vermogen van de schuldeiser is
toegebracht, moet van de hulpzaak worden onderscheiden.
[371] De schuldenaar kan een gehele of gedeeltelijke uitsluiting van aansprakelijkheid
bedingen. Dit gaat door middel van exoneratieclausules. Denk aan het beperken of uitsluiten
van een schadevergoedingsverplichting, of dat bepaalde vormen van niet-nakoming niet als
tekortkoming gelden of dat tekortkoming niet tot het ontstaan van bepaalde voorziene
verplichtingen zal leiden.
De wet kan voorschriften van dwingend recht opleggen om de vrijheid te beperken.
Daarnaast vloeien beperkingen voort uit de algemene bepalingen van het contractenrecht.
[372] Maakt een exoneratiebeding deel uit van algemene voorwaarden, dan kan het
vernietigbaar zijn als onredelijk bezwarend voor de wederpartij. In overeenkomsten met
consumenten wordt een door een professionele partij bedongen exoneratie vermoed
onredelijk bezwarend te zijn (art. 6:237 onder f BW).
Het staat de schuldenaar niet vrij op een exoneratiebeding een beroep te doen, indien hij
daardoor in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou handelen.
Toetsing van een exoneratiebeding wordt veelal verricht aan de hand van art. 6:233 en 6:237
onder f BW, en aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid.
[373] De schuldeiser heeft in beginsel geen recht op schadevergoeding (art. 6:74 lid 1 BW),
behoudens voorzover de schuldenaar in verband met de tekortkoming voordeel geniet dat hij
bij behoorlijke nakoming niet zo hebben gehad (art. 6:78 lid 1 jo 6:212 BW,
ongerechtvaardigde verrijking).
Deze schade wordt vergoed in geld, tenzij de rechter op verlangen van de schuldeiser een
andere vorm bepaalt (art. 6:103 BW).
[374] Wanprestatie geeft de schuldeiser recht op schadevergoeding. Voor zover de
nakoming blijvend onmogelijk is, bestaat dit recht direct: de verbintenis is van rechtswege in
een schadevergoeding omgezet (art. 6:74 lid 1 BW).
Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, ontstaat het recht op
schadevergoeding pas indien aan de bijkomende eisen van verzuim (art. 6:81 e.v. BW) is
voldaan (art. 6:74 lid 2 BW). Vanaf dit ogenblijk is vergoeding van vertragingsschade
verschuldigd (art. 6:85 BW).
2
,De schuldeiser heeft pas recht op vervangende schadevergoeding nadat hij de verbintenis
op de voet van art. 6:87 BW in een schadevergoeding heeft omgezet.
Verzuim van de schuldenaar
[375] Het begrip verzuim van de schuldenaar wordt gebruikt in de betekenis van elke
toerekenbare vertraging in de nakoming van een opeisbare verbintenis, zonder dat die
nakoming reeds blijvend onmogelijk is (art. 6:81 BW).
Verzuim treedt in wanneer aan de eisen van art. 6:82 en 83 is voldaan. Er is een
ingebrekestelling vereist: een schriftelijke aanmaning waarbij een rechtelijke termijn voor de
nakoming wordt vastgesteld. Het verzuim treedt in indien nakoming binnen deze termijn
uitblijft.
De ingebrekestelling behoeft geen aanmaning te bevatten indien deze zinloos is, zie art. 6:82
lid 2 BW.
Art. 6:83BW noemt drie gevallen waarin het verzuim van rechtswege intreedt:
1. Bij het verstrijken van een voor de voldoening gestelde termijn. De termijn moet hier
geen andere strekking hebben of termijnoverschrijving is slechts van geringe
betekenis.
2. Bij onrechtmatige daad en schadevergoeding als bedoeld in art. 6:74 lid 1 BW
(wegens wanprestatie).
3. Wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat
deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
Er moet altijd worden gekeken of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
aanvaardbaar is om geen ingebrekestelling te versturen.
