Allergieën, er zijn heel veel verschillende allergieën. Hierbij treedt een immuunrespons op tegen een
onschadelijk antigeen:
- Immunostimulatie, een bepaalde stof resulteert hierbij in een cytokine storm. Hierbij wordt
het hele immuunsysteem aspecifiek gestimuleerd, omdat er zoveel signalen binnenkomen.
Dit kan resulteren in sepsis.
- Medicijn allergie/Immuun-gemedieerde lever pathologie (systematische hypersensitivity),
mensen kunnen allergisch zijn voor medicijnen, zoals de antibiotica penicilline. Denk bij deze
allergie ook aan de idiosyncratische reacties die in het lever hoorcollege behandeld zijn.
- Luchtweg allergie, door de luchtverontreiniging zijn mensen meer asmatisch en dat is een
voorbeeld van overgevoeligheid.
- Voedsel allergie, kan een probleem vormen voor genetisch gemodificeerd voedsel of nieuwe
(artificiële) eiwitten.
- Contact allergie, kan komen door occupational chemicaliën, maar ook door chemicaliën in
het huis.
- Auto-immuunziekte, hierbij reageren op zichzelf.
Adaptieve immuunsysteem, allergieën hebben te maken met
activatie van het adaptieve immuunsysteem. Activatie van B en T
cellen vindt plaats in lymfeklieren. Dit is rechts in de afbeelding
weergegeven waarbij een antigeen-presenterende cel binnenkomt.
Afhankelijk van de situatie kan deze cel voor activatie van de B
cellen of T cellen zorgen. Dit gaat middels een helper T cel en bij
zowel de humorale als cellulaire respons zijn dus T cellen
betrokken.
T cel sensitisatie, er zijn meerder factoren nodig om een T cel te
activeren. Het belangrijkste bij deze activatie is de MHC
receptor die een antigeen presenteert. De respons wordt
gericht tegen het peptide dat in MHC zit. Het is echter niet
genoeg om alleen een antigeen te presenteren aan de T cel er
moet nog een 2e signaal aanwezig zijn voor activatie. Dit
noemen we co-stimulatie. Verder zie je in de afbeelding ook
cytokines als signaal 3 aangegeven en deze zijn met name van
belang bij bepaling of er een Th1 of Th2 respons optreedt. Deze
cytokines kunnen van de betreffende dendritische cel afkomen,
maar ook van andere cellen uit de omgeving. Het komt er dus
op neer dat er meerdere signalen nodig zijn voor T cel
sensitisatie. Bij overgevoeligheid voeren lage moleculaire stoffen
invloed uit op dit proces. Dat kan op verschillende manieren
gebeuren:
- Haptenisatie, hierbij spelen low molecular compounds
(≠eiwit) een rol. Zij kunnen niet door MHC gepresenteerd
worden, omdat het dus geen eiwitten zijn. Ze kunnen
echter wel aan eiwitten binden, waardoor een
lichaamseigen eiwit opeens lichaamsvreemd gezien kan
worden. De T cel receptor reageert dan op dit lichaamseigen eiwit.
- Adjuvant, de lage moleculaire stoffen kunnen een effect hebben op de co-stimulerende
moleculen en daardoor overgevoeligheid induceren.
Haptenization, hierbij bindt een low molecular compound (LWMC) aan een eiwit. Vóór deze binding
wordt de betreffende stof nog pro-hapten genoemd en na covalente binding een hapten. Het
hapten-carrier complex dat hierdoor ontstaat, kan een andere vorm aannemen dan het eiwit eerst
, had. Hierbij kan een stuk van het eiwit aan de buitenzijde terechtkomen dat
normaal gesproken intern zit. T cellen kunnen hierop reageren. Het kan
echter ook dat de structuur van het eiwit hetzelfde blijft en dat het
immuunsysteem op het hapten reageert. Dit zijn de twee belangrijkste
mechanismen waardoor het lichaam op lichaamseigen eiwitten kan
reageren.
Adjuvant, LWMC kunnen een adjuvante werking hebben doordat ze voor
co-stimulatie zorgen (signaal 2 &3). Dit kan op meerdere manieren:
- DAMPs, het kan dat een LWMC schade oplevert, waardoor cellen
doodgaan. Als deze cellen necrose ondergaan komen
er DAMPs (danger associated molecular patterns) vrij.
Deze DAMPs kunnen binden aan receptoren van een
dendritische cel, waardoor deze zijn co-stimulatoire
moleculen gaat up-reguleren. Het kan dat de T cel
reageert op het betreffende LWMC dat voor de
DAMPs heeft gezorgd, maar dit hoeft zo te zijn. Het is
namelijk ook mogelijk dat de T cel reageert op een
compleet ander stofje, maar dat de co-stimulatie van
de DAMPs voldoende is als 2e signaal om
overgevoeligheid te initiëren. In dat geval heeft het
LWMC enkel een adjuvante werking. Het kan ook dat
je door de DAMPs op lichaamseigen eiwitten gaat
reageren, waar je normaal gesproken niet op reageert
omdat je een 2e signaal mist, maar nu dus wel.
- Pathogenen, wanneer een LWMC aan een eiwit bindt,
wordt dat niet langer als lichaamseigen gezien. Er is
echter wel een 2e signaal nodig om de T cellen te
activeren en dat is er niet altijd. Als er nu net een infectie plaatsvindt, kunnen er PAMPs
(pathogen associated molecular patterns) aanwezig zijn, waardoor er wel een 2e signaal
aanwezig is. Dit is de reden dat je lichaam ongewenst kan reageren op antibiotica. Antibiotica
zijn vaak LMWC en zijn reactief (omdat ze bacteriën moeten doden). Ze kunnen dus ook met
de eiwitten uit je lichaam reageren en er is dan al een infectie waardoor PAMPs aanwezig
zijn. Dit 2e signaal samen met haptenisatie kan voor antibiotica allergie zorgen.
- Cytokines, LWMC kunnen ervoor zorgen dat cellen cytokinen produceren.
- Inflammasome, sommige LWMC kunnen het inflammasome stimuleren, waardoor CD80 en
CD86 omhoog gereguleerd worden. Dit zijn co-stimulatoire moleculen.
- Directe binding, sommige LWMC, zoals nikkel, kunnen direct aan een receptor van een
dendritische cel binden. Deze stoffen binden dan receptoren die PAMPs herkennen en
binding van nikkel is dan dus co-stimulatie.
In de afbeelding zijn de verschillende manieren van
adjuvante werking weergegeven. Hierin is zowel het danger
& stranger model als co-stimulatie weergegeven. Als je
terugkijkt naar de activatie van het adaptieve
immuunsysteem bij hepatoxicity is dat te vergelijken met
hetgene wat hierboven beschreven staat. Rechts is de
danger hypothese van immuun-gemedieerde idosyncratische
hepatoxiciteit nogmaals weergegeven.
Take home message, wat je nu moet onthouden van de
overgevoeligheidsreactie is dat er minimaal 2 signalen nodig
zijn en dat het essentieel is dat er T cel activatie optreedt.
T cel activatie, er zijn twee soorten T cel activatie die tot
stand komen doordat een naïeve T cel een peptide herkent