[376] Rechtsgevolgen van verzuim:
Een tijdens het verzuim optredende onmogelijkheid van nakoming wordt in beginsel
aan de debiteur toegerekend en verplicht tot schadevergoeding (art. 6:84 BW);
De schuldenaar in verzuim is van rechtswege vergoeding van vertragingsschade
verschuldigd (art. 6:85 BW);
De schuldeiser is bevoegd door een schriftelijke mededeling de verbintenis om te
zetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, tenzij de tekortkoming
van te geringe betekenis is (art. 6:87 BW). De omzetting geeft de schuldeiser recht
op vergoeding van de waarde van de uitgebleven of ondeugdelijk verrichte prestatie;
De bevoegdheid tot ontbinding in geval van wanprestatie is in beginsel aan de eisen
voor verzuim gekoppeld;
Het vorderen van nakoming van een boetebeding (art. 6:93 BW);
[377] Gedurende het verzuim behoudt de schuldenaar de bevoegdheid om na te komen, mits
hij betaling aanbiedt van de door hem verschuldigd geworden schadevergoeding en van de
kosten (art. 6:86 BW). Verzuim verondersteld dat nakoming nog mogelijk is. Het verzuim
eindigt mitsdien:
Wanneer de debiteur nakomt;
Wanneer de schuldeiser een behoorlijk aanbod tot nakoming weigert en daardoor zelf
in schuldeisersverzuim komt (art. 6:61 BW);
Wanneer nakoming alsnog blijvend onmogelijk wordt;
Wanneer de schuldeiser zijn recht op nakoming heeft verloren door omzetting (art.
6:87 of 6:88 BW), door het verstrijken van de termijn bedoeld in art. 37 lid 2 Fw, of
door ontbinding of vernietiging van de rechtshandeling waaruit de verbintenis
voortspruit.
3
, Het instellen van een rechtsvordering tot ontbinding doet het verzuim niet eindigen, maar
maakt wel dat een aanbod tot nakoming geen werking meer heeft, indien de ontbinding
wordt uitgesproken (art. 6:269 BW).
Aansprakelijkheid voor personen en zaken
[463] Afdeling 6.3.2 regelt een aantal gevallen van aansprakelijkheid buiten schuld voor
personen en zaken. Art. 6:169-172 BW gaan over aansprakelijkheid voor personen, art.
6:173-181 BW gaan over aansprakelijkheid voor zaken.
De gevallen van afdeling 6.3.2 vormen zelfstandige aansprakelijkheidsgronden naast de
aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, en slechts ziet op degene die van een
onrechtmatige daad ook de dader is. zij kunnen om deze reden niet beschouwd worden als
wettelijke uitwerkingen van de aansprakelijkheid buiten schuld (6:162 lid 3 BW).
Indien zowel is voldaan aan de vereisten van art. 6:162 BW als aan de vereisten van één der
bepalingen van afdeling 6.3.2 zijn de regelingen naast elkaar van toepassing.
Omdat hij bij risicoaansprakelijkheid niet van belang is of de schadeveroorzakende
gebeurtenis aan de schuld van de aansprakelijke persoon is te wijten, kan deze niet aan
aansprakelijkheid ontkomen door een beroep te doen op zijn jeugdige leeftijd (uitzondering
kinderen jonger dan 14 jaar, art. 6:173 en 6:179 BW), of op zijn geestelijke of lichamelijke
tekortkomingen (Art. 6:183 lid 1 BW).
Verbintenissen uit andere bron dan onrechtmatige daad of overeenkomst
[499] Verbintenissen kunnen ontstaan uit vele rechtsfeiten dan onrechtmatige daad of
overeenkomst, denk aan zaakwaarneming, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde
verrijking.
Ontbinding wederkerige overeenkomsten
[588] De ontbinding van wederkerige overeenkomsten wegens een tekortkoming in de
nakoming wordt geregeld in de art. 6:265 e.v. BW. De bepalingen zijn van regelend recht.
[589] Het recht op ontbinding bestaat ook in geval van overmacht. Art. 6:265 BW stelt twee
voorwaarden voor geheel of gedeeltelijke ontbinding:
Een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit de overeenkomst, tenzij de
tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding met
haar gevolgen niet rechtvaardigt;
Verzuim van de schuldenaar, behoudens voor zover nakoming blijvend of tijdelijk
onmogelijk is.
[590] De ontbinding van wederkerige overeenkomsten vindt plaats door een schriftelijke
verklaring van de daartoe gerechtigde (art. 6:267 lid 1 BW).
De ontbinding kan ook op vordering van de schuldeiser door de rechter worden uitgesproken
(art. 6:267 lid 2 BW).
De verjaringstermijn voor de rechtsvordering tot ontbinding is vijf jaar (art. 3:311 BW); door
het verstrijken van een termijn vervalt ook de mogelijkheid van buitengerechtelijke
ontbinding, behoudend bij wege van verweer (art. 6:268 BW).
Een gedeeltelijke ontbinding houdt een evenredige vermindering in van de wederzijdse
prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid (art. 6:270 BW).
[591] Essentie van de ontbinding is dat partijen worden bevrijd van hun verbintenissen.
Reeds verrichte prestaties moeten worden ongedaan gemaakt (restitutieverplichting, art.
6:271 BW). Omdat de ontbinding van de overeenkomst geen terugwerkende kracht heeft en
4
Gevolgen niet nakoming van een verbintenis
[363] De termen tekortkoming en tekortschieten in de nakoming van een verbintenis hebben
een ruime betekenis; zij omvatten alle gevallen waarin hetgeen de schuldenaar verricht in
enig opzicht ten achter blijft bij hetgeen de verbintenis vergt, dus zowel het in het geheel niet
presteren, als het niet tijdig of ondeugdelijk presteren.
Indien de niet-nakoming bestaat uit het uitblijven van een nog mogelijke prestatie die niet
bevoegdelijk wordt opgeschort, en dit uitblijven aan de schuldenaar kan worden
toegerekend, is in beginsel pas sprake van een tekortkoming indien de schuldenaar in
verzuim is.
Voor dit tijdstip is er wel sprake van ‘niet-nakoming’, hetgeen de wederpartij bijv. de
bevoegdheid tot opschorting geeft (6:52 en 262 BW).
In beginsel kan alleen sprake zijn van een tekortschieten in de nakoming wanneer de
verbintenis opeisbaar is. Art. 6:80 BW geeft hierop uitzonderingen.
[364] De voornaamste rechten van de schuldeiser in geval van niet-nakoming zijn:
Recht op nakoming, dit gaat teniet wanneer de schuldeiser de verbintenis omzet in
een vervangende schadevergoeding of de overeenkomst ontbonden wordt;
Recht op schadevergoeding, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden
toegerekend;
Recht op ontbinding bij wederkerige overeenkomsten, ongeacht of de tekortkoming al
dan niet toerekenbaar is (art. 6:265 e.v. BW).
[365] Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend indien zij niet te wijten
is aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende
opvattingen voor zijn rekening komt (art. 6:75 BW). Dit levert overmacht op.
Het is van belang te kijken naar de inhoud van de verbintenis, om te zien of er sprake is van
tekortkoming. Hierbij speelt het onderscheid tussen resultaats- en inspanningsverbintenis. Bij
resultaatsverbintenis is de schuldenaar gehouden een bepaald resultaat te verwezenlijken.
Bij een inspanningsverbintenis is de schuldenaar gehouden een zekere mate van inspanning
te leveren.
[366] De schuldenaar kan zich op overmacht beroepen in geval van een buiten zijn schuld
ontstane en niet voor zijn risico komende tekortkoming in de nakoming.
De schuldenaar kan zich niet op overmacht beroepen indien de belemmering het gevolg is
van een gedraging of omstandigheid waarvoor hij aansprakelijk is.
[367] Een tekortkoming is aan de schuld van de schuldenaar te wijten, wanneer hij niet
voldoende zorg heeft betracht om de tekortkoming te voorkomen. Vereist is dus
‘verwijtbaarheid’.
Denk voor een niet aan schuld te wijten tekortkoming die krachtens rechtshandeling voor
rekening van de schuldenaar komt aan het uitblijven van een in de overeenkomst
gegarandeerd resultaat.
Denk voor een tekortkoming die krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor
rekening van de schuldenaar komt aan belemmeringen die de debiteur heeft voorzien of had
moeten voorzien.
[368] Maakt de schuldenaar bij de uitvoering van een verbintenis gebruik van de hulp van
andere personen, dan is hij voor hun gedragingen op gelijke wijze als voor eigen
gedragingen aansprakelijk (art. 6:76 BW).
1
,Is de aansprakelijkheid van de schuldenaar tot een bepaalde schuldgraad beperkt, dan geldt
een gelijke beperking voor zijn aansprakelijkheid voor de fouten van zijn hulppersonen.
De aansprakelijkheid op grond van art. 6:76 BW bestaat alleen voor personen wier hulp
wordt gebruikt bij de uitvoering van de verbintenis ten aanzien waarvan de aansprakelijkheid
in het geding is.
[369] Art. 6:76 BW sluit niet uit dat tekortkomingen veroorzaakt door andere dan de daarin
genoemde personen aan de schuldenaar worden toegerekend, maar deze toerekening moet
dan op grond van art. 6:75 BW geschieden.
[370] Art. 6:77 BW bevat een regel voor zaken met een ruime ontsnappingsclausule,
namelijk voor het geval de toerekening ‘gelet op inhoud en strekking van de rechtshandeling
waaruit de verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de overige
omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn’.
Ook hier geldt de regel uit het vorige nummer (369).
De gevolgschade: schade die door gebreken in de op grond van de verbintenis aan de
schuldeiser verschafte zaak aan de persoon of het vermogen van de schuldeiser is
toegebracht, moet van de hulpzaak worden onderscheiden.
[371] De schuldenaar kan een gehele of gedeeltelijke uitsluiting van aansprakelijkheid
bedingen. Dit gaat door middel van exoneratieclausules. Denk aan het beperken of uitsluiten
van een schadevergoedingsverplichting, of dat bepaalde vormen van niet-nakoming niet als
tekortkoming gelden of dat tekortkoming niet tot het ontstaan van bepaalde voorziene
verplichtingen zal leiden.
De wet kan voorschriften van dwingend recht opleggen om de vrijheid te beperken.
Daarnaast vloeien beperkingen voort uit de algemene bepalingen van het contractenrecht.
[372] Maakt een exoneratiebeding deel uit van algemene voorwaarden, dan kan het
vernietigbaar zijn als onredelijk bezwarend voor de wederpartij. In overeenkomsten met
consumenten wordt een door een professionele partij bedongen exoneratie vermoed
onredelijk bezwarend te zijn (art. 6:237 onder f BW).
Het staat de schuldenaar niet vrij op een exoneratiebeding een beroep te doen, indien hij
daardoor in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou handelen.
Toetsing van een exoneratiebeding wordt veelal verricht aan de hand van art. 6:233 en 6:237
onder f BW, en aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid.
[373] De schuldeiser heeft in beginsel geen recht op schadevergoeding (art. 6:74 lid 1 BW),
behoudens voorzover de schuldenaar in verband met de tekortkoming voordeel geniet dat hij
bij behoorlijke nakoming niet zo hebben gehad (art. 6:78 lid 1 jo 6:212 BW,
ongerechtvaardigde verrijking).
Deze schade wordt vergoed in geld, tenzij de rechter op verlangen van de schuldeiser een
andere vorm bepaalt (art. 6:103 BW).
[374] Wanprestatie geeft de schuldeiser recht op schadevergoeding. Voor zover de
nakoming blijvend onmogelijk is, bestaat dit recht direct: de verbintenis is van rechtswege in
een schadevergoeding omgezet (art. 6:74 lid 1 BW).
Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, ontstaat het recht op
schadevergoeding pas indien aan de bijkomende eisen van verzuim (art. 6:81 e.v. BW) is
voldaan (art. 6:74 lid 2 BW). Vanaf dit ogenblijk is vergoeding van vertragingsschade
verschuldigd (art. 6:85 BW).
2
,De schuldeiser heeft pas recht op vervangende schadevergoeding nadat hij de verbintenis
op de voet van art. 6:87 BW in een schadevergoeding heeft omgezet.
Verzuim van de schuldenaar
[375] Het begrip verzuim van de schuldenaar wordt gebruikt in de betekenis van elke
toerekenbare vertraging in de nakoming van een opeisbare verbintenis, zonder dat die
nakoming reeds blijvend onmogelijk is (art. 6:81 BW).
Verzuim treedt in wanneer aan de eisen van art. 6:82 en 83 is voldaan. Er is een
ingebrekestelling vereist: een schriftelijke aanmaning waarbij een rechtelijke termijn voor de
nakoming wordt vastgesteld. Het verzuim treedt in indien nakoming binnen deze termijn
uitblijft.
De ingebrekestelling behoeft geen aanmaning te bevatten indien deze zinloos is, zie art. 6:82
lid 2 BW.
Art. 6:83BW noemt drie gevallen waarin het verzuim van rechtswege intreedt:
1. Bij het verstrijken van een voor de voldoening gestelde termijn. De termijn moet hier
geen andere strekking hebben of termijnoverschrijving is slechts van geringe
betekenis.
2. Bij onrechtmatige daad en schadevergoeding als bedoeld in art. 6:74 lid 1 BW
(wegens wanprestatie).
3. Wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat
deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
Er moet altijd worden gekeken of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
aanvaardbaar is om geen ingebrekestelling te versturen.
[376] Rechtsgevolgen van verzuim:
Een tijdens het verzuim optredende onmogelijkheid van nakoming wordt in beginsel
aan de debiteur toegerekend en verplicht tot schadevergoeding (art. 6:84 BW);
De schuldenaar in verzuim is van rechtswege vergoeding van vertragingsschade
verschuldigd (art. 6:85 BW);
De schuldeiser is bevoegd door een schriftelijke mededeling de verbintenis om te
zetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, tenzij de tekortkoming
van te geringe betekenis is (art. 6:87 BW). De omzetting geeft de schuldeiser recht
op vergoeding van de waarde van de uitgebleven of ondeugdelijk verrichte prestatie;
De bevoegdheid tot ontbinding in geval van wanprestatie is in beginsel aan de eisen
voor verzuim gekoppeld;
Het vorderen van nakoming van een boetebeding (art. 6:93 BW);
[377] Gedurende het verzuim behoudt de schuldenaar de bevoegdheid om na te komen, mits
hij betaling aanbiedt van de door hem verschuldigd geworden schadevergoeding en van de
kosten (art. 6:86 BW). Verzuim verondersteld dat nakoming nog mogelijk is. Het verzuim
eindigt mitsdien:
Wanneer de debiteur nakomt;
Wanneer de schuldeiser een behoorlijk aanbod tot nakoming weigert en daardoor zelf
in schuldeisersverzuim komt (art. 6:61 BW);
Wanneer nakoming alsnog blijvend onmogelijk wordt;
Wanneer de schuldeiser zijn recht op nakoming heeft verloren door omzetting (art.
6:87 of 6:88 BW), door het verstrijken van de termijn bedoeld in art. 37 lid 2 Fw, of
door ontbinding of vernietiging van de rechtshandeling waaruit de verbintenis
voortspruit.
3
, Het instellen van een rechtsvordering tot ontbinding doet het verzuim niet eindigen, maar
maakt wel dat een aanbod tot nakoming geen werking meer heeft, indien de ontbinding
wordt uitgesproken (art. 6:269 BW).
Aansprakelijkheid voor personen en zaken
[463] Afdeling 6.3.2 regelt een aantal gevallen van aansprakelijkheid buiten schuld voor
personen en zaken. Art. 6:169-172 BW gaan over aansprakelijkheid voor personen, art.
6:173-181 BW gaan over aansprakelijkheid voor zaken.
De gevallen van afdeling 6.3.2 vormen zelfstandige aansprakelijkheidsgronden naast de
aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, en slechts ziet op degene die van een
onrechtmatige daad ook de dader is. zij kunnen om deze reden niet beschouwd worden als
wettelijke uitwerkingen van de aansprakelijkheid buiten schuld (6:162 lid 3 BW).
Indien zowel is voldaan aan de vereisten van art. 6:162 BW als aan de vereisten van één der
bepalingen van afdeling 6.3.2 zijn de regelingen naast elkaar van toepassing.
Omdat hij bij risicoaansprakelijkheid niet van belang is of de schadeveroorzakende
gebeurtenis aan de schuld van de aansprakelijke persoon is te wijten, kan deze niet aan
aansprakelijkheid ontkomen door een beroep te doen op zijn jeugdige leeftijd (uitzondering
kinderen jonger dan 14 jaar, art. 6:173 en 6:179 BW), of op zijn geestelijke of lichamelijke
tekortkomingen (Art. 6:183 lid 1 BW).
Verbintenissen uit andere bron dan onrechtmatige daad of overeenkomst
[499] Verbintenissen kunnen ontstaan uit vele rechtsfeiten dan onrechtmatige daad of
overeenkomst, denk aan zaakwaarneming, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde
verrijking.
Ontbinding wederkerige overeenkomsten
[588] De ontbinding van wederkerige overeenkomsten wegens een tekortkoming in de
nakoming wordt geregeld in de art. 6:265 e.v. BW. De bepalingen zijn van regelend recht.
[589] Het recht op ontbinding bestaat ook in geval van overmacht. Art. 6:265 BW stelt twee
voorwaarden voor geheel of gedeeltelijke ontbinding:
Een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit de overeenkomst, tenzij de
tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding met
haar gevolgen niet rechtvaardigt;
Verzuim van de schuldenaar, behoudens voor zover nakoming blijvend of tijdelijk
onmogelijk is.
[590] De ontbinding van wederkerige overeenkomsten vindt plaats door een schriftelijke
verklaring van de daartoe gerechtigde (art. 6:267 lid 1 BW).
De ontbinding kan ook op vordering van de schuldeiser door de rechter worden uitgesproken
(art. 6:267 lid 2 BW).
De verjaringstermijn voor de rechtsvordering tot ontbinding is vijf jaar (art. 3:311 BW); door
het verstrijken van een termijn vervalt ook de mogelijkheid van buitengerechtelijke
ontbinding, behoudend bij wege van verweer (art. 6:268 BW).
Een gedeeltelijke ontbinding houdt een evenredige vermindering in van de wederzijdse
prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid (art. 6:270 BW).
[591] Essentie van de ontbinding is dat partijen worden bevrijd van hun verbintenissen.
Reeds verrichte prestaties moeten worden ongedaan gemaakt (restitutieverplichting, art.
6:271 BW). Omdat de ontbinding van de overeenkomst geen terugwerkende kracht heeft en
4